EEN BIJZONDER LAND, EN DAT IS HET
Inleiding bij 'Beeldenstormers en bruggenbouwers, canon van de Nederlandse religiegeschiedenis', Zoetermeer, 2008

 

[2008]

 

'Resultaten in het verleden behaald, bieden geen garantie voor de toekomst' - met die woorden eindigt deze relicanon van Nederland. Het is een constatering die niet alleen in haar algemeenheid opgaat, maar inderdaad wel heel in het bijzonder voor ons. Ondanks onze reputatie van een nuchtere natie, waar alles verloopt in kalm beraad en langs lijnen van geleidelijkheid, is er waarschijnlijk geen land ter wereld dat een zo bonte en heftige religeschiedenis heeft gekend als het onze.

          Nederland was achtereenvolgens een katholiek gebied (tot aan de reformatie), een protestantse republiek (tot aan de Franse Tijd) en opnieuw overwegend katholiek (tussen 1815 en 1830, toen we samengingen met België). Het bleef tot in de jaren zestig van de afgelopen eeuw een van de meest religieuze naties van Europa, om daarna in recordtijd te veranderen in een van de meest geseculariseerde landen ter wereld. En passant herbergde Nederland in zijn onderhorigheid Nederlands-Indië ook nog een paar eeuwen lang de grootste islamitische bevolking ter wereld.

          Nederland was tijdens de Republiek voor Rome een missiegebied, waar het katholieke geloof - achter gesloten deuren - bediend werd door buitenlandse priesters. In de eerste helft van de vorige eeuw was de Nederlandse kerkprovincie roomser dan de paus, en een van de grootste leveranciers van missionarissen. In onze tijd zijn we opnieuw missiegebied. In het bisdom Haarlem is al bijna een kwart van de pastoors van buitenlandse afkomst.

*

Een bijzonder land dus, en dat is het, op religebied. Maar kunnen we die constatering ook handen en voeten geven? Een canon beoogt meer dan een opsomming van droge feiten. Er zit iets pretentieus in: het gaat om zaken en mensen die richtinggevend en beslissend zijn geweest. Daarom hoort bij zo'n canon ook vaak een lijstje, of een verkiezing, van de grootste en belangrijkste figuren op het betreffende gebied.

          Wie zouden daarvoor in onze canon in aanmerking komen? Welke Nederlandse theologen hebben grote en blijvende invloed gehad? Ik kijk daarbij naar kandidaten die ook buiten onze grenzen lieten zien waarin een klein land groot kan zijn. Wel moeten het kandidaten van eigen bodem zijn. Dus niet Sint Servatius, die in Maastricht de eerste christelijke kerk in Nederland liet bouwen: dat was een Armeniër. Ook de Britten Willibrord en Bonifacius mogen niet meedoen, evenmin als Sinterklaas, door Nederland geadopteerd maar Turk van geboorte.

          Wie hebben we van eigen bodem? Geert Grote natuurlijk, de veertiende-eeuwse grondlegger van de moderne devotie. Kanshebber is ook Adriaen Florisz. Boeyens, die in 1522 voor één jaar paus Adrianus VI was: de enige niet-Italiaanse paus tot de Poolse Johannes Paulus II. Uiteraard zijn tijdgenoot Erasmus, grondlegger van het bijbels humanisme. En een andere tijdgenoot, Menno Simons, die zijn naam gaf aan de hoofdstroming van de doopsgezinden. Grote kanshebber voor de eerste plaats is Spinoza, voorman van de 'radicale verlichting' in de zeventiende eeuw.

          Spinoza was lenzenslijper van zijn vak, maar in religieuze zaken uiteindelijk geen scherpslijper. Hij geloofde in een God van de rede en werd beschuldigd van 'ongodisterey', maar weigerde zich atheïst te noemen. Godsdienst was belangrijk, maar dan vooral als inspiratiebron voor een ethisch verantwoord leven. Ook Erasmus had geen zin om zich in een hokje te laten stoppen. Hij was priester én humanist. Weigerde bisschop te worden, maar ging ook niet mee met de reformatie.

          Geert Grote was al even nuchter en praktisch ingesteld. Hij kwam op voor een nederig en eenvoudig gemeenschapsleven en hechtte veel waarde aan onderwijs en opvoeding, deed aan vrouwenemancipatie en bevorderde de popularisering van kennis in de volkstaal. Ook Adrianus VI onderscheidde zich door Hollandse eigenschappen als eenvoud en redelijk overleg. Van uitgebreide banketten moest hij niets hebben, hij at liever een haring. De beginnende reformatie probeerde hij in te dammen door hervormingen binnen de kerk, maar de Romeinse Curie zette hem de voet dwars. De 'Hollandse paus' was zijn tijd vier eeuwen vooruit: pas in de twintigste eeuw was het Vaticaan rijp voor verandering.

          De geschiedenis van godsdienst en kerk in Nederland wordt vaak in verband gebracht met schisma's, afsplitsingen en gekissebis over zaken die ons achteraf onbegrijpelijk voorkomen. Wie kent nog de fijne kneepjes van de predestinatie, belangrijkste splijtzwam tijdens de Dordtse Synode? Wie weet nog wat 'artikel 31' inhoudt, de bepaling die in 1944 door de vrijgemaakt-gereformeerden werd ingeroepen om hun afsplitsing te rechtvaardigen?

          Maar als we deze relicanon bekijken, blijkt dat ook niet nodig. De belangrijkste bijdragen werden juist geleverd door pragmatisch ingestelde theologen, die al vroeg een inderdaad 'moderne' devotie propageerden. Geert Grote, Erasmus en Spinoza legden de fundering voor een doorgaande humanistische onderstroom in de Nederlandse kerken én voor het huidige humanisme. Zij deden aan democratisering en benadrukten dat het christelijk geloof vooral aanzet tot een moreel hoogstaand leven.

          Daarmee waren ze hun tijd ver vooruit. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw ligt in de grote Nederlandse kerken de nadruk op de inhoudelijke betekenis van het geloof als leidraad voor persoonlijk handelen. Als belangrijkste regel rest het adagium van Augustinus: Ama et fac quod vis. Heb lief en doe verder wat je wilt. Deze vrijzinnige ontwikkeling is in Nederland verder gevorderd dan in andere landen, maar het is heel goed mogelijk dat Nederland daarin achteraf 'gidsland' zal blijken te zijn.

*

De rijke, veelzijdige en afwisselende godsdienstgeschiedenis van Nederland is het product van een cultuur waarin gewetensvrijheid al vroeg hoog stond aangeschreven. Ook dat is een algemeen aanvaard beeld, dat niet onjuist is maar waarbij op grond van deze canon wel kanttekeningen kunnen worden gezet. Kettervervolgingen hebben in de zestiende eeuw ruim duizend mensen het leven gekost. Tijdens de Republiek konden katholieken en joden weliswaar in stilte hun geloof uitoefenen, maar werden ze feitelijk ook gediscrimineerd. Tot diep in de twintigste eeuw werden katholieken door orthodoxe protestanten van 'ultramontanisme' verdacht: hun loyaliteit zou in de eerste plaats uitgaan naar de autoriteiten ultra montes, 'over de bergen': de paus van Rome.

          In onze tijd worden soortgelijke geluiden wel gehoord met betrekking tot islamitische landgenoten. Wat volgens sommigen des te verontrustender is, gezien hun verwachting dat Nederland in de toekomst opnieuw van religieuze kleur zal verschieten en een overwegend islamitisch land zal worden. De opkomst van de islamitische bevolkingsgroep maakt vragen naar de plaats van godsdienst in het publieke domein opnieuw actueel. Is Nederland een 'christelijke' natie? Moeten we, als daarvoor een meerderheid zou bestaan, de sharia invoeren?

          Ook bij het zoeken naar antwoorden op dit soort vragen biedt deze canon stof ter overdenking. In venster nummer 18, over de Bataafse Republiek, wordt de Grondwet van 1798 besproken. Artikel 6 daarvan luidt: 'Alle de pligten van den Mensch in de maatschappy hebben hunnen grondslag in deze heilige wet. Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiedde. Doe aan anderen, ten allen tyde, zoo veel goeds, als gy in gelyke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen.' Vrij naar Matthäus 7:12, maar ook naar Erasmus, Spinoza, Kant, Augustinus en schriftgeleerden uit alle wereldgodsdiensten. Als we dit artikel uit de Bataafse Staatsregeling nu eens bevorderden tot artikel 1 van onze Grondwet. Dan zijn alle discussies over wat wel en niet Nederlands of christelijk is, meteen opgelost. En weten we ook meteen waarop we in Nederland 'trots' mogen zijn.

           

Terug naar overzicht met artikelen