AIDSBESTRIJDING: TABOES ONGEWENST

 

[Herman Vuijsje & Roel Coutinho, inleiding van bundel 'Dilemma's rondom Aids', Lisse, 1989 ]

 

Een epidemie van een ongeneeslijke ziekte vormt een zware aanslag op de interne solidariteit van een samenleving. De heersende waarden ten aanzien van de verhouding tussen individueel en collectief belang worden onbarmhartig blootgelegd en op de proef gesteld. 

In onze samenleving wordt grote waarde gehecht aan tolerantie, vrijheid, zelfbeschikking en een terughoudende opstelling van de overheid tegenover de privésfeer van de burger. We beschouwen deze waarden van de 'Verlichting' graag als absolute verworvenheden van onze beschaving.

Parallel hieraan zijn wij geneigd, waarden die hiervan afwijken te zien als taboes. Vrijheidsinperking, overheidsbemoeienis, opsporing en bestraffing van activiteiten die in de privésfeer liggen, roepen in onze cultuur afschuw en vrees op. Maar in de confrontatie met het natuurgeweld van een ongeneeslijke besmettelijke ziekte worden ook deze zekerheden op de proef gesteld. Onvermijdelijk gaan zij deel uitmaken van pijnlijke sociale dilemma's.    

In onze geseculariseerde en geïndividualiseerde verzorgingsstaat is de betekenis van 'schuld' sterk gerelativeerd. De overheid is steeds meer verantwoordelijkheden van het individu gaan overnemen; parallel hieraan is de morele component in de beoordeling van maatschappelijk gedrag gekrompen. In onze cultuur wordt het dan ook onbetamelijk geacht AIDS op enigerlei manier in verband te brengen met schuld. Maar mensen die de besmetting opliepen zonder dat ze dat hadden kunnen vermijden - zoals hemofiliepatiënten door bloedprodukten - zijn daarmee niet geholpen.

Nu worden zij net zo behandeld als mensen die, terwijl zij goed op de hoogte waren van de gevaren, besmet raakten via onbeschermd seksueel contact. Hemofiliepatiënten ontmoeten bijvoorbeeld grote problemen bij het afsluiten van verzekeringen. Is dit rechtvaardig tegenover hen?

Wat te doen wanneer een vrouw die aan AIDS lijdt zwanger wordt en geen abortus wenst, terwijl haar kind een aanzienlijke kans maakt, aan AIDS te zullen sterven? Hoe ver gaat het zelfbeschikkingsrecht van seropositieven en AIDS-patiënten die doorgaan met onbeschermde seksuele contacten?

Wettigt het belang van een goed inzicht in het verloop van de epidemie een breed opgezet testprogramma? Moet zo'n programma strijdig worden geacht met de grondwettelijke bepalingen inzake de erbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam? Als de epidemie zich uitbreidt en een geneesmiddel uitblijft, zullen zulke dilemma's zich sterker opdringen.

In al deze gevallen moet het vasthouden aan de in Nederland gekoesterde waarden van vrijheid, tolerantie, privacy en terughoudendheid worden afgewogen tegen de mogelijkheid dat hierdoor steeds meer nieuwe slachtoffers zullen ontstaan.

 

'Sexpolice' in de Verenigde Staten

In de Verenigde Staten is de discussie over het vrijheid/dwang dilemma al een aantal jaren gaande. Inzet vormden in eerste instantie de homosauna's en -badhuizen. Zowel in New York als in Los Angeles en San Francisco hebben de autoriteiten geprobeerd, vat op deze instellingen te krijgen, en er een aantal te sluiten - met weinig succes.

In San Francisco werden eind '84 veertien badhuizen en clubs op last van de overheid gesloten, nadat was geconstateerd dat 'het inbrengen van zaad in de rectale of mondholte' er werd 'toegestaan'. Ze mochten pas weer open nadat de dark rooms van hun deuren waren ontdaan en van vrolijke verlichting voorzien. Suppoosten traden aan om de naleving te controleren van het verbod op 'oro-anale, ano-genitale en oro-genitale seks'. De cliëntèle droop af naar hotelkamers, parken en clubs in aangrenzende gemeenten. 

Mensenrechten-organisaties protesteerden tegen deze 'Sexpol'-benadering met het argument dat compulsive anonymous sex seeking males zich toch niet laten dwingen. Rechters zwichtten voor deze argumentatie: na een tijdje werd de controle op deze 'drooglegging' verzacht.

Sindsdien worden de meeste van deze gelegenheden 'gedoogd'. Wel behield de politie in veel staten, waaronder Californië, de bevoegdheid om badhuizen te onderzoeken met behulp van undercover agents (een term die agenten met condooms in hun binnenzak zeldzaam adequaat omschrijft). Fluid patrol officers mengen zich onopvallend onder het publiek, speurend naar overtreders van het officiële verbod op het uitwisselen van lichaamssappen.

 

Afkalvende taboes: condooms en vieze woorden

Ook in andere landen zijn verschuivingen in waarden waarneembaar, het duidelijkst op moraaltheoretisch gebied. Zo heeft zich binnen enkele jaren praktisch overal waar een taboe bestond op condooms en condoomreclame een revolutie voltrokken. Overal ter wereld hebben zowel regeringen als kerken en andere instanties de bakens verzet.

Openhartige seksuele voorlichting op scholen komt in hoog tempo tot stand in landen waar puriteinse stromingen dit tot voor kort wisten tegen te houden. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld drong de federale overheid aan op verplichte sex education, die tot nu toe slechts in enkele staten bestond. 

Ook de groei van de openhartigheid in het aanduiden van seksuele activiteiten is in een stroomversnelling geraakt: woorden als '(kont)neuken', 'beffen' en 'pijpen' - onmisbaar geacht bij de voorlichting van een breed publiek - raken snel geëmancipeerd, en zijn al haast rijp om te verhuizen van het Bargoens Woordenboek naar de Van Dale.

Het einde van deze ontwikkeling is nog niet bereikt. Voorlichtingsmateriaal kan zich, wil het effectief zijn, niet beperken tot het aanduiden van wat níet meer mag. Ook wat wèl mag moet verduidelijkt worden, en wel zo aansprekend mogelijk. Zowel in de Verenigde Staten als in Nederland zijn al safe sex voorlichtingsfilms gemaakt met een pornografisch karakter.

 

Het benoemen van risicogroepen: van taboe naar realisme

Een verschuiving is ook zichtbaar in de manier waarop de belangenbehartigers van de eerste door AIDS getroffen groeperingen het probleem definiëren. De regeringen van Afrikaanse landen waren een tijdlang geneigd, hun AIDS-probleem af te doen als een discriminerend bedenksel van het Westen. Wanneer zij dit dilemma sneller in een realistische context hadden benaderd, had dit wellicht veel mensen van de eigen bevolking kunnen redden.

Een soortgelijke verschuiving is in Nederland zichtbaar in de opstelling van homo-organisaties. Aanvankelijk was een deel van de homowereld geneigd, het leggen van een verband tussen AIDS en homoseksualiteit af te doen als een stigmatiserende constructie van de buitenwereld.  

Hierbij kon de in Nederland gekoesterde waarde van de tolerantie als vaandel dienen. Achteraf kan aan de hand hiervan worden vastgesteld dat zulke waarden niet altijd het 'algemeen belang' dienen, maar soms worden aangevoerd met het oog op specifieke groepsbelangen die zelfs op gespannen voet kunnen staan met het algemeen belang.

Enkele jaren geleden was het in Nederland welhaast een taboe, te constateren dat de vroege en snelle verbreiding van AIDS onder homoseksuele mannen samenhing met de promiscuïteit die in delen van de homo-subcultuur gemeengoed was geworden. De vrolijke gay scene van de jaren zestig/zeventig kon - volgens een artikel van Nikki Meredith in Psychology Today van januari 1984 - vooral ontstaan doordat onder homo's niets het gelijkgezind najagen van de nieuwverworven vrijheid in de weg stond: geen risico van zwangerschap en geen damespraat over de dag van morgen. 

Meredith schetste de promiscue homo-subcultuur als de verwerkelijking van een wijd verbreide mannenfantasie. Dat van de hetero-mannen slechts een klein deel tot soortgelijk gedrag overging, komt niet doordat zij in dit opzicht zo van homo's verschillen, maar is eerder een kwestie van cherchez la femme.

Dat een dergelijke analyse niet als discriminatie van homoseksuelen kan worden afgedaan, wordt nog duidelijker wanneer men bedenkt dat onder lesbische vrouwen van een promiscue scene veel minder sprake is. Onder hen komt AIDS nauwelijks voor. Een in 1986 geïnterviewde Amerikaanse AIDS-patiënt zei hierover: "Wil je AIDS als een straf van God zien, dan zul je lesbische vrouwen moeten beschouwen als het Uitverkoren Volk."

 

Verslaafde AIDS-patiënten: overtuigen of dwingen?

Op het ogenblik doet het vrijheid/dwang dilemma zich het scherpst gelden in het beleid ten aanzien van intraveneuze druggebruikers. Het Nederlandse beleid gaat ervan uit dat ook zij op vrijwillige basis van gedrag zullen veranderen. In hun geval houdt dit in dat zij alleen nog schone spuiten en naalden gebruiken, geen gebruikte spullen meer uitlenen, en in hun seksuele contacten - zowel privé als in de prostitutie - condooms gebruiken.

Voor homoseksuele mannen heeft zo'n op vrijwilligheid gebaseerd preventiebeleid goed gewerkt. Alles wijst erop dat bij deze groep in de loop van enkele jaren een ingrijpende gedragsverandering heeft plaatsgevonden. Hoewel er aanwijzingen zijn dat ook bij druggebruikers gedragsveranderingen optreden onder invloed van AIDS, is het bepaald niet zeker dat deze voldoende zullen zijn om de verbreiding van de epidemie onder hen sterk af te remmen. 

Het gaat immers om verslaafden, die in hun roes soms niet meer weten waar ze mee bezig zijn. Onder hen zijn relatief veel psychisch gestoorde mensen, van wie een vrijwillige gedragsverandering nauwelijks te verwachten valt. Bovendien wordt van druggebruikers een dubbele gedragsverandering gevraagd: zowel in hun spuitgedrag als in hun seksueel gedrag.

Welke opstelling moet worden gekozen tegenover een verslaafde prostituée die weet dat ze seropositief is of aan AIDS lijdt, en toch op straat staat? Moet in haar geval gedragsverandering worden nagestreefd door kracht van argumenten, of moet er dwang aan te pas komen? Zijn de bezwaren tegen deze laatste aanpak reëel, of berusten zij op drog-argumenten, naar voren gebracht omdat dwang een taboe is geworden in onze samenleving? Hoe sterk wordt de standpuntbepaling van beleidsmakers gekleurd door de angst, beschuldigd te worden van stigmatisering en uitstoting van risicogroepen?

 

Gewenst: een open discussie

Bij de aanpak van een epidemie met een zo ernstig karakter als AIDS moet elke benadering nuchter overwogen kunnen worden. Steeds moeten alle mogelijke voor- en nadelen zonder vooringenomenheid op een rij kunnen worden gezet: de te verwachten effectiviteit, de schade die kan worden toegebracht aan de normen en waarden die wij in onze maatschappij hoog willen houden, maar ook de schade aan mensenlevens die kan optreden wanneer een bepaalde maatregel achterwege blijft. De discussie over de aanpak van AIDS is er een over dilemma's. De voors en tegens van beleidskeuzes - zowel in de persoonlijke als in de openbare sfeer - liggen nog verre van vast. In een dergelijk pril stadium mogen gedachtenwisseling en besluitvorming niet omgeven zijn door taboes, van welke aard dan ook. Dat is de gedachte die bij het samenstellen van deze bundel voorop heeft gestaan.

Terug naar overzicht met artikelen