VIJFTIG JAAR VERDER, NIETS GELEERD

 

[ NRC Handelsblad, 3-3-93 ]

 

Zoals veel mensen nog precies weten waar en wanneer ze van de moord op Kennedy hoorden, zo staat mij het moment nog voor de geest waarop ik vernam dat de voorzitter van de Duitse Bondsdag, Jenninger, was afgetreden. De gebeurtenis was weliswaar minder aangrijpend dan Kennedy's dood, maar zeker even raadselachtig.

       Elf november 1988 was een dag met schitterend zomerweer. We hadden goed gegokt met ons besluit om in de herfst een wandeltocht te maken in subtropisch Cornwall. Tegen theetijd hadden we het badplaatsje Looe bereikt. Daar lag, op een tafeltje in een pub, zo'n Engels boulevardblad, met over de hele voorpagina de kop: DUITS PARLEMENTSVOORZITTER BLIJKT HITLER-ADEPT.

       Binnenin stond een selectie afgedrukt van de grofste pro-nazi uitspraken. Hitler was een geschenk uit de hemel geweest, zijn succes had de Duitsers eindelijk hoop gebracht. En wat de joden betrof, die hadden het er zelf naar gemaakt. Stomverbaasd keken we elkaar aan. Die Jenninger was dus een antisemiet van het zuiverste water, die in een soort politieke zelfmoordactie besloten had nog één keer het Sieg Heil te doen klinken.

       Vijf minuten later waren we nog wel verbaasd, maar ook wantrouwend. Dit was tè bizar. Hadden we hier soms te maken met een staaltje typisch Britse pulp-berichtgeving? De volgende dag, in Plymouth, kregen we andere kranten in handen, waaronder een Algemeen Dagblad van 11 november.

       We lazen nu dat een groot aantal afgevaardigden de Bondsdag had verlaten tijdens Jenningers rede bij de vijftigjarige herdenking van de Kristallnacht van 9 november 1938. Jenninger had citaten van hoge nazi's zonder commentaar aan elkaar geregen, schreef het AD. Hij had onder andere gezegd: 'In vroeger tijden waren de joden verantwoordelijk voor rampen en epidemieën, later voor economische nood en on-Duitse activiteiten.' De krant citeerde woedende commentaren van Duitse politici en van joodse leiders.

       We vervolgden onze tocht met het gevoel dat er iets niet klopte. Wat had Jenninger nu precies gezegd en bedoeld? En waarom lieten de kranten ons daarover in het ongewisse? Een overtuigend antwoord op die vragen wordt gegeven door Titus Ensink in zijn boek 'Jenninger: de ontvangst van een Duitse rede in Nederland'.

       Ensink is tekstwetenschapper. Verondersteld racisme en tekstwetenschap - die combinatie roept ogenblikkelijk de herinnering op aan professor Teun van Dijk, die zich beijverde aan te tonen dat Gerrit Komrij, plus ieder ander die wel eens een pen op papier zet, doortrokken is van racistische vooringenomenheid. Maar Ensink is er niet op uit gemakkelijke antwoorden op simpele vragen te geven. Gedetailleerd beschrijft hij hoe de Nederlandse dag- en weekbladen Jenningers woorden weergaven. Hij toetst deze weergave aan de integrale tekst van de rede.

       Voor de aflevering van het Algemeen Dagblad die we in Plymouth bemachtigden, levert dat een ontluisterend beeld op. Dat Jenninger citaten van hoge nazi's zonder commentaar aan elkaar zou hebben geregen, is evident onjuist. Sommige passages, zoals die over de rampen die de joden hadden aangericht, werden verdraaid geciteerd, zodat het leek of Jenninger zijn eigen mening gaf waar hij die van anderen parafraseerde. Het algemene kader van de rede - een historische reconstructie - werd nergens aangeduid.

       Het AD was geen uitzondering. Ensink toont aan dat bijna alle kranten op vergelijkbare wijze tekortschoten. Zijn belangrijkste onderzoekvraag is: hoe deze massale ontsporing te verklaren? Hoe zorgvuldig gaan onze media te werk als het er bij uitstek op aankomt: bij de berichtgeving over maatschappelijk 'kritische' kwesties?

*

'Wat nodig is ter beoordeling van het fascisme is door te dringen in de gevoels- en gedachtenwereld van het fascisme,' schreef Jacques de Kadt zes jaar na de Kristallnacht in zijn boek 'Het fascisme en de nieuwe vrijheid'. Maar wie het fascisme op deze manier probeert te bestrijden, wordt beschouwd als 'een verrader, die achterdeurtjes opent voor de fascistische vijand en die de goede antifascistische strijdgeest verzwakt'.

       We zijn vijftig jaar en een wereldoorlog verder, maar De Kadts analyse heeft nog niets aan actualiteit ingeboet. Wat hij hier beschreef is precies wat Jenninger met terugwerkende kracht probeerde te doen - de vraag stellen wat er zo aantrekkelijk was aan het nazidom - en wat er vervolgens met Jenninger gebeurde.

       Welke mechanismen bieden een verklaring? Ensink trekt de vergelijking met een domme toneelbezoeker die na de voorstelling de acteur die de 'boef' speelde op een aframmeling tracteert. Hiermee is nog maar een aanzet tot verklaring gegeven, want in het geval van Jenninger verdrong bij wijze van spreken het héle publiek zich bij de artiestenuitgang om de acteur mores te leren. Zijn de Duitse parlementsleden werkelijk allemaal even dom?

       Die vraag dringt zich des te sterker op wanneer je de duidelijke context leest waarin Jenninger zijn woorden plaatste. 'Niet  de slachtoffers, maar wij, in wier midden de misdaden gebeurden, moeten ons herinneren en rekenschap afleggen,' zei hij aan het begin van zijn rede. 'De slachtoffers, de joden overal ter wereld, weten maar al te goed wat november 1938 betekende voor de lijdensweg die hen wachtte. Weten wij het ook?'

       Tegen het slot legde hij het voor de allerdomsten nog eens uit: 'Ook voor de psyche van een volk geldt dat het verleden alleen kan worden verwerkt door de waarheid onder ogen te zien, hoe smartelijk dat ook is. Deze zelfbevrijding door de confrontatie aan te gaan met het afgrijselijke is minder kwellend dan het te verdringen.'

       De meest omstreden passage in Jenningers betoog ging over de joden: 'Hadden zij zich in het verleden niet een rol aangemeten die hen niet toekwam? Werd het niet eens tijd dat ze eindelijk beperkingen op de koop toe namen? Hadden zij het zelfs niet verdiend dat hen hun plaats werd gewezen?' Direct vóór en na deze serie retorische vragen maakte Jenninger ondubbelzinnig duidelijk dat hij hier een reconstructie gaf van de toen gevolgde gedachtengang en dat hij deze gedachtengang verafschuwde. Hij vervolgde: 'En als het dan echt te erg werd, zoals in november 1938, kon men altijd nog tegen zichzelf zeggen, zoals een tijdgenoot het uitdrukte: "Wat gaat het ons aan! Kijk de andere kant op als je het te gruwelijk vindt. Het is niet òns noodlot."

       Ook werd Jenninger kwalijk genomen dat hij Hitlers opmars naar de macht beschreef als 'fascinerend', in de zin van historisch uniek. Terecht stelt Ensink de vraag wat Jenninger dàn had moeten zeggen. Had mij moeten ontkennen dat Hitler succes heeft gehad? Hitler moeten afdoen als oninteressant?

       Jenninger zag zich gesteld voor een probleem van perspectiefkeuze. Als niet-joodse Duitser kon hij het perspectief van de slachtoffers niet tot het zijne maken, terwijl het perspectief van de daders (waarbij hij, als Duitser, wel betrokken is) eenvoudig onmogelijk was. Ensink concludeert: 'Het gewenste alternatief is veeleer deze dingen überhaupt niet ter sprake te brengen. Hitler is een taboe-onderwerp, vooral in de mond van een Duitser, en zeker in de mond van een vooraanstaande Duitser.'

*

Tijdens Jenningers rede verlieten zo'n vijftig parlementariërs de zaal. Meteen na afloop eisten de linkse partijen zijn ontslag; Jenningers eigen CDU sprak zijn afkeuring uit. Hij had de nazi-slachtoffers gekwetst, begrip gewekt voor de nazitijd en bewondering tot uiting gebracht voor Hitler, was de primaire reactie van de Duitse politici. Ensink laat zien hoe slaafs de media deze reactie overnamen - niet alleen als feit, maar ook juiste beoordeling van wat Jenninger gezegd had.

       Dat gold ook voor bijna alle Nederlandse landelijke dagbladen van 11 november. De Telegraaf sprak in een kop van 'Hitlerverering', Trouw dichtte Jenninger 'lovende woorden over Hitler' toe. Evenals NRC Handelsblad liet Trouw de duidelijke kaderstelling waarmee Jenninger zijn rede begon en afsloot, ongenoemd. De Waarheid meende dat Jenninger zijn 'lofrede op Hitler' uit het diepst van zijn antisemitische hart had afgestoken. De Volkskrant beweerde dat Jenninger Hitler vergoelijkte en begrip wekte voor diens daden in de jaren dertig. Beide beweringen waren pertinent onjuist; op andere punten was de berichtgeving in de Volkskrant volgens Ensink ongenuanceerd en tendentieus.

        Slechts één Nederlandse krant weigerde zich klakkeloos te conformeren aan de reacties in Duitsland. Het Parool bleek de hele rede te kennen, plaatste de omstreden passages in de juiste context, en stelde in een commentaar de vraag aan de orde waaraan Ensinks boek nu is gewijd: wat had zich in 's hemelsnaam afgespeeld in de hoofden van degenen die uit protest de Bondsdag verlieten?

       Diezelfde dag veroordeelden de joods liberale gemeente in Amsterdam, de Anne Frank Stichting en het CIDI Jenningers rede als een uiting van (latent) antisemitisme. Van de grote politieke partijen reageerde de PvdA het felst: Jenninger had zich zijn functie onwaardig getoond. Ook Van Kooten en De Bie waren er als de kippen bij om hem als een onverbeterlijke mof af te schilderen.

       De Nederlandse krantelezers konden van al deze standpunten uitgebreid kennis nemen. Wat hun lijfblad niet vermeldde, was dat er ook mensen waren die Jenninger verdedigden. En niet de minsten: Simon Wiesenthal, Helmut Kohl, invloedrijke intellectuelen als Haffner, Schoenbaum en Heym, en ook de vice-voorzitter van de Duitse Raad van Joden.

       Ook op dit punt toonde Het Parool zich de enige kwaliteitskrant, met een evenwichtig overzicht van de standpunten pro- en contra-Jenninger. De Parool-berichtgeving was afkomstig van de redactie buitenland. NRC, Volkskrant en AD beschikten over correspondenten ter plaatse, maar hun berichten waren 'minder juist en, het duidelijkst in Volkskrant en AD, ook tendentieus'.

       Ensink concludeert: 'Selectieve perceptie, en in enkele gevallen aan die perceptie gekoppelde morele verontwaardiging, speelde vrijwel alle journalisten c.q. redacties parten.' In een aantal gevallen werd dit eenzijdige beeld later aangevuld met andere interpretaties, meestal van de hand van externe medewerkers. 'Bij de redacties zelf,' schrijft Ensink, 'blijkt weinig geneigdheid te bestaan de eigen reactie te corrigeren.'

       Jenninger was al veroordeeld voordat hem ook maar een schijn van kans was gegund om zich te rechtvaardigen. Ook toen men zich ging realiseren dat Barbertje misschien wat al te snel gehangen was, bleef dat zonder gevolgen voor degenen die daarvoor verantwoordelijk waren. 'De persoon die de rede voordroeg werd veroordeeld,' constateert Ensink, 'en niet het mis-interpreterende publiek. De Bondsdagvoorzitter moest aftreden omdat hij het allemaal zo slecht had gezegd. Parlementariërs of journalisten niet; hun slechte luisteren of lezen blijft zonder gevolgen.'

*

      

Hoe kon het zo ver komen? Die vraag krijgt een extra zware lading als je je realiseert dat het hier niet ging om moeilijk verkrijgbare en verifieerbare feiten, zoals in een oorlog of zo. De rede was via tv uitgezonden en de tekst was voor ieder verkrijgbaar.

       Wie zich wil verzetten tegen iets dat hij gevaarlijk acht, loopt altijd het risico beoordelingsfouten te maken, stelt Ensink. Hij onderscheidt daarbij twee 'hoofdfouten':

1.    er is feitelijk gevaar, maar je onderkent dat niet, en je verzuimt er iets tegen te doen;

2.    er is geen gevaar, maar je denkt dat het er is, en je verzet je tegen iets dat niet bestaat.

       Tussen deze twee mogelijke fouten bestaat een omgekeerd evenredig verband: wie het risico op fout 1 wil vermijden, loopt automatisch meer risico om in fout 2 te vervallen - en andersom. Fout 1 vormde het thema van Jenningers rede: Duitsland in de jaren dertig. Fout 2 werd zichtbaar in de reacties op die rede zelf, hier en nu.

       Ensink zegt het niet met zoveel woorden, maar zijn boek is in feite gewijd aan een belangrijke overeenkomst tussen beide episodes. Hij dwingt de lezer om zelf de laatste conclusie te trekken: dat de processen die zich voltrokken in de hoofden van parlementariërs en journalisten anno 1988, op essentiële punten niet verschilden van wat zich vijftig jaar tevoren afspeelde in de hoofden van de Duitsers die zich achter Hitler schaarden.

       Het belangrijkste waarin verzetshelden zich van meelopers onderscheidden was hun eigenwijsheid, hun nonconformisme, het feit dat ze lak hadden aan wat de meerderheid deed. 'Vrij, onverveerd', zo wordt die mentaliteit nog steeds omschreven in het logo van Het Parool, de enige krant die tijdens de affaire-Jenninger naar dit devies wist te handelen. Alle andere dagbladen gaven in meerdere of mindere mate blijk van precies die mentaliteit die vijftig jaar geleden aan de verkeerde kant werd gevonden: een angstig conformisme.

       De affaire-Jenninger toonde aan dat ook het sympathiekste streven in onrecht kan ontaarden als het omkleed raakt met een vorm van kadaverdiscipline. Zeker wanneer ook de pers daarvoor zwicht en in plaats van vragen te stellen antwoorden gaat overschrijven.

*

In 1989 maakte Werner Hill een tv-documentaire over de affaire-Jenninger. Daarin interviewde hij ook de eerste parlementariër die de zaal verliet. Het was een Groenen-afgevaardigde, Jutta Oesterle-Schwerin, die al twee minuten nadat Jenninger met zijn speech was begonnen wegliep onder de kreet 'Das ist doch alles gelogen!'

       Dit incident werd het begin van een Druckwelle, zoals een Duitse journalist het omschreef: niet veel later volgden vijftig andere, hoofdzakelijk linkse Bondsdagleden het voorbeeld van Oesterle-Schwerin. In feite, bleek in Hills documentaire, was niemand hierover verbaasder dan zijzelf. Want haar optreden had niets te maken met Jenningers toespraak. Ze had het van te voren gepland als éénvrouwsactie tegen het CDU-beleid. Maar haar vertrek werd het begin van een uittocht van fatsoensrakkers, die opschrokken uit hun dommel en zoiets moeten hebben gedacht als: 'uitspraken over nazi's en joden + stront aan de knikker = wegwezen!' Ook binnen- en buitenlandse journalisten sloten zich massaal bij deze treurige polonaise aan.

       Niet te verwonderen dat Jenninger al na één dag aftrad, omdat hij, zoals hij in dezelfde documentaire zei, 'de druk niet kon verdragen.' Hij besefte volstrekt alleen te staan. Ensink beschrijft beeldend hoezeer dat meteen na zijn rede al letterlijk het geval was: 'Men loopt links en rechts van hem heen: Jenninger is het geïsoleerde centrum van bewegende mensen.'

       De man was besmet geraakt. Waarmee precies was niemand nog duidelijk, maar wel duidelijk was dit: wie hem niet zou mijden, zou delen in die besmetting. Op dat moment was er niemand, niet één van zijn politieke vrienden, noch van die honderden andere afgevaardigden, die op hem af durfde te stappen om hem te zeggen dat hij de boodschap, ondanks de misschien wat onhandige formulering, begrepen had en waardeerde.

       Ja: achteraf waren er zulke helden. Onder de tienduizend brieven die Jenninger ontving waren er ook van Duitse parlementariërs, die hem hun steun betuigden. Op blanco briefpapier, en handgeschreven, 'damit die Parteisekretärin nicht bemüht werden musste.'

 

Titus Ensink (m.m.v. Ali Oussaïd)

Jenninger: de ontvangst van een Duitse rede in Nederland

Perspectieven op taalgebruik 2

Thesis, Amsterdam, 1992

ISBN 90 5170 162 4

 

Terug naar overzicht met artikelen