WONEN IN NIEUW AMSTERDAM

 

[in: 'Het verlangen naar de stad, 25 jaar wonen in Amsterdam', 2002 ]

 

Het spannende van Amsterdam is dat het eigenlijk niet meer bestaat. Of, nauwkeuriger geformuleerd: steeds minder bestaat. Amsterdam is elke dag meer geschiedenis aan het worden. Een mooie geschiedenis, met helden als Johnny Jordaan, een en al Amsterdamse warmte en saamhorigheid, de vastberaden en daadkrachtige Jan Schaefer, en Johan Cruijff, het lefgozertje uit Betondorp dat de wereld aan zijn voeten kreeg en een sprekend voorbeeld is van de typisch Amsterdamse bravoure - buiten de stadsgrenzen ook wel waargenomen als arrogantie.

       Het Amsterdam dat hen heeft voortgebracht, met zijn rauwe humor, zijn eigenzinnige arbeidersklasse, zijn havens en industrie, bestaat niet meer; het is in het laatste kwart van de vorige eeuw vervlogen, opgegaan in de tijd. Wat is ervoor in de plaats gekomen?

       Eigenlijk is het verhaal van het veranderende Amsterdam het verhaal van het nieuwe Ajax. Het is de knusheid van stadion De Meer versus de grootsheid van de Arena. Het is de vanzelfsprekendheid van namen als Swart, Muller, Keizer en Pronk versus tongbrekers als Chivu, Trabelsi, Boukhari en Ibrahimovic. Het is overzichtelijkheid versus diversiteit.

       Wat bij Ajax de laatste kwarteeuw in een proces vol tegenslag en euforie zichtbaar werd, voltrok zich in Amsterdam terloopser, sluipender en minder beheerst. De toffe jongens à la Johnny Jordaan ontwikkelden zich tot zelfbewuste stadsbewoners die regelmatig verhuizen, contact met de buren wel op prijs stellen mits ze niet te dichtbij komen, en vooral hun eigen gang willen gaan. Bevlogen volksleiders à la Jan Schaefer verloren hun klassieke achterban, en hebben de grootst mogelijke moeite om greep te houden op de werkelijkheid. En de brutaaltjes à la Johan Cruijff zijn - op zoek naar het grote geld - al naar het buitenland vertrokken voordat ze goed en wel volwassen zijn.

       Ondertussen is Amsterdam steeds meer gaan lijken op het nieuwe Ajax: een gekleurd en zeer divers gezelschap van individuen, die veel moeten trainen om goed op elkaar te leren inspelen zodat, aldus de coach, 'de automatismen er weer inkomen.'

 

Samen voor ons eigen

Omdat het oude Amsterdam niet meer bestaat, moet Amsterdam opnieuw worden gemaakt. Eigenlijk is de stad daar al zo'n kwarteeuw mee bezig, zonder dat ze het zelf in de gaten heeft. Het begon eind jaren zestig, toen bestuurders dikke strepen over de stadsplattegrond trokken voor een metro naar Zuidoost, en voor een autoweg van de Wibautstraat tot aan het IJ.

        Communistische en socialistische bestuurders leefden nog in het tijdperk van de ultieme maakbaarheid. Zij zagen in bulldozers geschikte bondgenoten om het oude, overvolle Amsterdam te verbeteren: minder inwoners in nieuwe woonblokken ruime woningen en meer ruimte voor het verkeer, waarbij overtollige Amsterdammers vriendelijk werden doorverwezen naar Almere en Purmerend.

       Maar zij rekenden buiten de nieuwe tijd. Het volk pikte het niet en stelde een heel andere opknapbeurt voor: 'bouwen voor de buurt'. Nieuwe opstandigheid en traditionele behoudzucht sloten een monsterverbond, dat het Amsterdamse volkshuisvestingsbeleid lang in zijn greep hield. In de vernieuwde buurten was plaats voor oud en nieuw. Nieuw in de vorm van studenten en jongeren die plotseling voor vol werden aangezien, en bediend werden met HAT-eenheden. Oud in de vorm van traditionele (arbeiders)gezinnen, wier woningen werden aangepast aan de eisen van de tijd. Dat leverde een massale productie van knusse stedelijkheid op: kleine, praktische woningen die binnen de bestaande rooilijnen in degelijke blokken werden neergezet. Erg mooi was het niet, betaalbaar des te meer.

       Maar het was niet genoeg. Nergens in Nederland liep de individualisering zo hard van stapel als in Amsterdam. Met de rugwind van de jaren zestig kwam in hoog tempo een nieuwe, goed opgeleide middenklasse de stad binnen, die ging experimenteren met allerlei nieuwe leefvormen. Aanvankelijk in kamertjes en communes, maar vanaf de jaren zeventig in echte huizen. Zij nestelden zich in grachtenpanden, kochten woningen in de Pijp, de Jordaan en de Nieuwmarkt, en kraakten leegstaande fabriekspanden en kantoorgebouwen om en nabij het centrum.

       De experimenten uit de studentenkamertjes werden daar voortgezet in de vorm van scheidingen, samenwonen, langer alleenstaand blijven, eerder zelfstandig gaan wonen, minder kinderen, maar wel allemaal met een eigen kamer. Dat was iets anders dan rijtjeswonen! Aanvankelijk hadden de corporaties weinig mogelijkheden om daarop in te spelen. Hun aanpak was nog gestoeld op massaproductie van woningen voor grote homogene bevolkingsgroepen met een laag inkomen. Pas eind jaren tachtig begonnen zij - mede als gevolg van overheidsbeleid - uit een ander vaatje te tappen.

       Hetzelfde gold voor het gemeentebestuur. Terwijl de stad van kleur verschoot, verhuisbewegingen zich sneller voltrokken, en de oude sociale cohesie verdampte zonder dat daarvoor iets in de plaats kwam, volhardde de gemeente in een 'volkshuisvestingsbeleid' dat een Amsterdam op de been probeerde te houden dat steeds minder bestond. Met als gevolg dat veertig procent van de goedkope huurwoningen nu wordt bewoond door mensen waarvoor ze eigenlijk niet waren neergezet: mensen met teveel geld voor zo'n goedkope woning, die echter niet naar een 'passende' woning kunnen verhuizen omdat die woningen er niet zijn.

       Pas de laatste tien jaar begint de nieuwe veelvormige identiteit van Amsterdam ook door te dringen tot het officiële circuit, als een late echo van wat zich in de jaren zeventig al aankondigde. In de stadsvernieuwing heeft het eenzijdige 'bouwen voor de buurt' inmiddels plaatsgemaakt voor bouwen voor de individuele bewoner.

De nieuwe Amsterdammers die met hun eigenzinnige woonwensen de oude stad naar hun hand zetten, surfden binnen op de golven van grote economische veranderingen. Zij betrokken als bewoners de pakhuizen en havengebieden die er door de teloorgang van handel en industrie verlaten bij waren komen te liggen. Gretig namen zij bezit van de gaten die de overgang van een industriële naar een dienstverleningseconomie in de stad liet vallen.

       Die nieuwe dienstverlening streek neer in de ring rondom de stad, waar in de jaren negentig het beton niet aan te slepen was. Sindsdien is het eerste zicht vanuit de snelweg op Amsterdam een woud van hijskranen, waaronder kantoorcomplexen verschijnen van een hoogte en aanzien die eertijds ongekend waren.

       Die nieuwe vitaliteit bracht Amsterdam welvaart, die ook tot uiting kwam in de prijzen van koopwoningen. Toen de 'gekte' op de woningmarkt toesloeg, liep Amsterdam voorop: eind jaren negentig was een verdubbeling in een periode van een paar jaar geen uitzondering. Wie rijk is, kan zijn miljoenen in Amsterdam in steen omzetten. Minder vermogenden kunnen - met enig geduld - in de nog steeds omvangrijke sociale huursector een plek vinden. Maar wie daar tussenin zit, wie net komt kijken in Amsterdam, wie jong is en alleen daarom nog geen woongewicht in de schaal legt, die kan in Amsterdam weinig kanten op.

       Bij deze transformatie van oud- naar nieuw-Amsterdam kwam ook een nieuwe onderklasse tot ontwikkeling: immigranten, hoofdzakelijk afkomstig uit Marokko, Turkije en Suriname, en verder in toenemende mate uit alle landen waar oorlog en/of armoede het leven ondraaglijk maken. Zij streken neer in de woonwijken die de industriearbeiders achterlieten, en zochten daar houvast in een vreemde wereld door zich vast te bijten in hun moedercultuur. Met als gevolg dat hun hier opgegroeide kinderen niet alleen in twee verschillende werelden leven, maar zich bovendien in geen van beide echt thuis voelen.

 

Een nieuwe rafelrand?

De trend van een groepsgewijze naar een individuele benadering van het wonen was de afgelopen kwarteeuw zichtbaar op alle fronten: in de stadsvernieuwing, in architectuur en ontwerp, in de woningverdeling en in het inspraakcircuit. Maar het duidelijkst werd deze overgang verpersoonlijkt door de kraakbeweging. Krakers scharnierden lange tijd tussen het oude en het nieuwe Amsterdam. Zij waren de laatste dragers van het ideologisch erfgoed waarin 'de buurten' en 'de kaders' centraal stonden. Maar tegelijk ontsnapten zij aan de wetten van het distributiestelsel en evolueerden zij tot een beweging die 'samen voor ons eigen' opkwam. Voor de radikalinski's in de kraakbeweging waren aanvankelijk de 'grutters' - krakers die alleen uit waren op een woning en werk - de vleesgeworden duivel. Tegenwoordig zijn het de grutters die de toon zetten.

       Daarmee is de kloof tussen krakers en andere jonge Amsterdammers ook minder diep geworden. Amsterdam is een jongerenstad geworden, een stu­die- en uitgaansstad. En een jongerenstad is vanzelf ook een culturele vrij­plaats, een proeftuin en labo­ratorium. Het traditionele anarchisme van de oud-Amsterdammers heeft daarmee een nieuwe verpakking gekregen.

       Dat dwarse en subversieve heeft wel ruimte nodig. Amsterdam lijkt dat inmiddels te beseffen, getuige het nieuwe broedplaatsenbeleid van de gemeente. Zo'n beleid is nodig omdat nagenoeg alle 'spontaan' gegroeide vrijplaatsen zijn opgeslokt. Enerzijds is dat het gevolg van gemeentelijk beleid: gezien de beperkte ruimte die Amsterdam gegeven is, krijgt elke vierkante meter een 'bestemming', inclusief de rafelranden waar de culturele buitenbeentjes hun experimenten praktizeren. Anderzijds wil wat zich als interessante vernieuwing aandient, nogal eens als gevestigde orde eindigen. En zo hoort het ook. Wat Amsterdam aantrekkelijk maakt, is juist het gegeven dat hier de wet van de drie V's van toepassing is: eerst Verzetten, dan Veroveren en tenslotte Vestigen.

       Intussen heeft een 'gemeentelijk broedplaatsenbeleid' ook iets bizars. Het riekt naar wat Marcuse in de jaren zestig 'repressieve tolerantie' noemde. Of het zal werken, is dan ook de vraag. Subversie geef je niet de ruimte, die moet veroverd worden.

      

Het is niet uitgesloten dat de toekomst opnieuw alle gelegenheid zal bieden voor zulke veroveringen. Nu al kampt Amsterdam met een overaanbod van kantoorruimte, en het ziet er niet naar uit dat aan dit overschot spoedig een einde komt. Integendeel - de opkomst van ICT in een op kennis gebaseerde dienstverleningseconomie kan een ontwikkeling op gang brengen waarbij telewerken de toon zet en kantoren eerder ontmoetingscentra worden dan werkplekken. Deze al zo vaak aangekondigde omschakeling zou door de huidige economische tegenslag wel eens versneld kunnen worden. De druk op bedrijven om op hun overhead te besparen is in tijden van tegenspoed immers het grootst.

       Zoals de transformatie van een nationale industriële economie naar een internationale dienstverleningseconomie in de jaren zeventig en tachtig gaten liet vallen in het stadscentrum, zo kan de overgang van grootschalig kantoorwerk naar gedeconcentreerd telewerken lege plekken veroorzaken aan de ring rond Amsterdam. En de geschiedenis heeft geleerd dat je in een stad waar de ruimtedruk zo groot is, niet zomaar een paar jaar lang een bordje 'te huur' aan de gevel kunt hangen. Als de economische tegenspoed een tijdje aanhoudt, kunnen leegstaande kantoorgebouwen aan de ring een nieuwe 'rafelrand' gaan vormen. Dan zouden de literaire vertellingen van de jaren tien van de eenentwintigste eeuw wel eens de Arena-boulevard of zelfs de Zuidas als decor kunnen hebben, omdat daar - misschien wel in een geheel nieuwe multiculturele verpakking - de nieuwe 'Slag om de Blauwbrug' zal plaatsvinden.

 

Het boerderijmodel

De mogelijke omslag van kantoor- naar thuiswerk zal ook voor de bestaande en nieuw te bouwen woningen gevolgen hebben. Samengaan van wonen en werken zal de verdunning nog verder aanjagen. Kantoor aan huis betekent immers niet dat de kinderen hun kamers moeten opofferen omdat paps en mams aan de slag moeten, maar dat er behoefte ontstaat aan meer ruimte in of nabij de woning.

       Het is tamelijk onbegrijpelijk dat deze nieuwe behoefte in de recente uitbreidingslocaties van Amsterdam, zoals het oostelijk havengebied en IJburg, nog maar mondjesmaat tot leidraad van stedenbouwkundige plannen is genomen. Hier zijn de oude reflexen nog steeds niet verdwenen: weliswaar is massaproductie ingewisseld voor individualiserend bouwen, maar alles draait om het maken van woonruimte - werken moeten de Amsterdammers maar elders doen.

       Zo creëert de stad nu al haar stadsvernieuwingsprojecten van de toekomst, waarin stedelijke gebieden geherstructureerd zullen worden om ruimte te maken voor woonwerkplekken. Galerijen met kleine kantoorruimten, samengevoegde woningen die opgekocht worden door bedrijfjes, werk-woontorens - een slim architectenbureau gaat zich er nu al in specialiseren, want er ligt een immense markt te wachten.

       Een paar jaar geleden schetste de journaliste Pauline Terreehorst in een gelijknamig boekje de contouren van het toekomstig wonen als het 'boerderijmodel'. Nieuwe technologieën maken het mogelijk dat de geschiedenis terugkeert naar af: wonen, werken en zorgen vinden weer plaats onder één dak, net als in een ouderwetse boerenbedoening. Als deze trend doorzet, zou je kunnen zeggen dat niet langer de mentaliteit van de stad het platteland in trekt; de mentaliteit van het dorp zoekt nu - in het kielzog als het ware van de reiger en de vos - haar weg naar de stad.

       Maar de behoefte loopt harder dan de werkelijkheid. Het openbare erf van de grote stad heeft trekken van een niemandsland, voortdurend doorkruist door andere stadsdorpelingen en stedelijke nomaden die de rust verstoren en die een bron van ergernis kunnen zijn. Dorpse trekjes als vriendelijk zijn voor elkaar, oplettendheid en zorg voor de omgeving zijn daar juist verdwenen. Hier loopt - niet zelden in het hoofd van een en dezelfde persoon - de nieuwe boerderij-intimiteit stuk op de behoefte aan stedelijke anonimiteit.

      

De fysieke weerslag van die tegenstelling wordt aan de achterzijde van de woningen zichtbaar in een ware schuttingcultuur, terwijl aan de voorkant her en der stukjes openbare ruimte worden geconfisqueerd voor beplanting, bankjes en andere persoonlijke inkleuringen. Ambtenaren zien deze ontwikkeling vaak met lede ogen aan. In het oostelijk havengebied voerden zij een paar jaar geleden oorlog over het groen dat woonbootbewoners op hun steigers hadden gezet, omdat de plantjes volgens de regels een obstakel vormden voor ambulances. Van de openbare ruimte moeten bewoners afblijven - daar is de gemeente de baas.

       Toch is het de vraag of die oude verantwoordelijkheidsverdeling in de toekomst over de hele linie vol te houden zal zijn. Als de nieuwe stedelingen zich hun erven eigen willen maken, waarom zouden ze daar - mits het openbare karakter onaangetast blijft - dan ook niet de instrumenten, budgetten en verantwoordelijkheden voor kunnen krijgen? Elke volkshuisvester weet inmiddels te vertellen dat eigenwoningbezit mensen verantwoordelijker maakt - waarom zou een analoge redenering dan niet opgaan voor zorg voor de leefomgeving?

       Het onderscheid tussen wonen en openbare ruimte, dat tot diep in de organisatie van het gemeentelijk bestuur is doorgedrongen, zou daarmee wel eens zijn langste tijd gehad kunnen hebben. Wie weet met heel mooie gevolgen. Een leefomgeving die openbaar is maar ook tot de eigen verantwoordelijkheidssfeer van omwonenden behoort, is misschien in staat om midden in de stad inderdaad iets van dorpse vertrouwdheid te doen ontkiemen.

 

Nieuwe woningnood

Of het echt zover zal komen, hangt ook af van de mate waarin het stadsbestuur de teugels van het volkshuisvestingsbeleid in handen houdt. Waar het private wonen en het beheer van de directe leefomgeving elkaar raken, kan de gemeente die teugels best laten vieren. Laat de buurtruimte maar beheren door groepen burgers, verenigingen van eigenaren en dergelijke, en bied daarbij als gemeente de helpende hand.

       Maar op andere punten moet de gemeente de teugels juist strakker aantrekken. Dat geldt zeker voor de productie van nieuwe woningen, die de laatste twee jaar tot een dieptepunt is gedaald. Het probleem is, zoals uit meerdere bijdragen in deze bundel blijkt, urgent. Bouwt Amsterdam niet, dan daalt de bevolking doordat be­woners vertrekken naar gebie­den buiten de regio. Daarmee zou de stad ook welvaart en voorzieningen kwijtraken.

       Bovendien treft de nieuwe woningnood vooral middengroepen, de 'ruggengraat' van de civic society. Ook daarmee staat veel op het spel, want een stad vol werklozen, oudjes en consultants is niet levensvatbaar. Amsterdam heeft behoefte aan politie-, onderwijs- en zorgpersoneel - maar waar haalt het de huizen vandaan?

      

De stagnatie van de woningproductie vindt deels haar oorzaak in de verzelfstandiging van de woningcorporaties, die zich meer en meer hebben ontwikkeld tot commerciële vastgoedondernemers met het daarbij horende risicomijdende gedrag. Was de sociale woningproductie door overheidssubsidiëring in het verleden weinig gevoelig voor de grillen van de markt, tegenwoordig is ze daarvan afhankelijk. Zeker weten, zeker verdienen is veelal het motto geworden. Daarin onderscheiden - zoals op IJburg blijkt - de conglomeraties van corporaties zich nauwelijks meer van ouderwetse projectontwikkelaars.

       De lokale overheid kan daarbij niet eindeloos blijven toekijken. Als de markt niet in het gewenste tempo kan voorzien in de woningen die de stad nodig heeft, past het de overheid te corrigeren. Extra geld, minder omslachtig overleg en snellere procedures zijn dan maatregelen om het proces te bespoedigen. 'In geouwehoer kun je niet wonen' - Schaefers bekende dictum heeft nog niets aan actualiteit ingeboet. Als je ziet wie er allemaal bij het immense vergadercircuit rond IJburg betrokken zijn, kan het nauwelijks verbazen dat alles zo traag gaat. Overal ligt stroop op de weg.

       Nog belangrijker is dat er weer helderheid komt tussen gemeente en corporaties. Waar het gaat om het realiseren van de sociale taken, houden zij elkaar nu al jaren gevangen in gesteggel over hoge grondprijzen en 'onrendabele toppen'. De vaagheid regeert doordat er binnen corporaties geen scherpe afbakening meer bestaat tussen commerciële en 'sociale' taken. Pas als corporaties financieel transparante maatschappelijke instellingen zijn, met volstrekt heldere taken inzake vermogensvorming en solvabiliteit, weet de gemeente waar zij aan toe is en ligt gerichte financiële steun, bijvoorbeeld op het punt van de grondprijzen, voor de hand. Essentieel is dat gemeente en corporaties ophouden om elkaar heen te draaien, maar als belangrijkste dragers van het volkshuisvestingsbeleid van de hoofdstad weer in een bondgenootschappelijke betrekking tot elkaar komen te staan.

       Bij veel corporaties bestaat nog de goede wil om maatschappelijke doeleinden na te komen, maar de vraag is wel: hoe lang nog? De gestaalde kaders uit de tijd van de 'woningbouwvereniging' zijn verkast naar de polder of lopen op hun laatste benen. Turn-around managers, facilitators, portfolio-beheerders en investment supervisors lopen zich warm om de zaak over te nemen. Best, zo wordt eerder in dit boek betoogd, maar wees dan ook consequent, beëindig je sociale taak, betaal het maatschappelijk kapitaal terug en maak ook geen aanspraak meer op de voordelen van de 'sociale' status. Laat corporaties kiezen of ze winst willen maken om de winst, of om sociale taken op zich te nemen, en behandel ze als overheid dienovereenkomstig.

       Het zijn allemaal naweeën van de verzelfstandigingsoperatie van de jaren negentig. Je zou bij zo'n grootscheepse machtsoverdracht, zeker als het gaat om instanties die in toenemende mate op de commerciële toer gaan, ook een eenduidige toedeling van toezichthoudende verantwoordelijkheden verwachten. Wie controleert wat? Maar ook daarover is de laatste tien jaar een deken van mist komen te hangen. De gemeente controleert niet meer, officieel doet het rijk het, in feite is waarschijnlijk vooral sprake van 'zelfcontrole' door de corporaties.

       Een serie onderzoeken heeft intussen aangetoond dat van die zelfcontrole op een aantal punten weinig terechtkomt. Het mag in een stad als Amsterdam toch schrijnend worden genoemd dat misschien wel een kwart van de goedkope huurwoningen illegaal wordt onderverhuurd. Klaarblijkelijk beschouwen corporaties zich als onmachtig om daar iets tegen te doen. De gemeente heeft nu een soort vliegende brigade ingezet, het Zoeklicht-team, dat steeds een bepaalde buurt bij de kop neemt. Het is te vergelijken met de overvalteams die op de Amsterdamse tram en metro opereren om zwartrijders op te pakken. Wie echt wil zwartrijden, stapt dan gauw uit. Een conducteur op de tram werkt toch beter.

 

Morsen met ruimte

Dat Amsterdam aan ruimtenood lijdt, is eigenlijk vreemd. Er wonen nu ongeveer evenveel mensen in Amsterdam als vlak na de Tweede Wereldoorlog, terwijl het oppervlak van het stedelijk gebied is verdrievoudigd. Gemiddeld heeft iedere Amsterdammer dus steeds meer ruimte tot zijn beschikking. Ook speelt de 'gezinsverdunning' een rol: driekwart van alle Amster­damse huishou­dens zijn nu één- en tweepersoonshuishoudens. Veel daarvan zitten in een woning die vroeger een heel gezin herbergde.

       Maar de ruimtenood is ook een gevolg van de 'dunne', suburbane manier waarop er na de oorlog is gebouwd in wijken als Geuzenveld, Osdorp, Buitenveldert, Noord en Gaasperdam. Aanvankelijk gebeurde dat vanuit het beginsel dat de nieuwe arbeiderswijken ruim voorzien moesten zijn van licht en lucht. In later tijd was de redenering dat kapitaalkrachtige woningzoekenden zouden wegtrekken naar de vleespotten van subur­bia als er in de stad geen extensieve woonmilieus beschikbaar waren.

       Inmiddels is overduidelijk geworden dat hoogstedelijk wonen zeer wordt gewaardeerd. Als er maar goed en mooi wordt gebouwd, zoals in het oostelijk havengebied. De yuppen stonden in de rij en het duurde niet lang of een tweede mythe werd ontzenuwd: dat gezinnen uit de stad zouden wegtrekken als er kinderen komen. Ook op veel andere plekken in de stad wordt nu in hoge dichtheden gebouwd. En na de lessen van het oostelijk havengebied worden daar nu ook crèches en scholen gepland.

       Maar niet alle ruimteclaims kunnen binnen de bestaande stad worden gerealiseerd. Amsterdam moet niet alleen in, maar ook 'aan' de stad bouwen. IJburg is de laatste grote stadsuitbreiding binnen de gemeentegrens. Theoretisch beschikt de stad nog over ruimte aan de noordkant - een deel van Waterland hoort bij de gemeente Amsterdam - maar we denken er niet over om daar te gaan bouwen. Waterland is en blijft de 'mooie kamer' van de stad.

       Wel is expansie mogelijk aan de west- en zuidkant, maar daar liggen de obstakels van de luchthaven met zijn geluidszones en de haven met zijn industrie en infra­structuur. Toch liggen daar nog grote mogelijkheden. In een groot deel van het westelijk havengebied wordt gemorst met ruimte. Neem de Nissanvestiging aan de Westhaven, met zijn onafzienbare gelijkvloerse parkeerterrein. Als de gemeente zou meebetalen aan een gelaagde parkeerplaats, en de vrijkomende grond zou terugkopen, zou dat een nieuwe woningbouwlocatie opleveren ter grootte van de halve binnenstad.

 

Anything goes

De ontwikkeling van woonvoorkeuren en -mogelijkheden in Amsterdam leek de afgelopen kwarteeuw wel wat op de afwisseling van trends in de kledingmode. Eerst rijtjeswonen in een collectieve setting. Daarna een toenemende voorkeur voor individuele arrangementen. In de tussentijd opkomst en neergang van de kraakbeweging, die de jongerenhuisvesting op de agenda zette.

       Die opeenvolging van 'modetrends' kwam ook voort uit de sterke greep van de overheid op wat er gebouwd werd. Een ideologische omslag bij het stadsbestuur kon een heel nieuwe bouwfilosofie inluiden. Daarnaast waren de beperkte woonmogelijkheden van mensen van belang: zo gauw zich iets nieuws aandiende, werd dat massaal omarmd.

       In de eenentwintigste eeuw krijg je een situatie waarin al die trends niet na elkaar ontstaan, maar alle denkbare woonmodes tegelijk worden beoefend. Mensen hebben meer mogelijkheden gekregen om hun eigen leven vorm te geven, en eisen die mogelijkheden ook op. Meer nog dan het werken is het wonen het gebied geworden waarop men 'echt' iets van zichzelf kan laten zien. Dat geldt voor yuppen die chic willen wonen in zelf ontworpen waterwoningen, maar evengoed voor mensen die heel tevreden in een piepklein rijtjeshuis zitten. Sommige buurtjes in Noord verzetten zich met hand en tand tegen voornemens om die stinkeltjes te vervangen door ruime en luchtige woningen.

       Zo heb je ook mensen die niet weg te branden zijn uit woningen op plekken waar qua hinder eigenlijk niet gewoond mag worden. De afgelopen decennia is bewoning stelselmatig uit bedrijfsgebieden geweerd, maar er zijn Amsterdammers die het niet zo erg vinden om met hun snufferd op een industrie te zitten. De laatste tijd begint het stadsbestuur daar meer oog voor te krijgen. En er zijn goede redenen voor: de ruimtenood in de stad, maar ook het inzicht dat de 'ideale woon­wijk' zonder bedrijvigheid tot eento­nige en gelijkvormige milieus kan leiden.

       De hinderregels zijn bedoeld voor de door­snee Nederlander. Maar wie ontmoet er ooit een doorsnee Amsterdammer? In die grote stad heb je van alles, dus ook mensen die het bijvoorbeeld leuk vinden om in een huis te wonen dat maar aan één kant opengaande ramen heeft, of dat vlak naast een startbaan ligt. Mogelijkheden genoeg: in het westelijk havengebied, bij Schiphol of - wat nu al modieus wordt - bovenop de Zuidas.

       Wonen in Amsterdam zou de komende tijd een kwestie kunnen worden van anything goes: alles is mogelijk. Misschien is dat een volgende slag van het voortdraaiende rad van de individualisering: dat mensen bekwaam worden geacht zelf te beslissen welke beperkingen en welke risico's ze willen accepteren, zonder dat de overheid ze dat voorschrijft.

Wat overigens niet betekent dat alles vanzelf goed komt met de volkshuisvesting als de gemeente zich maar terugtrekt. Zowel in de woningbouw als in de relatie met sociale woningbeheerders is, zoals in dit boek op verschillende plaatsen is betoogd, een actieve en zelfbewuste overheidsrol essentieel. Ook na de verzelfstandiging van de corporaties is het de overheid die kaders stelt en die uitmaakt wat wel en niet acceptabel is. Dat is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan in een tijdperk waarin partijen nieuwe verhoudingen aangaan en nieuwe rollen zoeken. De afgelopen vijfentwintig jaar zijn traditionele overheidstaken op het gebied van de volkshuisvesting afgebouwd. Wat zijn precies de nieuwe taken? En zijn er ook taken afgestoten die toch beter door de overheid kunnen worden vervuld? Dat zijn actuele vragen in het spanningsveld dat is gegroeid tussen publiek en commercieel, tussen private en gemeentelijke verantwoordelijkheid, tussen zelfbeschikking en overheidsregie. Duidelijkheid scheppen in dat spanningsveld is een voorwaarde voor het oplossen van de grote knelpunten in de Amsterdamse volkshuisvesting: de achterblijvende woningbouw en de lange wachttijden voor betaalbare huurwoningen.

Terug naar overzicht met artikelen