DOMWEG MISTROOSTIG OP RANGIROA

 

[ Intermediair,  8 januari 1988 ]

 

'Morgen zal de zon over ons schijnen,' zegt de jonge zendeling. 'Wij zullen in onze blote bast aan dek zitten en droog en warm zijn.' Hij ziet bleek en ongeschoren, het is zichtbaar dat hij vannacht nergens onderdak vond. Regenvlagen striemen het achterdek van de St Xavier Maris Stella; het is koud.  Het handjevol passagiers achter de anti‑buiszeilen bestaat half om half uit Polynesiërs en wereldreizigers. De zendeling is een Zwitser, afkomstig uit het schrale hoogland van de Jura, en doet nogal denken aan het soort godsdienaren dat in cowboyfilms figureert. Hij was opgelucht Papeete te kunnen verlaten. Hoe zou iemand van die stad kunnen houden?  Nee, dan Tonga of Raratonga, waar de bevolking nog sterk traditioneel leeft en waar hij verwelkomd werd gelijk een vorst. In Papeete kreeg hij alleen maar te horen dat hij moest wachten. 'Maar geduld is erg duur op Tahiti,' zegt de zendeling.

          Zelf ben ik Papeete, hoofdstad van het eiland Tahiti en van de Franse kolonie in de Stille Zuidzee, ook ontvlucht. Het stadje gaat mank aan een fatale combinatie van saaiheid, absurde duurte en kitscherigheid. Zelfs Tahiti's originele rode geweven stof met witte bloemmotieven, alom aanwezig als gordijnen, handdoeken, beddespreien en uniformen, draagt het fiere opschrift: Imprimé en France.

          Het traditionele bloemetje achter het oor? Iedereen draagt het, dat is waar. De nieuwslezer op de tv, die het weerbericht voor Parijs en Bordeaux voorleest, maar met geen woord rept van de situatie op de meer afgelegen eilandengroepen van Frans-Polynesië. Staatsdienaren combineren het bloemetje moeiteloos met de opperste onbeschoftheid die in ontwikkelingslanden gebruikelijk is voor mensen met macht.

          Op de Boulevard Pomaré zag ik een mevrouw met een hele bloementooi in heur haar gevlochten op haar claxon timmeren, het gezicht van woede vertrokken, en naar een medeweggebruiker woorden roepend die ik gelukkig niet kon horen. Ik besloot uitkomst te zoeken in een langzame boot naar de Tuamotus, de meest uitgestrekte archipel van Frans-Polynesië. Na uren van zoeken en rondvragen aan de kades werd me de St Xavier Maris Stella gewezen, een kleine felrode coaster die als beurtschip het noordelijk deel van de Tuamotus bedient.

          Het schip lag zo goed als gereed voor vertrek, volgestouwd op de manier die alleen in de Derde Wereld bekend is. Ook de beide reddingboten waren tot de rand gevuld, met een lading satijnzacht toiletpapier voor een van de schaarse hotels op de Tuamotus. De gangboorden stonden tot berstens toe volgesjord met vaten benzine. Op een daarvan schreef de kapitein een passagebiljet naar het atol Rangiroa voor me uit.

          In de nacht passeert de St Xavier Maris Stella het eiland Makatea, in 1722 ontdekt door onze landgenoot Jacob Roggeveen. De inboorlingen die hij op het strand ontwaarde liet hij op passende wijze kennismaken met de westerse beschaving: hij loste wat salvo's op de bruine kerels en schoot er een stelletje dood. Het eiland van mijn bestemming, Rangiroa, was al in 1616 ontdekt door een andere Nederlandse zeevaarder: Willem Schouten. In het Musée de Tahiti et des Iles, even buiten Papeete gelegen, hangt een gravure uit zijn reisbeschrijving, waarop een ontmoeting met inboorlingen is afgebeeld op het Vligen Ynsel, zoals hij Rangiroa noemde.

          Deze koene verkenningen brachten niets blijvends voort; in de Polynesische volksverbeelding spelen Hollanders geen rol, en het omgekeerde is evenmin het geval. De enige voorstelling die ik in mijn brein opduikel is van Amerikaanse herkomst: de eilandbewoners die de familie Duck aantreft als zij zich naar de Pacific begeeft op zoek naar geheimzinnige schatten of verdwenen beschavingen. Het zijn vreemde, vormeloze mensen, met grote gezichten en onbestemde blik. Hun ogen zijn even expressief als de kooltjes waarmee een sneeuwpop de wereld in kijkt.

          Als jeugdig Ducklezer nam ik altijd aan dat dit mensensoort een vinding van de tekenaar was, om het absoluut-vreemde en totaal-verwegge aan te geven. Maar hier in Polynesië blijkt dat deze wandelende puddingen uit het leven gegrepen zijn.  Overal zie je ze in een soort Charlie Chaplin-pas rondwaggelen. De zendeling, die de Pacific langer kent dan vandaag, legt me uit dat ze hier nu eenmaal grove botten hebben. Het voedsel van de eilandbewoners is eentonig en zetmeelrijk. En op veel eilanden is het nog een teken van succes als je dik bent. Hij heeft de koning van Tonga eens gezien, die was zo dik dat hij niet tot lopen in staat was.

          De zendeling verwijst naar de vrouwen van Gauguin, dat waren ook allerminst frêle types. Hij vindt het een prestatie hoe de plaatselijke VVV dat beeld van het paradijselijke Tahiti met z'n betoverende Tahitiennes weet te cultiveren. 'Voor zover je mooie meisjes ziet, zijn ze van Polynesisch-Chinese afkomst,' zegt hij kil.

          Bij mijn ontwaken op de warme ijskast die ik tot m'n territoir heb uitgeroepen, verschijnt meteen de zendeling in beeld. Hij hangt ziek over de railing. 'Het is een goede ervaring,' hoest hij vol deemoed. 'Ik ben eerder op zee geweest. Iedereen was doodziek en ik lachte!' De capuchon van zijn anorak heeft hij zo ver mogelijk dichtgetrokken, zodat slechts een stuk ongelukkig besnorde snoet zichtbaar is.

          Een vriendelijke matroos wijst me op de eerste kleine uitstulping  aan de horizon, ternauwernood zichtbaar onder de grijze hemel. Daarna verschijnen er steeds meer. 'Tikehau,' zegt de matroos. De meeste atollen bestaan niet uit een eiland, maar uit een ring van motus, lang uitgerekte, merendeels onbewoonde eilandjes rond een grote lagune. Ze bieden stuk voor stuk een perfecte aanblik: schuimende branding, witte zandstreep, groene palmen, lucht.

          De matroos komt van Ahe, een verder weg gelegen atol met een paar honderd inwoners. Zoals de meeste van de Tuamotus is het schaars bedeeld met natuurlijke rijkdommen. Vruchten moeten worden geïmporteerd, de bodem is schraal en brengt niet veel meer dan kokospalmen voort. Kopra, gedroogde kokos, is dan ook de voornaamste lading die de St Xavier Maris Stella op de Tuamotus inneemt. Maar dit jaar is het aanbod veel te groot, de loodsen van de fabriek in Papeete liggen al helemaal vol. Tot overmaat van ramp heeft onder de pareloesters, het tweede belangrijke produkt, een ziekte toegeslagen. Japanse technici zijn te hulp geroepen om de beroemde zwarte parel te redden.

          Als straks de vakantie is afgelopen, vertelt de matroos, heeft elke passagier heel wat minder ruimte op het achterdek. De boot is dan berstens vol scholieren die terugkeren naar collège in Papeete. Ernstig vindt hij dat steeds minder jongelui na voltooiing van hun opleiding terugkeren naar de Tuamotus. Papeete, dat is het. Daar, in de plaatselijke metropole, groeit een werkloosheidsprobleem, terwijl de buitengewesten door vergrijzing en bevolkingsdaling bedreigd worden.

          De matroos: 'De meeste jonge mensen vinden de kokosteelt maar een karige bedoening. Veel van hen weten niet eens meer hoe je in een palm moet klimmen. Ik maak me daar zorgen over: ze kunnen zichzelf niet voeden als 't nodig is.'         

                                                        

'Wij Fransen kunnen niet dekoloniseren,' zegt het oudste van de twee Franse meisjes die ik als commensaal aantref bij Jean en Temarama Ami te Rangiroa. De meisjes hebben familie wonen in Papeete en zien ook niet veel paradijselijks in deze met onderontwikkeling en monocultuur geslagen kolonie, die economisch drijft op financiele injecties uit Frankrijk, in ruil voor het recht om dit gebied als nucleaire proeftuin te gebruiken.

          Toch denken zij: als erover gestemd zou worden, zou een meerderheid van de Polynesiërs zich voor blijvende Franse aanwezigheid uitspreken. Wat moet er anders van hen worden? Paris vaut bien a mess, dat is ongeveer de gedachte. De nucleaire risico's worden afgewenteld op de dun bevolkte, armelijke Tuamotus. Moruroa, waar de Franse bommen ontploffen, ligt in het zuiden van de archipel, meer dan duizend kilometer van Tahiti, waar ruim twee derde van de Frans-Polynesische bevolking geconcentreerd is.

          Voor de meesten van de 10.000 Tuamotu-bewoners geldt: weten zij van hun gezond. Hun aandacht richt zich op de materiele spulletjes uit het westen, nog niet op natuurbehoud en milieubewustzijn. Zoals in veel arme landen wordt dit treffend geïllustreerd door de onbekommerde manier waarop de bevolking zich te kanker rookt.

          Een week voor mijn aankomst in Papeete bracht ik een middagje door in de universiteitsbibliotheek van Auckland, Nieuw-Zeeland. De afdeling Frans-Polynesië telde vele honderden titels, waarvan de helft bestond uit antropologische en andere wetenschappelijke literatuur. Wat frappeerde was de andere helft: een eindeloze reeks liefdesverklaringen van schilders, schrijvers, journalisten en andere zonderlingen, afkomstig uit het westen, meestal neergestreken op de 'parel' van de archipel, Tahiti, om daar in innige aanraking met een authentieke cultuur in de zon te zitten. De reeks begint zo'n honderd jaar geleden, en wordt nog steeds aangevuld, zij het dat de aandacht nu uitgaat naar meer afgelegen eilanden. Op Tahiti zelf zijn de 'edele wilden' die de Franse schilder Gauguin er aantrof toen hij er in 1891 ging wonen, al lang op.

          De meeste van deze geboekstaafde lofzangen zijn in journaalvorm geschreven. 'Vandaag poseerde Ma-Iva voor het nieuwe schilderij dat ik heb opgezet. De boot kon niet landen vanwege de hoge golven, dus geen post. Weinig last van mijn lever gehad.' In ieder boek staat wel ergens het kiekje van 'De auteur met zijn inheemse vriendin voor zijn hut.' Een belangrijk thema is altijd de verkrachting van de oorspronkelijke cultuur door de blanke horden, tot de voorhoede waarvan (al denkt hij daar liever niet aan) ook de auteur behoort.

          Op Rangiroa lijkt die afkalving van de oorspronkelijke leefwijze zo goed als voltooid. Wat ooit het specifieke, het kleurrijke uitmaakte is verdwenen. Wat ervoor in de plaats kwam is een triest rommeltje. Rondklungelende mensen op verwaarloosde erven. Binnen hangt boven de tv de kalender van de Chinese winkel. Het bankstel en het jaren vijftig-wandmeubel. Christelijke prenten aan de muur; met een beetje geluk ook een worteldoek, stierenvechter of geweven voorstelling van de San Marco in Venetië.

          Zo voeg ik mij als zoveelste in het koor van elitair-romantische jammeraars.  Misschien houdt niet zozeer het verdwijnen van het oorspronkelijke me bezig; daar doe je toch niks tegen. Het is vooral het banale en tweedehands-achtige van de nieuwe aankleding, dat me beklemt. Net zo kun je het zien in Zuid-Amerika, in Indonesie of het Caribisch Gebied. Deze nieuwe culturele eenvormigheid is het, die voor mij het 'trieste der tropen' uitmaakt: een soort neokoloniaal 'Algemeen Menselijk Patroon', samengesteld uit onze afleggertjes.

Schuimkoppen rollen over de lagune zover het oog reikt. In de asgrauwe lucht wolkenbanken hoog opeengestapeld. Een soort harde föhn stuwt de golven tot vlak voor mijn deur en loeit dwars door het gevlochten rieten dak van mijn hutje. Opmerkingen over het ontregelend effect van warme winden verwees ik vroeger altijd naar het rijk der fabeltjes uit het Heil- en Kneipp-kabinet.

          Maar nu! 's Nachts lig ik met holle ogen en wapperend haar in het duister te staren, me afvragend of ik het nu warm of koud heb, of mijn hoofd open of juist dicht zit, en calculerend welk van de elementen er het eerst bij zal zijn om me uit mijn lijden te verlossen. Zou het water al tot het plankier staan? Komen tornado's alleen voor in het tornadoseizoen? Vragen, vragen.

          Rangiroa is het grootste atol van de Tuamotus, de lagune meet zo'n 75 bij 25 kilometer, maar de landstrook er omheen is niet meer dan een paar kilometer in doorsnee, en zo plat als een dubbeltje. Het kan nooit lang duren of de golven van de Grote Oceaan slaan er eenvoudig overheen.

          Afgezien van de grote hoeveelheid weer gebeurt er weinig dat de aandacht vraagt. Jean en Temarama Ami, die enkele huisjes op hun erf aan pensiongasten verhuren, zijn grote stille knechten, en lijken het niet erg op hun klanten van overzee voorzien te hebben. Temarama, een jaar of vijftig, behoort tot de vleesklompenclub. Het grootste deel van de dag zit ze glimlachend en zwijgend op het treetje naar de keuken, een uiterst traag opbrandende sigaret in de mond. Ze heeft altijd een bloem achter het oor, en is gekleed in rok en grote witte bustehouder.

          Twee maal daags komt ze in actie, zodat ik samen met de Franse meisjes een zoodje vis naar binnen kan slaan. Na een paar dagen hebben we alle drie ons hele leven opgedist. Vervolgens dulden we elkaar op de manier van een doorgewinterd echtpaar, met op de achtergrond de zwijgende Temarama als nurkse schoonmoeder. Ik vul de dagen met achterstallige lees- en schrijfbezigheden. Het enige uitje dat op de weersomstandigheden is toegesneden behelst een bezoek aan het nabijgelegen postkantoor, waar een zuster van Jean Ami al even ontoeschietelijk achter het loket zetelt. Op elk verzoek tot een post‑transactie reageert zij met nauw verholen afkeer. Tijdens het tochtje valt in de hoofdstraat van Avatoru, het grootste dorp van Rangiroa, geen mens te zien. De ware betekenis van 'Stille Zuidzee' begint terdege tot me door te dringen.

          Alsof het nog niet erg genoeg is, wordt me ook nog het sterke, omgekeerd evenredige verband gedemonstreerd tussen de mate van plezier die de reiziger heeft, en de energie die hij spendeert aan gedachten over thuis. Als fantomen duiken de gezichten mijner beminden voor me op. Ze denken in het gat van de Polynesische verveeldheid te kunnen springen. Kssssjt, weg jullie! Ik hou van jullie, maar nu opgesodemieterd naar huis. Ik schrijf wel.

          Hoewel - zal ik mijn geliefde geboortegrond nog wel weeromzien? Zal ik hier niet door lieden zonder tekst, zonder rieten rokjes, zonder muziek - of het moest uit zo'n gigantische draagbare wereldontvanger zijn - worden terneergelaten in het warme zand, aan vreemde kust verkommerd ten gevolge van somber weer op de verkeerde plek?

          O, wat kan ik verlangen naar deze zelfde regenvlagen en wolkenjachten, dezelfde tegen de wind optornende gestalten, maar dan geplaatst in het juiste decor: de kade van Zierikzee op de winterdag, het regenachtig Rokin bij avond zoals Breitner het schilderde, of zelfs de Badweg te Ameland, met het hotel-pension van het NS-weekendtripje. Heimwee naar de mompelgroet waarmee de gasten zich in de eetkamer aan tafel zetten  - wel heb ik ooit.

          Het tij gaat in, het tij gaat uit. Het proces is allerduidelijkst waarneembaar doordat eb en vloed zich met grote kracht en een onheilspellend geborrel door de passe persen, de geul tussen twee motus waaraan mijn hutje gelegen is. Meer naar binnen in de lagune ligt het gedroomde eilandje uit de cartoon, het palmenbosje zwiepend onder de windvlagen. Is een schipbreukeling op zo'n eilandje om te lachen, wanneer hij er behalve het mooiste meisje ter wereld niks dan regen en wind aantreft?

Vlak voordat de Fokker Friendship naar het zuidwesten afbuigt, zie ik beneden op de rede van Tiputa, Rangiroa's tweede dorp, een vertrouwde rode vorm dobberen. De St Xavier Maris Stella, het leukste deel van mijn Rangiroa-reisje, heeft bijna al zijn stukgoed afgeleverd. Zelfs de sloepen zijn weer gereed voor hun oorspronkelijk doel.

          In een Papeets hotel wacht ik de eerstkomende vlucht naar Los Angeles af. Bij het door hoge palmen omzoomde zwembad vlieg ik midden in een dutje overeind door een oorverdovende klap vlakbij: anderhalve meter van mijn hoofd is een kokosnoot geland. M'n schrik geldt vooral de schande van een einde, in overbodigheid slechts geevenaard door een val van het trapje bij het ramen zemen of sneuvelen in de Falkland Oorlog.

          De volgende ochtend, onderweg van Papeete naar het land van actie, dikke kranten en value for money. In de diepte schuiven nog eenmaal de Tuamotus voorbij. Grote stapelwolken drijven onder ons wanneer de piloot de lagune van Rangiroa meldt. Het is zondag daar, en ik huiver. Mijn speurtocht naar het echte Polynesië heeft me niets anders opgeleverd dan een visioen van het ultieme Franse platteland. De meest authentieke ervaring was in feite die kokosnoot: made in Tahiti, en liet zomaar spontaan los. Gratis ook. Ik tuur de lichtblauwe binnenzee af, een verbazende oppervlakte in verhouding tot de dunne landserpentine er omheen. Ik kijk uit naar een speeltje, een rood speelgoedbootje in het nat, maar de wolken willen niet wijken. Zij sluiten zich tot een dek aaneen.

           

 

Terug naar overzicht met artikelen