POLITIEKE CORRECTHEID IS EEN DRONKENLAP DIE SLINGERT VAN BOOM TOT LANTAARNPAAL, voorpublicatie uit de actuele inleiding bij de heruitgave van Correct (Olympus, 2008)

 

[NRC Handelsblad, 25-09-08 ]

 

'Morele paniek'! Dat is de kreet waarmee de huidige omslag in het denken over integratie en criminaliteit vaak wordt afgedaan. Verdedigers van politiek correcte standpunten gooien het begrip te pas en te onpas in de strijd. Het etiket 'morele paniek' is verkrijgbaar in massaverpakking en altijd bruikbaar. Zonder enige onderbouwing kun je ermee suggereren dat aandacht voor onderwerpen als etniciteit en criminaliteit irrationeel is en voortkomt uit angst.

          Morele paniek is een suggestief begrip, dat een waaier aan negatieve beelden oproept. Iemand die in paniek raakt, is kortzichtig (want hij had het niet zien aankomen), hij is irrationeel (want hij reageert onbeheerst), hij is mateloos en ondoelmatig (want hij verliest de verhouding tussen probleem en oplossing uit het oog) en hij is onverstandig (want door panisch om zich heen te slaan schept hij alleen maar nieuwe problemen).

          Is er bij het bespreekbaar maken van de politiek correcte taboes over integratie en criminaliteit inderdaad sprake van een plotselinge angstaanval? Dat valt moeilijk vol te houden; de kritiek is niet van vandaag of gisteren en is vanuit de meest uiteenlopende hoeken geleverd. Zo'n plotselinge omslag was niet nodig geweest als simpelweg eerder op die kritiek was gereageerd.

          Ook de plotselinge opkomst van Pim Fortuyn is vaak in termen van morele paniek verklaard, waarbij politieke partijen ijverig probeerden elkaar de schuld in de schoenen te schuiven. 'Wim baarde Pim', zei Bolkestein, in een poging de PvdA van Wim Kok de zwarte piet toe te spelen. Fortuyn zelf zag het breder: niet alleen de PvdA, maar de hele 'paarse' coalitie van PvdA, VVD en D66 die Nederland van 1994 tot 2002 regeerde, was verantwoordelijk voor de puinhopen waarop zijn Lijst Fortuyn kon ontkiemen.

           Maar als we kijken naar de onderwerpen die Fortuyns kiezers het hoogst zaten - immigratie, integratie en criminaliteit - was er eerder sprake van een nationale groepsbevalling. De lange voorgeschiedenis van taboeïseren en wegkijken speelde zich grotendeels af onder de kabinetten- Lubbers (1982-1994). Alleen de kleine linkse en rechtse beginselpartijen SP en GPV (later ChristenUnie) pleitten toen al voor een realistisch immigratie- en integratiebeleid - als roependen in de woestijn.

          Het heeft dan ook weinig zin de standpunten op dit gebied in termen van links en rechts te duiden. Alleen al het rijtje politici die de afgelopen dertig jaar hebben geprobeerd het etnisch taboe te doorbreken, maakt dat duidelijk.

          Begin jaren zeventig begon Wim Drees junior van DS'70 over een restrictief toelatingsbeleid voor gastarbeiders, en werd prompt van racisme beschuldigd. Begin jaren tachtig opperde Hans van Hooft van de Socialistiese Partij retourmigranten een premie te geven, wat werd afgestraft als het bevorderen van vreemdelingenhaat. Begin jaren negentig kwam VVD-leider Bolkestein met zijn pleidooi voor meer aanpassing van immigranten en boekte als eerste succes: twee weken viel hem de voorspelbare verkettering ten deel, die daarna plaatsmaakte voor schuchtere waardering. Weer tien jaar later konden Paul Scheffer (PvdA) en Fortuyn verder gaan in de door Bolkestein geslagen bres. Scheffer oogstte met zijn essay over het multiculturele drama (2000) hoofdzakelijk bijval en Fortuyn won in 2002 de verkiezingen.

          Al die tijd veranderde er maar weinig aan het onderwerp. Steeds ging het om de vraag of Nederland voorwaarden mag verbinden aan de vestiging van immigranten en aan hun houding ten opzichte van de Nederlandse cultuur. Wat veranderde, was de bejegening die de opeenvolgende taboebestormers ten deel viel: die ontwikkelde zich van fel vijandig naar instemmend. Daarmee werd een natiebrede ontwikkeling zichtbaar, die met partijpolitiek weinig te maken heeft.

          Bij 'gevoelige' politieke onderwerpen veranderen Nederlanders polonaisegewijs van gezindheid. Alleen beweegt die polonaise zich niet zoals gebruikelijk in rondjes of in slingers, maar kaarsrecht voorwaarts. Tot het opeens links of rechts uit de flank gaat.

          De werking van dit mechanisme kan worden verduidelijkt aan de hand van een andere vergelijking. Denk aan het schoepenrad van een watermolen. Terwijl de voorliggende schoep zich langzaam met water vult, blijft het rad bewegingloos staan. Pas als de laatste druppel in de schoep valt, wordt de weerstand weggedrukt en slaat het rad in één klap naar de nieuwe stand. Maar waarom is die 'weerstand' bij ons zo sterk? Waarom moeten uitgerekend in dat geïndividualiseerde vijgevochten Nederland 'de neuzen allemaal dezelfde kant op staan' voordat een omwenteling kan plaatsvinden in de openbare gedachtevorming over gevoelige thema's?

Nederland geniet van oudsher een solide reputatie als een soort praathuis waar de bestuurders in een sfeer van nuchter overleg bijeen zijn, en waar beleidsaanpassingen geleidelijk en weloverwogen tot stand komen. Deze traditie heeft ons geen windeieren gelegd. De continuïteit wordt erdoor gegarandeerd, de handel bevorderd en het buitenland geïmponeerd. 'Nederland heeft naar mijn gevoel al een tijd het einde van de geschiedenis bereikt', meende Francis Fukuyama zelfs in 1992.

          In werkelijkheid kwam al in de jaren zestig een einde aan dit beeld van beheerste verandering in kalm beraad. Sindsdien lijkt Nederland eerder op een dronkelap die straalbezopen het praathuis heeft verlaten en waggelend de weg naar huis probeert te vinden, speurend naar straatmeubilair dat houvast biedt. Tot in de jaren tachtig hield deze nationale zatlap zich staande tegen de gevel aan de linkerzijde van de straat. Daarna dorst hij die eindelijk los te laten, zeilde het trottoir over en deed een onzekere greep naar de lantaarnpaal rechts. Tijdens het afleggen van deze zigzagkoers botste hij overal tegenaan en richtte aanzienlijke schade aan. Of hij op die manier ooit thuis zou komen was de vraag, laat staan of hij het eind van de geschiedenis zou halen.

          In zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw (1995) beoordeelde historicus James Kennedy het eerste traject van deze nationale waggelgang, in de jaren zestig, positief. De traditionele Nederlandse elite besefte dat vernieuwing onvermijdelijk was en sloeg de handen ineen met de aanstormende protestgeneratie. Dat leverde volgens Kennedy 'aangename resultaten' op, waardoor 'toekomstige problemen' konden worden vermeden.

          Heel anders beoordeelde mr. J.L. Heldring tijdens een symposium van de Teldersstichting in 1989 de opstelling van de toenmalige elite: 'In plaats van zich te verzetten heeft het establishment grotendeels gecapituleerd. Daardoor zijn veel op zichzelf nodige veranderingen doorgeschoten en zitten we op velerlei gebied nog met de gebakken peren.' Kennedy's rooskleurige beeld krijgt vorm via heel andere concepten. Bij hem draait het niet om een keuze tussen capitulatie en verzet, maar om 'consensus' en 'compromis' - begrippen die ook tijdens de Gouden Eeuw en de verzuilingsperiode kenmerkend werden geacht voor Nederland.

          Maar tijdens de omslag van de jaren zestig, en zeker in de decennia daarna, was van consensus nu juist weinig sprake. Bij consensus gaat het om dat rustige overleg in het praathuis, waarbij alle partijen geven en nemen tot een optimaal resultaat is bereikt. Met het oog daarop moeten alle belangen duidelijk onder woorden worden gebracht. Eerst zeggen wat je denkt, daarna onderhandelen: consensus hoort bij de open en recht voor z'n raap opstelling die vaak als typisch Nederlands wordt gekenschetst.

          Niets van dit alles was te vinden in de Nederlandse omgang met de gevoelige publieke kwesties die zich na de jaren zestig ontwikkelden tot politieke taboes. Dat deze taboes zich tientallen jaren konden handhaven, laat zich niet rijmen met een consensuscultuur. Taboes blijven in stand bij de gratie van een heel andere opstelling: conformisme. Als het aankwam op publieke standpuntbepaling over gevoelige kwesties, waren Nederlanders de laatste tijd, in de woorden van H.J. Schoo, 'ingebeelde nonconformisten'. Zij bleven trouw aan de heersende taboes, tot het moment dat de maatschappelijke schade onverdraaglijk werd. Pas dan sloegen zij polonaisegewijs een andere richting in.

          Ook Kennedy heeft inmiddels geconstateerd dat deze manier van vernieuwen niet altijd aangename resultaten oplevert. Terugblikkend op de jaren tachtig stelt hij dat je, in plaats van rekenschap achteraf te eisen, beter tijdig kunt discussiëren over idealen en beleid. 'De Nederlandse consensusmentaliteit heeft dat noodzakelijke debat soms verhinderd.'

Kennedy is niet de enige die consensus met conformisme verwart. Ook socioloog Paul Schnabel zei begin september in de Volkskrant: 'Heel lang is er consensus en begrip, tot het echt niet langer gaat.' Hij voegt daar een tweede observatie aan toe, namelijk dat 'evolutie hier altijd met schokken gaat'.

          Ook deze laatste gedachte wordt gedeeld door andere Nederland-watchers. Doeko Bosscher, hoogleraar eigentijdse geschiedenis in Groningen, lijkt evenals Schnabel van mening dat schoksgewijze verandering te allen tijde kenmerkend is voor Nederland. Begin september sprak hij op radio 1 over de dit jaar opeens opgekomen kritiek op actievoerders uit de jaren tachtig. Hij ziet die als onderdeel van 'een soort cyclus, die over het algemeen gaat in perioden van twintig jaar'.

          Als aanjager van die cyclus ziet Bosscher een generatie-effect: zo ongeveer iedere twintig jaar is er in Nederland 'een nieuwe generatie aan de macht en op het pluche', die afrekent met de vorige. Ook deze gedachtegang is gangbaar in het jaren tachtig debat. Zo heeft NRC Handelsblad-columnist Bas Heijne het over de wraak op de 'krakersgeneratie' en de 'generatie van 80'.

          Deze aannames zijn even aanvechtbaar als de gedachte dat het Nederlandse consensusmodel verantwoordelijk zou zijn voor de heftigheid van de veranderingen. De metafoor van Nederland als zwalkende dronkelap is verhelderend voor de periode sinds de jaren zestig. Voordien was er van een cyclus van radicale wendingen niets te merken en er is geen reden om aan te nemen dat het in de toekomst wel zo zal zijn.

          Van een periodieke afrekening door generaties is al evenmin sprake. In het huidige debat over de jaren tachtig speelt dat aspect geen overheersende rol. Anders dan in de jaren zestig is er nu geen omvangrijke nieuwe generatie die komt aanstormen met een nieuwe ideologie en een verlangen tot aflossing van de wacht. Het debat is grotendeels een vereffening onder generatiegenoten, van wie de meerderheid zich nu eindelijk durft uit te spreken.

          Het is voor sociologen en historici verleidelijk het aantreden van de nieuwe elite in de jaren zestig en haar vertrek dat nu gaande is, te beschouwen als twee edities van hetzelfde mechanisme. Nog lokkender is het dit mechanisme te bombarderen tot de typisch Nederlandse vorm van verandering en daarin ook het geliefkoosde nationale speeltje van het consensusmodel een plaats te geven.

          In werkelijkheid zijn alleen de verschillen tussen het aan- en aftreden van de jaren zestig elite al levensgroot. De cohorten van de geboortegolf wisten in ultrakorte tijd - feitelijk in het tijdsbestek tussen 1965 en 1970 - de oude elite uit te schakelen. Eenmaal zelf aan de macht gekomen, lieten ze zich echter heel wat minder snel aan de dijk zetten. Van deze nieuwe elite kun je niet zeggen dat ze, zoals de 'regenten' in de jaren zestig, flexibel meeboog met vernieuwingen die ze als onvermijdelijk ervoer. Integendeel, ze slaagde erin een kwarteeuw lang haar politiek correcte ideeën op te leggen, daarbij geholpen door een niet herkend maar angstvallig nageleefd conformisme.

          De opeenvolging van omwentelingen in publieke menings- en beleidsvorming die Nederland de afgelopen decennia te zien gaf, kan vooralsnog het best worden beschouwd als een historische anomalie. De grote en bruuske ommezwaai die in de jaren zestig op gang kwam, en de correctie daarop die nu gaande is, vallen niet onder te brengen in een algemeen geldend, zich steeds herhalend scenario. Vruchtbaarder is het dit geheel van schokken, vertragingen, bewegingen en tegenbewegingen te bezien als het resultaat van een unieke historische constellatie.

          Tot op zekere hoogte was deze constellatie ook elders zichtbaar. Politieke correctheid deed zich ook in andere West-Europese landen voor en ook daar zit nu verandering in de lucht. Nederland valt op door de ongekende bruuskheid en heftigheid waarmee de omslagen zich voltrokken en voltrekken. Dat gold voor de wisseling van de wacht in de jaren zestig en zeventig, en geldt ook nu: het land dat een paar jaar geleden nog poseerde als multiculturele modelsamenleving schiet nu veel andere West-Europese landen voorbij in no-nonsense realisme.

In mijn boek Correct ging ik op zoek naar verklaringen voor deze zigzagkoers. Ik speurde daarbij niet naar één alles verklarende oorzaak, zoals een structureel en repeterend mechanisme van elkaar afwisselende generaties. In plaats daarvan probeerde ik een serie eenmalige historische gebeurtenissen te onderscheiden die zich min of meer toevallig gelijktijdig voordeden en elkaar versterkten.

          Een daarvan heb ik al genoemd: het sterke conformisme dat - in weerwil van ons individualistische zelfbeeld - door de nieuwe elite van de jaren zestig werd afgedwongen en kon worden afgedwongen. Verder was de geboortegolf, waaruit deze nieuwe elite voortkwam, in Nederland uitzonderlijk hoog en lang en daardoor zeer invloedrijk. Achtergrond daarvan was de verzuiling: in een laatste eruptie van zuiltrouw boden vooral katholieken en gereformeerden in kindertal tegen elkaar op.

          Daarnaast was het publieke schuldgevoel over de racistische misdaden uit de Tweede Wereldoorlog - dat een belangrijk ijkpunt vormde van het politiek correcte denken - in ons land uitzonderlijk sterk. Van de Nederlandse joden is 75 procent door de Duitsers vermoord, het hoogste percentage van alle West-Europese landen, met inbegrip van Duitsland. Dit spookbeeld gaf aanleiding tot een bijna religieuze angst voor 'herlevend fascisme en racisme' die ertoe leidde dat ieder debat over etnische problematiek in de kiem werd gesmoord. Niet ten onrechte rekent historicus René Cuperus de gezindheid van de geboortegolfgeneratie dan ook tot de 'oorlogsschade'. Dat geeft ook voedsel aan de veronderstelling dat de genoemde constellatie haar langste tijd heeft gehad, waarmee ruimte ontstaat voor meer normale verhoudingen en veranderingen.

           

Terug naar overzicht met artikelen