VRIJZINNIGE MORAAL

 

[Zinweb e-zine, april 2008 ]

 

Vrijzinnigheid is een prachtig, oer-Hollands begrip. Nederland heeft op godsdienstig gebied een traditie van schisma's en scherpslijperij, maar de belangrijkste theologen die ons land heeft voortgebracht - mensen als Geert Grote, Erasmus, Spinoza en Arminius - propageerden een geloofsopvatting en vooral een geloofspraktijk die we achteraf zonder moeite als vrijzinnig kunnen betitelen.

          Geert Grote deed dat onder de vlag van de 'moderne devotie' - een treffende aanduiding, ook nu nog. Net als Erasmus en Spinoza was hij immers zijn tijd ver vooruit. Alle drie pleitten ze voor een christendom 'van de daad', waarbij het navolgen van rituele kerkelijke gebruiken veel minder belangrijk was dan het leiden van een eenvoudig en moreel hoogstaand leven.

          Hoe 'modern' dat was, bleek in de tweede helft van de twintigste eeuw, toen zich ook in de hoofdstroom van kerkelijk Nederland een snelle verschuiving voltrok van vorm naar inhoud. In de grote Nederlandse kerken hebben rituelen sterk aan belang ingeboet en rest als belangrijkste regel het adagium van Augustinus: Ama et fac quod vis. Heb lief en doe verder wat je wilt.

          Zelf ben ik ook vrijzinnig ingesteld. Ik ben niet religieus, maar heb altijd tegen mezelf gezegd: als ik nog eens een godsdienst zou willen uitzoeken, dan word ik remonstrants. De remonstrantse broederschap is een oud en eerbiedwaardig kerkgenootschap, stevig geworteld in onze christelijke traditie, maar tegelijk al sinds zijn ontstaan in de zeventiende eeuw supermodern.

          Remonstranten kennen geen vaste, voorgeschreven catechismus of geloofsbelijdenis; in plaats daarvan wordt iedere gelovige uitgenodigd zelf te formuleren wat het geloof voor hem betekent. Het godsbeeld van de remonstranten is vooral inhoudelijk, haast abstract, te noemen. Remonstranten bevinden zich, zou je kunnen zeggen, op het punt waar de kerkelijk-christelijke en de humanistische tradities elkaar raken.

          Ook zij passen daarmee naadloos in die altijd al 'moderne' onderstroom van pragmatische, op een goed leven gerichte geloofsideeën waar Nederland trots op kan zijn.

Ik tamboereer een beetje op dat begrip 'modern', omdat het me van toepassing lijkt op twee manieren. In de eerste plaats vanwege die nadruk op inhoudelijkheid - op het geloof als morele leidraad. Maar ook vanwege het feit dat de toenadering tussen kerkelijke en postkerkelijke ideeën, tussen metafysica en seculier humanisme, zo brandend actueel is.

          In dat opzicht is Nederland niet alleen bijzonder vanwege die humanistische onderstroom die al veel eeuwen zichtbaar is, maar ook vanwege de ontwikkelingen van vandaag. In West-Europa, en zeker in Nederland, is de laatste decennia een ontwikkeling gaande waarin het onderscheid tussen geloof en niet-geloof steeds minder duidelijk wordt, en ook steeds minder van belang.

          Tenminste - dat is wat ik beweer in mijn vorig jaar verschenen boek 'Tot hier heeft de Heer ons geholpen'. Ik betoog daarin dat de heftige pennestrijd die op het ogenblik wordt gevoerd tussen bevlogen atheïsten en propagandisten van de terugkeer van het geloof, verspilde moeite is. De discussie over de vraag of God wel of niet bestaat, en of we hem terug moeten toveren of moeten dansen op zijn graf, lijkt mij uitgemelkt en vruchteloos. Tegenwoordig maakt ieder voor zich wel uit wat God, religie, geloof, godsdienst of spiritualiteit voor hem inhoudt. Dat is het summum aan moderniteit en het summum van vrijzinnigheid.

          God en religie verdwijnen niet uit Nederland - de cijfers laten zien dat het aantal atheïsten nog altijd niet boven de vijftien procent uitkomt. Maar ze komen ook niet terug, want het is ook nog maar een minderheid die in de traditionele God van het christendom zegt te geloven, en dat percentage blijft gestaag verder dalen.

          Wat toeneemt, is een tussengroep die de metafysica niet helemaal vaarwel zegt, maar daarover hoogst individuele, vaag omschreven ideeën heeft, onder het motto 'Er moet toch íéts zijn.' Ronald Plasterk heeft deze groep voorzien van het etiket 'ietsisten', en deze ietsisten zijn hard op weg om de belangrijkste spirituele 'gezindte' in Nederland te worden. De schattingen van hun aantal lopen uiteen van eenderde tot tweederde van de bevolking.

          Als er íéts vrijzinnig is te noemen, dan is het wel het ietsisme. Het berust niet op een openbaring, kent geen organisatie, hiërarchie of leergezag, maar is hyperindividueel. 'Ietsisme' is een paraplubegrip voor een optelsom van persoonlijke voorstellingen: er 'is méér' tussen hemel en aarde, maar hoe dat meerdere er uitziet moet ieder zelf maar uitmaken.

          Niet dat dat in de praktijk zo makkelijk is. Dat blijkt wel uit de omschrijvingen die ervan worden gegeven. 'Ik weet dat er wat is,' zegt Arjan Ederveen. 'Wat het is dat weet ik niet, maar dat er wat is, dat weet ik.' Ook de definitie van Johan Cruijff biedt weinig houvast: 'Ik geloof niet, omdat ik dus niet gelovig ben, maar ik denk wel dat er iets anders is, maar daardoor geloof ik datgene wat ik dus denk dat er is.'

          Gemeenschappelijke noemer is een vaag omlijnd, intuïtief gevoel dat de natuur 'bezield' is, en dat de in ons huizende levenskracht van die bezieldheid blijvend deel uitmaakt. Het ietsisme is dus geen kerk - maar is het een godsdienst? Een religie? Mij lijkt het weinig vruchtbaar om ons daarover het hoofd te breken. De snelle verbreiding van het ietsisme laat zien dat de grens tussen wel en niet religieus steeds minder duidelijk wordt.

          Speelt God een rol in het ietsisme? Als je daarnaar vraagt, krijg je ook weer een hoop gehakkel te horen. Ietsisten zullen niet gauw zeggen dat God dood is, maar geloven ook niet dat we hem weer in vol ornaat op zijn wolk kunnen zetten. De God van Nederland en West-Europa is een ouwe soldaat, schreef ik in mijn boek - hij sterft niet, maar vervaagt.

West-Europa neemt met deze ontwikkeling een unieke plaats in. Overal ter wereld lijken godsdiensten zich immers te handhaven of aan belang te winnen. Ook in andere delen van het Westen, zoals Amerika. Alleen in West-Europa blijft de secularisatie doorzetten.

          Wat we daarvan moeten denken, is vooralsnog onduidelijk. Je kunt zeggen dat we een soort achtergebleven gebied zijn, dat zich blijft verzetten tegen de nieuwe religieuze trend. Maar evengoed is het mogelijk dat West-Europa een voorhoede vormt en dat hier processen gaande zijn die later elders in de wereld zullen worden nagevolgd. Het is dus in ieder geval van groot belang om de West-Europese ontwikkeling onder ogen te zien en te onderzoeken op haar consequenties.

          Nederland neemt daarbij helemaal een speciale plaats in. Door de verzuiling ging de meerderheid van de Nederlanders nog trouw ter kerke toen in de landen om ons heen de geloofsafval al in volle gang was. Maar midden jaren zestig braken de Nederlandse gelovigen los; ze gingen er in sneltreinvaart vandoor en gaven daarbij iedereen het nakijken. Tegenwoordig is bijna tweederde van de Nederlanders onkerkelijk - nergens anders verliep de ontkerkelijking zo snel.

          Als we de mogelijkheid onder ogen willen zien dat de secularisatie in de toekomst ook elders ter wereld zal doorzetten, dan is ons eigen land dus een ideaal studie-object. Het is heel goed mogelijk dat Nederland  - misschien wel het meest vrijzinnige land ter wereld - achteraf 'gidsland' zal blijken te zijn.

Wat mij zelf daarbij het meest interesseert, is de vraag wat deze ontwikkeling betekent voor onze ideeën en gedragingen op moreel gebied. Godsdienst en kerken vormden door de eeuwen heen immers het belangrijkste anker voor moraal. Het samenstel van voorschriften plus beloningen en straffen in het hiernamaals vormde een formidabel instrument om mensen op het rechte pad te houden.

          Vooral de laatste eeuwen heeft een reeks van theologen en filosofen de vraag gesteld wat er met onze moraal zou gebeuren als die bovennatuurlijke verankering wegvalt. 'Als God niet bestaat, is alles geoorloofd,' liet Dostojevski Iwan Karamazow al twee eeuwen geleden zeggen. En hij was niet de enige die zich ongerust maakte. Onder anderen Voltaire, Alexis de Tocqueville, David Hume en in een recenter verleden Leszek Kolakowski volgden hem daarin na.

          Of hun vrees terecht was, weet ik niet. Wel is het interessant om te bekijken hoe we de opkomst van het ietsisme vanuit deze gezichtshoek moeten beoordelen. Je kunt het ietsisme zien als een soort bekroning van de ontwikkeling naar vrijzinnigheid die Nederland door de eeuwen heen te zien heeft gegeven: een doorgaande ontwikkeling naar eigengereidheid en individuele zelfbeschikking.

          Maar ik heb het vrijzinnig christendom ook geschetst als een geloofsvariant die sterk de nadruk legt op de inhoudelijkheid van het geloof: we kunnen God het beste dienen door een goed leven te leiden hier en nu. In dat opzicht is de continuïteit tussen Geert Grote, Erasmus, Spinoza, Arminius en het hedendaagse ietsisme minder duidelijk. Juist op moreel gebied lijkt het ietsisme ons immers weinig te bieden te hebben.

          Voor een deel van de behoeften waarin de joods-christelijke God placht te voorzien, vormt het ietsisme een aantrekkelijk alternatief. Ietsisten kunnen psychologische bemoediging, wellicht ook zingeving en troost, putten uit hun gevoel van transcendentie.

          Maar vertroosting is maar één van de twee benen waarop het christendom loopt, en niet eens het belangrijkste. Niet vertroosting is de core-business van het christendom, maar vermaning. Het judeo-christendom is bij uitstek een morele leer: zonder gerechtigheid is al het andere van geen betekenis. Het judeo-christendom is een verhaal, een gróót verhaal.

It's getting better all the time

Getting so much better all the time!

Dat liedje van de Beatles zou heel goed als joods-christelijk loflied kunnen dienen. De geschiedenis heeft een begin en een einde - en aan het eind wacht ons een volmaakte wereld, een Nieuw Jeruzalem. En dat Nieuwe Jeruzalem krijgen we niet cadeau - we moeten er zelf hard aan werken. Het jodendom stelt dat de mensheid verantwoordelijk is voor het herstel van rechtvaardigheid en harmonie in de schepping - dat hoort bij het goddelijk plan. Het christendom nam dat over: de schepping, de menselijke geschiedenis, en dus ook ons eigen leven, is een groot en groots project - en dat project is een moreel project. Let's make things better is de reclameslogan van het christendom.

          In het ietsisme is van zo'n lineaire, teleologische opvatting van de schepping weinig te bespeuren. Geen grote verhalen meer, maar eerder een cyclisch tijdsbesef en wereldbeeld. Niet de mensheid of de schepping moet naar volmaaktheid groeien, maar het 'zelf' moet de weg terug vinden naar het goddelijk beginsel, waarmee een kringloop wordt voltooid.

          Het ietsisme is geen verhaal, laat staan een groot verhaal, maar vooral een gevoel, waarin morele pretenties geen belangrijke rol spelen. Het ietsistische hiernamaals kent geen beloningen of straffen in de vorm van hemel en hel. Ietsisten zijn individualisten in hun geloofsideeën, maar stemmen opvallend genoeg juist hierin overeen dat ze zich van ons voortbestaan in het hiernamaals een 'niet-individuele' voorstelling maken. Ze sluiten daarmee aan bij oosterse hiernamaalsbeelden: in het hiernamaals zijn geen individuele zielen meer, en waar geen individuen meer zijn, valt per definitie ook niks te straffen of te belonen.

De snelle opkomst van het ietsisme na een paar duizend jaar kerkelijk monotheïsme lijkt mij een gebeurtenis van moeilijk te overschatten belang. Ietsisten worden immers niet alleen buiten de kerkelijke hoofdstroom aangetroffen. Volgens het recente onderzoek God in Nederland is meer dan de helft van de katholieken en eenderde van de protestanten (PKN) ietsist. Ook binnen de grote kerken is de vrijzinnigheid nu zover voortgeschreden dat het vertrouwde samenstel van een persoonlijke God en een individueel voortbestaan in hemel en hel sterk aan geloofwaardigheid heeft ingeboet. En daarmee dus ook de sanctionerende werking die van dat samenstel placht uit te gaan.

          De overgang van kerkelijk monotheïsme naar ietsisme die we nu in West-Europa meemaken, bezegelt het einde van de periode van vele eeuwen waarin deze vaste geloofsbeelden de meerderheid van de bevolking een moreel anker boden. Het is niet toevallig dat de denkbeelden van dominee Klaas Hendrikse, die 'gelooft in een God die niet bestaat' binnen de kerken ernstig worden besproken.

          Hoe raar zo'n uitspraak ook mag klinken, ik denk dat hij iets verwoordt van de twijfels en ideeën die ook bij heel wat kerkleden op het ogenblik leven. Ook voor veel Nederlandse kerkelijke christenen is hun godsbeeld een kwestie van eigen invulling geworden. Dat is een ontwikkeling die niet van vandaag of gisteren dateert, maar die wel in onze tijd in een stroomversnellig is geraakt en die nu in het ietsisme een hoogtepunt bereikt.

          Een ietsistische variant als New Age is wel omschreven als een 'levensbeschouwelijk afkickproces' van het christendom. Het ietsisme is 'een religie in zijn laatste fase,' schrijft de originele reli-watcher Huub Mous. 'Een soort esthetische verwondering, een minimale restruimte die de progressie van de wetenschap nog overlaat voor alle onbestemde gevoelens.'

          Als die ontwikkeling zich voortzet, wordt het gezamenlijk beleven van christelijke geloofsideeën steeds meer een kwestie van 'oprecht veinzen', zoals Frans Kellendonk het heeft genoemd. Volgens Kellendonk is God een 'nuttige fictie' die de gelovigen met z'n allen in stand houden, omdat het zo goed uitkomt om er een krachtige morele basis op na te houden.

          Kellendonk was niet de eerste die met dit soort ideeën kwam. Ook Kant vond al dat religie allereerst ten dienste moet staan van de moraal. Als we voor een moreel goed leven religie nodig hebben, zei hij, laten we dan praktisch zijn en de wereld bezien alsof zij door God is geschapen. Voor het bestaan en functioneren van de moraal moeten we dan maar 'de idee God' als 'denknoodzakelijkheid' veronderstellen. In de negentiende eeuw liet John Stuart Mill zich in dezelfde geest uit: hij sprak van 'goedbedoelde hypocrisie'.

Ik denk dat Kant, Stuart Mill, Kellendonk en dominee Hendrikse gelijk heben en steeds meer gelijk zullen krijgen. En ik zie daarin een bevestiging van mijn veronderstelling dat het verschil tussen kerkelijk en onkerkelijk, tussen God en niet-God, steeds minder duidelijk en steeds minder relevant wordt.

          Zelf ben ik niet kerkelijk en niet gelovig, maar toch geloof ik dat onze normen en waarden krachtig geworteld zijn in de christelijke traditie en dat het daarom de moeite waard is die traditie te onderhouden.

          En ik ben niet de enige die daar zo over denkt. Volgens de onderzoekers van God in Nederland zijn de meeste Nederlanders tegenwoordig te beschouwen als 'cultuurchristenen': mensen die niet meer geloven in God de Vader, maar weigeren hem helemaal vaarwel te zeggen omdat hij voortleeft in moraal en ethiek. God is 'het verhaal van God' geworden - een verhaal waaraan cultuurchristenen zoveel waarde hechten dat ze het elkaar en hun kinderen blijven vertellen.

          Het verhaal dat cultuurchristenen elkaar vertellen is een mooi verhaal, en het is óns verhaal. Het is een verhaal waarin alle mensen gelijkwaardig zijn en waarin die mensen de opdracht hebben om er daadwerkelijk iets beters van te maken. Dat is een verhaal waarmee je nog eens voor de dag kunt komen in de wereld.

          Daarom vind ik het zo raar dat er tegenwoordig zo fanatiek wordt gekibbeld over de vraag of wij met ons afkalvend kerkelijk geloof wel stevig genoeg in onze schoenen staan om overeind te blijven tegenover strakke religieuze stelsels als de islam. Zelfs katholieke kerkvaders geven blijk van dat soort onzekerheid. Vorig jaar loofde kardinaal Simonis bijvoorbeeld de gemeenschapzin van islamieten: hij was eigenlijk jaloers op de vroomheid van de echte moslim, zei hij.

          Van die gezindheid begrijp ik weinig. Volgens mij is het eerder andersom en hebben islamieten reden om jaloers te zijn op óns. Zonder kerkelijke ruggensteuntjes, zonder de stok achter de deur van beloning of straf in het hiernamaals, slagen we erin om in het Westen een samenleving in stand te houden die tot de meest rechtvaardige behoort die ooit hebben bestaan en die vanuit de hele wereld mensen aantrekt.

          Dat lijkt mij een reden om trots te zijn in plaats van onzeker of jaloers. Klaarblijkelijk is de christelijke traditie ons voldoende tussen de oren gaan zitten om de daaruit voortgekomen normen en waarden te blijven beoefenen, ook nu we niet meer gelovig zijn, of ons geloof 'oprecht moeten veinzen'.

          Voorlopig lijkt de vrees van Dostojevski dat alles geoorloofd is als God niet bestaat, niet te worden bewaarheid. We hebben in een paar duizend jaar christelijk monotheïsme een ontwikkeling doorgemaakt van voortschrijdende individualisering en toenemende vrijzinnigheid. Ons godsbeeld heeft zich daarbij ontwikkeld van persoonlijk en streng naar abstract en lief. Ons hiernamaalsbeeld veranderde van individueel en 'moreel' naar collectief en 'amoreel'. Toch gaan wij niet aan de barbarij ten onder.

Ik denk dat je het christendom kunt zien als een langdurig leerproces, waarbij de nadruk steeds verder verschoof van strenge, van buiten opgelegde voorschriften naar verinnerlijking en gewetensvorming.

          Alle religies 'humaniseren' op den duur, stelt Karen Armstrong in haar boek De grote transformatie. Allemaal lopen zij uit op de erkenning van het eigen geweten. Metafysische waarheden en kerkelijke voorschriften maken op den duur plaats voor die ene regel, dat je moet proberen je naaste lief te hebben als jezelf.

          Of Armstrong gelijk heeft dat dit voor alle religies geldt, weet ik niet zeker, maar ik denk dat ze voor het christendom in ieder geval gelijk heeft, en dat dat gelijk hier en nu wordt aangetoond. In het Nederlandse en West-Europese christendom is die verschuiving van externe dwang naar het eigen geweten het verst gevorderd. Alleen in West-Europa hebben we te maken met een christelijk erfgoed van moreel universalisme en activisme, dat we nu waar maken zonder dat de Heer ons nog verder helpt. Daarmee profileren we ons met een eigen, eigentijdse morele cultuur, waarmee we misschien wel een pioniersrol spelen in de wereld. Kortweg zou je kunnen zeggen dat het christendom ons aanvankelijk een moreel geloof heeft gebracht, en ons uiteindelijk een geloof in moraal heeft opgeleverd.

          Sommige theologen zeggen dat God het vanaf het begin zo heeft bedoeld en dat het christendom zijn missie heeft voltooid door zichzelf overbodig te maken. Dat het kerkelijk christendom nu ineenschrompelt, spoort dan met Gods wil en bedoeling. Volgens deze gedachtegang was hij nooit anders van plan dan 'een eindje met ons mee te lopen'.

          En ik kan die gedachtegang, als ik me probeer te verplaatsen in hetgeen God met ons voorhad, ook aardig begrijpen. Ik denk dat God een gat in de lucht zou springen bij de gedachte dat er mensen en samenlevingen zijn die de goede dingen doen, niet omdat hij het zegt maar omdat ze daar zelf de waarde van inzien.

          De deugd beoefenen om zichzelf - dat is een ideaal dat door de eeuwen heen door denkers en filosofen uit de joods-christelijke traditie is vertolkt. Belangrijke bijdragen werden daarbij geleverd door vrijzinnige denkers als Spinoza, die betoogde dat goede daden pas waardevol worden als ze zonder enige baatzucht worden verricht. Wie zich alleen aan Gods geboden houdt uit angst voor de goddelijke straf, is volgens Spinoza een slaaf zonder dat hij het weet: 'De deugd is zijn eigen beloning.'

          In zijn boek Brieven aan mijn kleinzoon schrijft Abel Herzberg: 'De rechtvaardige, de "zaddik", gaat het slecht en de slechte mens, die zich aan God en gebod niets gelegen laat liggen, gaat het goed. Dat is in strijd met dat wat je beloofd is. (...) Totdat je langzamerhand begint te begrijpen dat het helemaal niet om de beloning gaat, maar dat het pas de moeite waard is om een zaddik te zijn als je daartegenover niets te verwachten hebt, niets van de mensen en niets van God, niets op deze wereld en niets in het hiernamaals.'

         

Misschien vindt u dat ik in dit praatje wel een erg roze bril heb opgezet bij mijn recensie van de hedendaagse westerse samenleving. En als u dat vindt, dan ben ik dat misschien ook wel met u eens. Nederland is naar verhouding een zeer rechtvaardige samenleving, maar is ook het toneel van doorgeslagen individualisering, hufterigheid, hardheid en onverschilligheid.

          Vrijzinnigheid is een levenshouding die we kunnen associëren met weldenkendheid, tolerantie, respect en vrijheidszin - zo heet het in de uitnodiging voor dit symposium. Maar vrijzinnigheid heeft natuurlijk ook grenzen nodig: totale vrijheid is gelijk aan barbarij.

          De afgelopen decennia hebben we in Nederland die grenzen niet altijd even goed bewaakt. Wat we voor onszelf graag verkochten als weldenkendheid, tolerantie etcetera kwam in de praktijk vaak neer op egocentrisme, onverschilligheid en afzijdigheid. Het is belangrijk om dat onder ogen te zien, maar op langere termijn zie ik er geen reden tot ongerustheid in.

          Maatschappelijke en sociaal-culturele veranderingen verlopen nooit in een mooie rechte lijn, maar gaan altijd gepaard met schommelingen, vertragingen en versnellingen, met schokken en tegenbewegingen. Ook daarvan vormde Nederland de afgelopen decennia een uniek schouwtoneel.

          In ons land is al eeuwenlang die geleidelijke ontwikkeling naar vrijzinnigheid te zien, die je ook kunt aanduiden met termen als individualisering, modernisering, democratisering en secularisering. Sinds de jaren zestig is die ontwikkeling in een stroomversnelling geraakt, waarbij we op een aantal gebieden zijn doorgeschoten: té veel vrijheid, iedereen moest zelf maar zien wat goed voor hem was, ikke ikke ikke en de rest kan stikken, en wee je gebeente als je de euvele moed had een ander de wet voor te schrijven.

          Het was een gezindheid die treffend werd uitgedrukt in de tophit uit de Postbank-commercial van 1996: 'Vijftien miljoen mensen/op dat hele kleine stukje aarde/die schrijf je niet de wetten voor/die laat je in hun waarde'.

          Intussen hebben we ingezien dat het geen goed plan is als we elkaar niet meer de wetten durven voor te schrijven. Als we dat niet meer doen, zijn het de zwaksten in de samenleving die het gelag betalen. Dan dreigt doorgeslagen vrijzinnigheid ons het tegendeel op te leveren van wat het christendom beoogde.

          En kijk wat er op het ogenblik gebeurt: om ons te herinneren aan die normen en waarden van het christendom, om ons te laten zien hoe je die normen en waarden ook alweer kan omzetten in beleid, om de sociale dwang uit te oefenen die daar onvermijdelijk bij hoort, hebben we nu tijdelijk niet de vrijzinnigen aan het roer gezet in den Haag, maar de rechtzinnigen.

          Een VU-kabinet moet ons nu helpen om onze vrijzinnige samenleving te verlossen van tijdelijke ontsporingen, en daarmee op termijn weer reden tot trots te geven. De steilste rechtzinnigen in het kabinet, de ChristenUnie, staan op dikke winst. Vele jaren lang bleven ze hangen op drie zetels: de natuurlijke aanhang van het vrijgemaakt-gereformeerde volksdeel waaruit de ChristenUnie traditioneel zijn aanhang putte. Nu hebben ze er zes en staan ze in de peilingen op negen.

          Achter die zes zetels winst verschuilen zich mensen die niet streng protestants zijn, die voor het grootste deel waarschijnlijk helemaal niet in God geloven en die misschien ietsistisch of vrijzinnig genoemd kunnen worden. Toch stemmen zij op die rechtzinnige partij, omdat ze waarde hechten aan het christelijk erfgoed en inzien dat het behoud daarvan niet als manna uit de hemel komt vallen.

          Zelf ben ik een van die mensen, ik stem al sinds begin jaren negentig op het Gereformeerd Politiek Verbond en daarna op de ChristenUnie. 'Maar hoe kun je dat doen?' vragen mijn linkse vriendjes. 'Jij gelóóft toch helemaal niet in Onze Lieve Heer?'

          En dan antwoord ik dat ik dat een hopeloos ouderwetse tegenwerping vind. Dat stemmen op de ChristenUnie misschien wel mijn manier is van 'oprecht veinzen'. En dat ik daarin dan in weinig tot niets verschil van een heleboel mensen die iedere zondag in de kerk zitten.

De een noemt het God, de ander goed gedrag - ik stel voor dat we onze tijd niet meer verdoen met gekissebis over het verschil tussen die twee. Laten we het liever hebben over de beste manieren om dat goede gedrag waar te maken en zo nodig bij elkaar af te dwingen. En laten we trots zijn op de christelijke traditie die ons daartoe in staat stelt... amen!

Terug naar overzicht met artikelen