DE WILDERSSTEMMERS ZIJN HEEL GEMIDDELD

 

[NRC Handelsblad, 16-01-10 ]

 

Populairste Hollands gezelschapsspel anno 2010: ra ra, wat is mijn Wildersfactor? Zo komen we de lange winteravonden wel door. 'Nou,' zei ik laatst om het af te straffen, 'ik ben het voor de helft met 'm eens en voor de helft niet. Mijn Wildersfactor is 50 procent!'

          Dat vonden de anderen niet sportief. Zo kwamen we geen stap verder, vonden zij. Je bent vóór Wilders of je bent tegen hem. Zo zijn de spelregels.

          Spelregels? Ja, want daar gaat het om bij dit geliefde volksvertier in tijden van Wilders-scare: deugt ie wel of deugt ie niet? Vind je Wilders goed of fout, vertel op! De vraag naar je Wildersquote is een lakmoesproef, een snelle manier om je te kunnen 'plaatsen': hoor je bij weldenkend Nederland of niet?

          In werkelijkheid is de Wildersgrens niet scherp en onherroepelijk, maar vloeiend en veranderlijk. Dat blijkt alleen al uit de heftige golfbewegingen in de aanhang van Wilders en verwante politici. De mensen die eerst op gevestigde partijen stemden en later op Fortuyn, Verdonk of Wilders, zijn niet allemaal overnight de Styx overgestoken om voorgoed in de politieke onderwereld te blijven. Ze hebben geaarzeld en aarzelen nog steeds. Ze vinden dat Wilders het goed zegt, maar velen ergeren zich ook aan zijn fanatisme. Ze zijn terug te halen.

          Terughalen, hoe? Niet door dat gezelschapsspel, behalve in de Hollandse huiskamer, ook in de Tweede Kamer te gaan beoefenen. Niet door Wilders en zijn aanhang uit te maken voor al wat boos en slecht is en in onze cultuur feitelijk een bezwering, ja, een vervloeking inhoudt. Wat een ongelofelijke hoop energie wordt er verspild door verhitte debatten over de NSB-factor, het rechtsextremisme-gehalte en de racisme-quote van de PVV.

          Nieuw is ze niet, deze neiging om te denken dat je problemen verduidelijkt door 'nieren te proeven.' Mr. Willem Mijnssen, destijds officier van justitie voor discriminatiezaken, wees er al in 1994 op, in een interview met deze krant: bij discriminatie stellen Nederlanders instinctief vóór alles de vraag of de dader 'goed' of 'fout' is. 'Wij zijn gepreoccupeerd geraakt met de bedoeling van degeen die zou beledigen of discrimineren.' Mijnssen verklaarde deze reflex uit een slecht verwerkt oorlogsverleden.

          Sinds de jaren zeventig is een reeks politici voor racist uitgemaakt, onder wie Drees junior (DS'70), Hans van Hooft (SP), Bolkestein (VVD) en Pim Fortuyn. Achteraf wordt erkend dat deze kwalificatie nergens op sloeg en dat juist zij het debat over immigratie en integratie hebben opengebroken. Het wonderlijke is dat desondanks die neiging om problemen te lijf te gaan door etiketten te plakken, nog springlevend is in de Nederlandse politiek.

***

Is het trekken van scherpe grenzen dan per definitie ongewenst? Integendeel - het is onvermijdelijk. We hebben artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht niet voor niets, het artikel op grond waarvan Wilders nu wordt aangeklaagd wegens groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie. We hebben onafhankelijke rechters om de grenzen van onze rechtsstaat te bewaken - tegenover moslimfanatici én tegenover fanatieke anti-moslims. Dat kan niet anders dan in de vorm van een zero-sum benadering: in de rechtspleging is een verdachte schuldig of niet-schuldig.

          Vervolging van Wilders past zonder meer in deze opdracht van justitie. Met zijn uitspraken over 'wat er naar Nederland komt en wat zich hier voortplant', over 'de tsunami van de islamisering', over 'de grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in' en over een verbod op het in huis hebben van de Koran (om me te beperken tot de punten die in de dagvaarding worden genoemd) zoekt hij de grens van wat wettelijk geoorloofd is.

          Ook hier geldt dat er sprake is van een vloeiende overgang, in dit geval tussen de islam en de aanhangers daarvan. Kritiek op een geloofssysteem mag, het beledigen en discrimineren van een groep mensen mag niet. Wilders begeeft zich diep in de overgangszone - zo diep dat hij de wet overtreedt? Het is aan de rechtbank om een scherpe grens te trekken, een digitale streep door een analoge werkelijkheid.

          Niet alleen in de rechtspraak is de vraag waar Wilders moet worden 'geplaatst', aan de orde. Ook in de wetenschap houdt men zich bezig met onderzoeken, beoordelen en indelen. Zo werd de PVV in de editie 2008 van de Monitor Racisme & Extremisme, een periodieke rapportage van de Leidse universiteit en de Anne Frank Stichting, tot 'extreemrechts' gerekend. Dat gebeurde via een moeizame excercitie met nieuw uitgevonden deeldefinities en riep veel kritiek op.

          Natuurlijk staat het ook politici vrij om zulke kwalificaties - ook als die omstreden zijn, zoals in dit geval - in de mond te nemen en zodoende deel te nemen aan het nationale spelletje 'deugt ie wel of deugt ie niet'. Alexander Pechtold heeft daar zo ongeveer zijn unique selling point van gemaakt. Wilders is bij hem een rechtsextremist en een racist en het legt hem geen windeieren: D66 staat op minstens vijftien zetels winst. Weldenkend Nederland meldt zich bij hem aan, prachtig, wat een mooi gevoel geeft dat van binnen. Maar in de politiek zouden andere criteria moeten prevaleren: niet de verwerpelijkheidsfactor van Wilders, maar de motieven van zijn kiezers. Wil je die weer bij hem weghalen, dan moet je geen etiketten plakken, dan moet je je verdiepen in hun beweegredenen.

          Maar wíl Pechtold de potentiële Wilders-kiezers wel aanspreken? Misschien denkt hij er net zo over als GroenLinks-ideoloog Dick Pels, die op de opinie- en debatsite Joop (11 november 2009) schreef: 'We moeten tegen de potentiële PVV-kiezer zeggen: je sympathiseert met een fout personage en met een partij die niet deugt.' Geen poging tot debat dus, maar een hautaine terechtwijzing. Laat maar zitten, impliceert Pels, deze mensen zijn onbereikbaar voor politieke argumentatie.

          Wilders is volgens Pels 'een gemankeerde democraat' met 'autoritaire en racistische denkbeelden' en 'helaas moeten we er rekening mee houden dat minstens vijftien procent van het electoraat er ook zo over denkt.' In dat geval zijn dus zo'n twee miljoen Nederlanders plotseling bevangen door racistische denkbeelden en daarin al zo verstokt geraakt dat ze voor de politieke gedachtewisseling moeten worden afgeschreven. We weten dat Wilders vooral stemmen weghaalt bij de VVD, de SP en het CDA. Volgens Pels dus allemaal partijen die eertijds een fors aantal racisten in hun gelederen telden.

          De suggestie om deze kiezers politiek dood te verklaren, is niet alleen gebouwd op drijfzand, ze is ook contraproductief. Potentiële Wilders-stemmers worden er alleen maar door gesterkt in de gedachte dat de gevestigde politiek hen in de steek laat. Wilders wordt erdoor gesterkt in zijn weigering het debat aan te gaan. Per saldo scheppen de etikettenplakkers koren op zijn molen.

 * * *

Wat vinden de Wilders-stemmers eigenlijk zelf van die etiketten? November vorig jaar heeft bureau Synovate, dat de Politieke Barometer van Nova verzorgt, aspirant-Wilderskiezers de vraag voorgelegd of zij zich als extreemrechts beschouwen. Een kwart antwoordde bevestigend. Of ze zichzelf racistisch vonden, hebben de onderzoekers niet gevraagd, maar je mag aannemen dat dat percentage lager ligt.

          Als we aannemen dat de meeste Nederlandse rechtsextremisten en racisten hun toevlucht zoeken tot de PVV, zijn deze kwalificaties dus van toepassing op enkele procenten van het Nederlandse electoraat. Dat is in overeenstemming met het beeld dat gangbaar was voordat Nederland zich, na de moord op Theo van Gogh, verloor in een golf van zelfkastijding als door racisme aangevreten natie. In werkelijkheid heeft ons land op het gebied van racisme en rechtsextremisme slechts een bescheiden traditie, zeker als je vergelijkt met omringende landen.

          September vorig jaar bracht Synovate in samenwerking met deze krant de PVV-aanhang uitgebreid in beeld. De uitslagen bevestigen nog eens dat er geen scherp onderscheid bestaat tussen Wilders-kiezers en de gemiddelde kiezer. Zo wil een grote meerderheid van degenen die zeggen op Wilders te gaan stemmen, geen mensen met een dubbele nationaliteit als minister, staatssecretaris of burgemeester. Maar meer dan de helft van alle Nederlandse stemgerechtigden is dezelfde mening toegedaan. Geweld tegen homo's moet dubbel zo zwaar worden bestraft als nu het geval is, vindt ruim de helft van zowel de Wilders-kiezers als alle kiezers. De Wilders-kiezers en de gemiddelde kiezer ontlopen elkaar ook nauwelijks als hen wordt gevraagd of ze allochtone vrienden hebben: 23 tegen 26 procent antwoordt daarop bevestigend.

          PVV-kiezers lijken ook minder fanatiek en eenzijdig anti-islam dan hun lijsttrekker. Wilders' voorstel voor een 'kopvoddentaks' kan 42 procent van zijn volgelingen bekoren, maar 38 procent is ertegen. Bij een Synovate-onderzoek in mei vorig jaar bleek dat slechts de helft van de PVV-kiezers in Wilders de juiste man ziet om premier te worden.

          Ook bij de gemeenteraadsverkiezingen in Venlo vorig jaar kregen we een kijkje in de beweegredenen van PVV-kiezers. Wilders deed niet mee, maar heel wat Venlonaren vertelden de toegestroomde journalisten dat ze 't liefst op hem hadden gestemd. Als reden werd vaak de overlast en criminaliteit tengevolge van het Duitse drugstoerisme genoemd. 'Op niemand!' beet een man een cameraploeg toe, toen hem werd gevraagd op wie hij ging stemmen. Op niemand, omdat Wilders niet meedeed. Hij woonde vlak naast een grote coffeeshop, ondervond daarvan ernstige overlast maar kreeg met zijn klachten nul op het rekest bij de gemeente.

          Voor dit soort Wilders-kiezers hebben de etikettenplakkers een andere omschrijving in petto: als deze man dan niet bevangen is door racisme, moet hij wel ten prooi zijn gevallen aan populisme. Ook dat is een op zichzelf nuttig begrip, dat door politicologen terecht met Wilders en zijn programma in verband wordt gebracht. Maar ook hier geldt dat het, door Wilders-bashers geïntroduceerd in de politieke arena, al gauw zijn doel voorbijschiet. 'Populisme' is een wetenschappelijk begrip dat in het alledaagse spraakgebruik een negatieve bijklank heeft. Het leent zich daardoor goed voor gebruik als dooddoener en scheldwoord.

          Door PVV-kiezers af te schilderen als adepten van het populisme, zet je ze neer als primitieve dommekrachten - als een soort lompenproletariaat dat tengevolge van ongeneeslijke frustratie ontoegankelijk is geworden voor rationele argumentatie. Handig: hoef je hun motieven niet serieus te nemen. Maar ook dom: koren op Wilders' molen.

          Het parlement is geen universiteit, geen onderzoekinstituut en geen rechtbank. In het parlement gaat het om de problemen waar kiezers mee worstelen. Politici moeten die problemen serieus nemen door ze onder woorden te brengen, oplossingen te bedenken en erop toe te zien dat die oplossingen worden uitgevoerd. Veel kiezers vinden dat de gevestigde politiek op deze drie punten onvoldoende presteert; een aantal loopt daarom naar Wilders. Problemen met de islam spelen daarbij een rol, maar door daarop alle nadruk te leggen en Wilders en zijn kiezers om die reden buiten de orde te verklaren, volgen Wilders-bashers in feite hun tegenstander in zijn eenzijdige en fanatieke voorkeur.

          Voor Wilders' kiezers spelen ook andere factoren een belangrijke rol. Het is niet moeilijk te bedenken welke dat zijn. Alle grote partijen werkten mee aan het uitkleden, opsplitsen en halfhartig vermarkten van voorzieningen, resulterend in een performance-crisis van de overheid (aldus Volkskrant-journalist Hans Wansink) en in een wildgroei van absurde salarissen op kosten van de belastingbetaler. Alle grote partijen werkten mee aan de 'verneveling van verantwoordelijkheden' (aldus Marc Chavannes van deze krant), die burgers verweesd achterlaat als zij problemen hebben met instanties. Laten politici eerst behoorlijk hun huiswerk doen alvorens de kiezers ervan te beschuldigen dat ze dom en slecht zijn door achter de verkeerde leider aan te lopen. Pas als politieke partijen hun werk naar behoren doen, mogen ze zeggen dat er een groepering van onherstelbaar opgefokte, verongelijkte en extremistische 'antiburgers' is opgestaan, voor wie klagen een tweede natuur is geworden en voor wie Den Haag het nooit goed kan doen. Maar die groepering zal dan veel kleiner zijn dan de Wilders-aanhang nu. Een paar procent van de Nederlandse bevolking, meer niet.

           

Terug naar overzicht met artikelen