SCHELDEN, VLOEKEN, RAZEN & TIEREN IN ALLERLEI TALEN

 

[ NRC Handelsblad, 2-1-88 ]

 

Twee Italiaanse automobilisten die zojuist met elkaar in botsing kwamen, kunnen mij met jaloezie vervullen. Wie maakt er bij ons nog echt werk van schelden? Alleen ruwe zeebonken als de kapiteins Haddock en Wal Rus. Schelden staat als onbeheerst bekend, en lijkt volgens geen enkel nuchter schema tot een oplossing van iets te leiden. Ja, het lucht op, maar je hoeft toch niet met je gevoelens te koop te lopen?

Waar in Nederland wordt gescholden en gekijfd, is meestal sprake van een 'hete' confrontatie. Als manier om een conflict aan te gaan staat de scheldkanonnade recht tegenover de brouille, het ijzige 'niet meer on speaking terms zijn'. Maar beide rituelen hebben met elkaar gemeen dat ze in principe geweldloos zijn. Daarom behoren ze tot de laatste vormen van 'eigenrichting' die in onze maatschappij worden getolereerd.

Ook de kunst van het beheerst schelden is in Nederland weinig ontwikkeld. Een artistieke scheldkanonnade paart volgens Ashley Montagu, auteur van het standaardwerk The Anatomy of Swearing (1968), ironie en subtiele humor aan de totale vernietiging van de tegenstander. Savoir injurier is in Frankrijk een blijk van fijnzinnigheid. In Engeland is het openbaar uitwisselen van schimpscheuten a joy for every gentleman. Het Lagerhuis staat er om bekend, getuige bijvoorbeeld de conversatie tussen de Earl of Sandwich en de demagoog John Wilkes, die in de zeventiende eeuw plaatsvond. De earl, woedend over een opmerking van Wilkes, beet hem toe dat hij hetzij op het schavot, hetzij aan de syfilis zou sterven. Wilkes maakte een hoofse buiging naar zijn tegenstander, en antwoordde: 'My Lord, dat hangt er geheel van af of ik uw beginselen dan wel uw maitresse omhels.'

In Nederland wordt een dergelijk beheerst scheld-duel nimmer vanaf het spreekgestoelte gevoerd. Om gepolijst te schelden, overslaande stem en onmachtige gebaren aan de waarneming te onttrekken, heeft een Nederlander een vel papier nodig. De laatste tijd is het schriftelijk schelden sterk in opmars, met meesters als A. Marja, W.F. Hermans, Gerrit Komrij, Stoker en Jeroen Brouwers.

De standaard voor de literaire scheldrede is de klassieke invectiva oratio, destijds gepraktizeerd door retoren als Cicero en Demosthenes. Eind vorige eeuw bereikte de traditie een Nederlands hoogtepunt in de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel ('Ik heb geen lust om in de stoffige taart van deerniswekkend proza te happen, waartoe de heer De Chateleux zijn stinkend bittere en vunzig zure gedachte‑vruchten en het giftige meel van zijn ploerten‑stijl heeft samengeknoeid').

De oorspronkelijkste scheldkanonnade die aan een Nederlands brein ontsproot is volgens mij te vinden in de 'Moffenspiegel', een illegale publikatie uit de bezettingstijd. Daarin werd opgesomd onder welke benamingen Hitler zoal bekend stond. In China heette hij Hang Kreng Hang, in Japan Foetsjimoeti, in Rusland Slarottimof, in Polen Pikinsky, in Abessinie Haal opensebassie, in Ierland O'Brajum, in Spanje Wibraltar, in Noorwegen Olafbek, in Italie Alverotti, in Turkije Satan‑Halum, in Amerika Reuzefield, in Friesland Jatstra, in Arabie Slahem‑elijki, in Nederlands‑Indie strontjong, en bij de Indianen Winnetoetitochnie.

Tegenwoordig is het ongebreideld er op los schelden in Nederland, behalve een literaire traditie, een soort folkloristische attractie geworden. Men kan zich in de schouwburg op een nummertje Publikumsbeschimpfung laten tracteren, en sinds kort stiekem in z'n eentje smullen van de 'Scheldlijn', een succesvol 06-nummer. Als ik het draai krijg ik een dame te horen die veronderstelt dat ik haar minnaar ben, en mij wegens niet nader aangeduid wangedrag de mantel uitveegt. Een enkel citaat: 'Akelige ambtenaar! Of moet ik soms je vrouw bellen en 'r vertellen dat je het bij mij veel lekkerder vindt, gleufjesruiker. Vanaf nu bepaal ik wat er gebeurt, kwallebak. (..) Je hebt een kop als een steenpuist die op springen staat, door de verf gehaalde melkbus. Afgetrokken zakhaar!'

In A.M. de Jongs militaire roman 'Frank van Wezels roemruchte jaren' spreekt een Rotterdamse infanterist een verwensing uit die om twee redenen opmerkelijk is. Ten eerste is 'Krijg de overmaasse hazewindhondkorenmolenpestpokken' de langste mij bekende onheilswens in een woord. Ten tweede weerspiegelt zich hier, hoewel de infanterist toevoegt dat je een Rotterdammer moet zijn om de boodschap te kneizen, een bijzonder trekje van de Nederlandse schimpcultuur: de grote inzet waarmee wij elkaar de gemeenste kwalen toewensen.

Hoewel de meeste van deze ziektes ten onzent allang zijn uitgebannen, blijft deze manier van schelden in Nederland favoriet, schrijft de taalkundige W.H. Fletcher in het tijdschrift Maledicta. Nederlanders zijn meesters in de infective invective. Krijg de klere, de pest, de pokken, de kanker, de tering en de tyfus, plus de talloze samenstellingen waarin deze ziektes figureren, zijn volgens Fletcher typisch Nederlands, en hij verbaast zich over het gemak waarmee twee of meer van deze kwalen tot een verwensing worden aaneengeregen.

Op zichzelf is het elkaar toewensen van lichamelijk verderf niet origineel. 'Dertien apotheken zullen voor jou nog niet genoeg zijn,' zegt bijvoorbeeld een woedende Hongaar. Of: 'Je zult op je verjaardag ontploffen.' De uiteindelijke consequentie wordt ook in Nederland wel getrokken: 'Val dood', 'Stik (de moord)', maar het is toch in de eerste plaats de metamorfose die ons interesseert, het proces zelf.

Ons infectief schelden is overigens minder onbeheerst dan het lijkt. Als het al niet om verdwenen ziektes gaat, zal men zich wel hoeden om de spot te drijven met mensen die er werkelijk aan lijden. 'Vuurtoren' gaat nog net, 'brillejood' is al over de rand, en schimpwoorden met schele, manke, kreupele, bochel, bult worden nauwelijks meer vernomen.

Scheldwoorden zijn zelf ook een beetje als besmettelijke ziektes: hun aanvankelijke virulentie gaat na verloop van tijd verloren. Woorden die aanvankelijk opgeborrelden uit straat en goot worden op een gegeven moment door nette burgerlui overgenomen, een paar jaar later belanden ze in het woordenboek, en dan is voor degene die echt wil kwetsen de lol er af. Met het wegvallen van klassebarrieres verloopt dit stijgen van het scheld-cultuurgoed sneller dan vroeger. Tijdens hetzelfde proces gaat de oorspronkelijke betekenis vaak verloren. Wie weet nog wat een hondsvot, aterling of totebel beduidt?

Scheldwoorden uit de wereld van poep en pies worden bijna overal ter wereld gebruikt. De Amerikanen doen het, de Fransen en Spaanssprekenden zijn er gek op, maar de Duitsers zijn er het sterkst in. Zij kennen een eindeloze serie woorden met Scheisse, Dreck en Arsch. Slechts enkele daarvan hebben een Nederlands equivalent, zoals Arsch mit Ohren (waar wij het vriendelijker en beeldender 'blote billengezicht' gebruiken), en Leck mich am Arsch (bij ons het minder exacte 'Lik me reet').

Hoewel vooral de Amerikanen ook het genitale niet schuwen, lijken genoemde volkeren qua schelden nog grotendeels te verkeren in de fases die volgens Freud aan de genitale voorafgaan: de anale en de oedipale. In het Nederlands spelen dergelijke toespelingen een ondergeschikte rol. 'Nederlandse scheldgewoonten lijken zich volledig naar de genitale fase te hebben ontwikkeld,' schrijft de onderzoeker Frank Heynick in een artikel over Verbal agression in Dutch sleeptalking (Maledicta, vol. V, 1981). Dit houdt in dat Nederlanders qua schelden het niveau van een zesjarige hebben bereikt. Samenstellingen met 'poep' of 'schijt' trof Heynick in ons land hoofdzakelijk onder jonge kinderen aan.

Wars van de ass‑fixatie van de yanks en het Dreck‑complex der oosterburen, houden wij ons bij onze genitale leest. Op dat gebied hebben we een bescheiden virtuositeit opgebouwd ('gratekut', 'droplul'), maar uniek zijn we daarin niet. Ons 'kut met peren' blijkt zelfs een equivalent in het Servisch te hebben, maar dan met champignons of jus.

Door onze eenzijdig genitale scheldcultuur kennen wij weinig verwensingen als het Spaanse La puta de mierda que te pario! ('De stronthoer die jou op de wereld schopte') of het Amerikaanse 'You're a heap of fucking bullshit', waarin meerdere obsessies samenvloeien. Ook het religieuze motief is bij ons, een paar vloeken daargelaten, op sterven na dood. In het Nederlands dus geen Me cago en los cojones de tus muertos ('Ik schijt op de kloten van je doden'), waarin zelfs drie motieven worden verenigd.

Ook al hebben wij het volgens de Freudiaanse fasen-indeling redelijk ver geschopt - voor een aanpak die van geen enkele fixatie getuigt moet men toch elders zijn. 'Loop naar de duivel,' is volgens Franz Kiener (Das Wort als Waffe, Gottingen, 1983), het ergste dat men elkaar in Skandinavische landen naar het hoofd slingert. In Zweden roept men in opperste woede ook wel Dra at skogan! ('Loop het bos in') of Dra ata pepparn vaxer! ('Ga naar waar de peper groeit').

In de moerasdelta doen wij weinig aan het vervloeken van familieleden, maar waar de extended family nog bloeit, wordt deze uitbundig in verwensingen betrokken. Serviers en Macedoniers spreken nogal eens de hoop uit dat al je verwanten seksueel overweldigd mogen worden, tot je schoonmoeder toe, inclusief alle bewoners van je huis, hetzij dood of levend, en katten en honden meegerekend. In onze geurbaniseerde en geindividualiseerde samenleving zetten wij hoogstens 'je zuster op een houtvlot'.

Het opmerkelijkst is dat in Nederland de 'moedervloek' praktisch ontbreekt. In het Amerikaans en Spaans zijn son of a bitch, resp. hijo de puta opperste beledigingen, terwijl bij ons het 'hoerejong' hoofdzakelijk voortleeft als typografische uitdrukking.

De referentie aan het moederlijk geslachtsdeel - vaak eufemistisch ingekort tot een simpel 'Je moeder!' - wordt in tal van talen aangetroffen. In het Russisch is Job twoju matj ('Ik neuk je moeder') de nationale verwensing. De Amerikanen zoeken het meer in incestueuze richting. Naast het legendarische motherfucker hanteren zij gecompliceerde verwensingen als Your mother is like a railroad track ‑ laid all over of Your mother is like a fan - turn her on and she blows.

Spaanssprekenden zijn al niet minder geobsedeerd door de oedipale gedachte. Ik weet nog dat ik voor het eerst het Spaanse concha tu madre hoorde, en me verbaasde over de klaarblijkelijke kracht van die verwensing. De kut van je moeder - so what? Vreemder nog zou ik hebben opgekeken van uitdrukkingen als Me cago en la leche de tu madre ('Ik poep in de melk van je moeder').

In het Servisch worden niet alleen de voor de hand liggende lichaamsdelen van je moeder als object van seksuele vernedering opgevoerd, maar ook haar gezicht, hersenen, oor en neus. De meest barokke uitwerkingen van de moedervloek worden aangetroffen in culturen die een matriarchaat kennen, zoals bij de inwoners van het Zuidzee‑atol Ulithi. De antropoloog Cubberly noteerde daar een lange serie zeer precieze referenties aan het moederlijk geslachtsdeel: 'De tatouage van je moeders schaamstreek!' of 'Je moeders kleine schaamlippen!'

In Das Wort als Waffe constateert Kiener dat de moedervloek van alle 'seculiere' verwensingen het dichtst bij een godslastering komt. De moederfiguur is van groot belang voor de eigenwaarde van een kind. Vernedering daarvan is bijna het aantasten van iets sacraals.

De moedervloek komt dan ook veel voor in de Latijnse wereld, waar de moederfiguur een centrale rol speelt. In Noord-Amerika werd hij geintroduceerd vanuit de zwarte cultuur, waar de vader vaak niet meer is dan a ship that passes in the night. Veel jongemannen uit een armoedig zwart milieu moeten een bruuske overgang doormaken van hun jeugd in een matrifocaal gezin naar de bij uitstek masculiene sfeer van een street gang.

Volgens de New Yorkse psychiater Renatus Hartogs verbreidt de gewoonte zich nu snel over de blank-Amerikaanse middenklasse, en niet alleen om redenen van 'mode'. Hij wijst er op dat ook buiten de zwarte volksklasse de rol van de vader steeds marginaler is geworden. Heel wat jongens uit modale Amerikaanse gezinnen zien tegenwoordig een stoet van vaderfiguren voorbijtrekken, in de 'gelegaliseerde' vorm van serial monogamy, maar met hetzelfde soort conflicten tot gevolg als hun zwarte leeftijdgenoten doormaken. Staat de moedervloek ook in Nederland op doorbreken?

Even exotisch als concha tu madre kwam het Amerikaanse Fuck you! altijd op me over, vergezeld van het karakteristieke pokende gebaar met de middelvinger. Als welopgevoed Nederlander sta je vrijwel blanco tegenover zulke toespelingen op anale (homo)seksualiteit in een context van passiviteit en vernedering.

Scheldwoorden krijgen pas een kwetsende werking als zij een taboe doorbreken dat ook voor de ander een bijzondere waarde heeft. Reinhold Aman, de uitgever van Maledicta, het vakblad voor vloeken, schelden en vieze woorden, ondervindt grote moeilijkheden bij het vertalen van Amerikaanse scheldwoorden in het Duits. De vele genitaal gerichte Amerikaanse termen kunnen qua gevoelswaarde eigenlijk alleen vervangen worden door Duitse woorden met een poep‑karakter.

De cultuurafhankelijke betekenis van scheldwoorden uit zich ook in het feit dat ze onder intimi evengoed als koosnaampjes gebruikt kunnen worden. Een karakteristieke toepassing doet zich in de westerse wereld voor tussen mannen - vrienden, verwanten, collega's ‑ die van nabij met elkaar omgaan. In het direct uiten van sympathie voor seksegenoten zijn mannen ten onzent weinig bedreven; elkaar liefkozend jennen of uitschelden ('Hallo, ouwe rukker!') is een welkom alternatief.

Schelden komt in de beste kringen voor. Churchill duidde Hitler als een 'bloeddorstige voddenraper' en 'die smerige partijbons en slager'. Op haar manier nam ook Wilhelmina tegenover de mof geen blad voor de mond. In een van haar praatjes voor Radio Oranje riep ze uit: 'Wie op het juiste ogenblik handelt, slaat den Nazi op den kop!'

Jezus, wiens naam tegenwoordig zo vaak ijdel wordt gebruikt, schrok zelf ook niet terug voor een stevige verwensing. Zijn felste tegenstanders, de Farizeeen, maakte hij uit voor slangen en adderengebroed. 'Wee u, Schriftgeleerden en Farizeeen, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid,' vaart hij uit in Matth. 23:27. En zie: 'farizeeër' heeft de betekenis van 'huichelaar' aangenomen, en behouden tot in onze dagen.

Marx was een groot liefhebber van scheldwoorden en vuilbekkerij. Een toekomstige schoonzoon duidde hij aan als verdammter Schlingel, zijn klasgenoten op school als Bauernlümmel, een van Heine's boeken als een Drecklawine, en diens vriendin als een Saumensch. Hegelianen waren Exkrementenphilosophen, zijn mede-emigranten in Londen Emigrantenschweine, de joden lelijke kapitalistische uitbuiters en de Slavische volkeren 'etnisch uitvaagsel'.

Voor leden van de communistische partij had Marx korte maar krachtige aanduidingen in petto: ezels, beesten, schooiers, ossen en pummels waren zij. In de Sovjet-Unie handelden de communistische leiders, met name tijdens de grote zuiveringsprocessen tussen de wereldoorlogen, getrouw in Marx' geest. Een greep uit hun scheldrepertoire: dollardiplomaat, imbeciele oplichter, slijmerige rat, trotskistisch reptiel, verrotte vilder, mislukte speculant, wandelende gruwel, geile adder, gedegenereerde microbe.

In Nederland beijverde de CPN zich om 'renegaten' en andere tegenstanders met soortgelijke scheldkanonnades te bestoken. Dat werd allemaal gepubliceerd, hetgeen bij mij de indruk versterkte dat communisten een ander soort mensen waren. In feite praktizeerden zij een seculiere variant van de profetische vervloeking: in hun scheldpartijen toonden de communisten zich bij uitstek als gelovigen. Alleen misten zij de rituele diepgang van een religieuze vervloeking. Vergelijk bijvoorbeeld het Spaanse Cojones por ti, con Dios y con la Virgen! ('Kloten voor jou, met God en de Maagd') met 'Mislukte speculant!'

In woede geuite scheldwoorden zijn vaak kort, grof en weinig origineel. De spreker kookt als het ware over en geeft zich bloot in zijn hulpeloze toorn. In veel culturen komen ook scheldpartijen voor die niet met woede gepaard gaan, maar eerder een oefening in beheersing vormen. Onder street gangs van jonge zwarte Amerikanen is playing the dozens populair: een oratorisch duel waarbij de deelnemers moeten tonen, bestand te zijn tegen verbale kwetsuren, en ad rem te kunnen reageren, zonder geweld. Soms speelt het duel zich af op rijm. 'Zwarte jongeren, die op school niet mee komen en als "verbaal achtergebleven" worden beschouwd, tonen hier verbale artisticiteit en een hoogontwikkelde taalbeheersing,' aldus de onderzoeker Stephen Murray.

Playing the dozens wordt vaak uitgelegd als een oefening in overleven van een onderdrukte groep. Zwarte jongemannen in de grote steden moeten zich staande houden in een sterk vijandige buitenwereld, en kunnen een spitse geest en een scherpe tong goed gebruiken. De tegenwoordige rap wortelt in deze traditie. Ook andere Amerikaanse minderheidsgroepen, zoals homoseksuelen, kennen rituelen van wederzijdse beschimping. De grootste meesters komen volgens Murray voort uit de rijen van de doubly damned, zoals zwarte homoseksuelen.

Geritualiseerde verbale agressie wordt vaak aangetroffen in kleine, geisoleerde of zeer dichtbevolkte gemeenschappen, zoals onder Eskimo's of op eilanden in de Stille Oceaan. De antropoloog Eibl-Eibesfeld beschreef in 1970 de Hopi-indianen, een stam van zo'n zesduizend mensen in Arizona, die iedere fysieke agressie onderdrukken, maar 'met een tong, zo scherp als een giftige pijl een voortdurende guerrilla tegen elkaar voeren.'

De Bono in midden‑Ghana zijn zeer bedreven in wat de antropologen Warren en Brempong 'poetische beledigingen' noemden. Daarbij wordt vaak gerefereerd aan vruchten of gebruiksvoorwerpen, maar ook aan moderne verworvenheden: Wo kote kyeae se Mesedisi Bense gyia: 'Je pik is zo krom als de versnellingspook van een Mercedes-Benz.' Wo twe a ekye se honda braki: 'Je hebt evenveel frictie in je poesje als de rem van een Honda motorfiets.'

In The anatomy of swearing schetst Montagu zulke scheldrituelen als bij uitstek 'beschaafd': zij maken geweld immers overbodig. 'Als de huidige barbaarse confrontaties tussen personen en naties eens konden worden vervangen door het meer verfijnde arrangement van het scheldgevecht..,' droomt hij, en beveelt de Eskimo-methode aan: de kemphanen beschimpen elkaar in liedvorm, met muzikale begeleiding en publiek.

Helaas gaat de ontwikkeling in West-Europa de andere kant op. Vroeger waren scheldrituelen in Frankrijk bekend als chapelets d'injures, in Nederland als scheldfanfares. Tegenwoordig kennen wij alleen nog een meer individualistisch en gedistantieerd soort scheldritueel in de literatuur.

De antropoloog Masse beschreef in 1938 twee dorpen in Perzie, van elkaar gescheiden door een diepe rotsspleet. Van tijd tot tijd verzamelden alle bewoners zich aan beide kanten van het ravijn en begonnen elkaar de verschrikkelijkste scheldwoorden en beledigingen naar de kop te schreeuwen. Dit gebeurde zonder enige aanleiding of voorbereiding. Na verloop van tijd verzoende men zich weer, en ging over tot de orde van de dag.

Dit ritueel had kunnen zijn voorgeschreven door de Amerikaanse psycholoog George R. Bach. Als huwelijks- en relatietherapeut werkte hij aanvankelijk met encountergroepen, waar mensen op basis van formele instructies hun conflicten moesten uitwerken. In groep na groep rapporteerden de paren weliswaar minder conflict en meer overeenstemming, maar praktisch geen seksuele activiteit.

Bach besloot het over een andere boeg te gooien. Hij stapte over op een minder gereguleerde en meer spontane fight style. Een van zijn methoden, de 'Vesuvius', is een eenzijdige woedeuitbarsting, die de tegenpartij zonder enig commentaar over zich heen moet laten gaan.

Daarnaast ontwikkelde hij het 'Virginia Woolf-ritueel', waarbij twee mensen elkaar tegelijkertijd de huid vol schelden. Twee minuten lang dient men de ander 'op een luide agressieve toon een vloed van beledigingen toe te voegen,' en daarbij zo weinig mogelijk te luisteren naar wat de ander zegt, laat staan daar op te antwoorden.

Geheel in de stijl van de Perzische dorpsbewoners vindt Bach dat rituelen om agressie te uiten 'een even geintegreerd bestanddeel van het sociale leven zouden moeten zijn als vriendelijkheids‑rituelen.' Zijn opvatting sluit goed aan op de wijd aanvaarde stelling dat er verband bestaat tussen de mate van agressie en de mate van frustratie die iemand opkropt. Schelden, mits op de juiste wijze ingebed, is herontdekt als een prima coping mechanisme. Het past uitstekend in de therapeutische trend naar meer openheid, recht op de man af, in het aangaan van conflicten. Geritualiseerd schelden, vloeken en tieren is misschien het enige dat beklijft van alle modieuzigheidjes die psychologen in de jaren zestig en zeventig aan primitieve culturen ontleenden.

 

Terug naar overzicht met artikelen