HOEVEEL KINDEREN KRIJGEN DIE 'HOOFDDOEKJES' DAN, GEERT?

 

[NRC Handelsblad, 5-3-2011]

 

'Ik heb het over wat er naar Nederland komt en wat zich hier voortplant.' Dat was de denigrerende omschrijving die Geert Wilders een paar jaar geleden gaf van de toestroom van moslims naar ons land. De demografische samenstelling van de bevolking was volgens hem 'het grootste probleem van Nederland' en leidde tot een 'tsunami van islamisering'.

          Onder andere op grond van deze uitlatingen staat Wilders nu terecht op verdenking van het aanzetten tot haat. Het gaat daarbij om de 'toon' en de bedoeling van zijn uitspraken; de rechter spreekt zich niet uit over de vraag of Wilders in puur feitelijk opzicht gelijk had. Toch kan een demografische ontleding van zijn uitlatingen verrassende inzichten opleveren.

          Als we het begrip 'tsunami' ontdoen van zijn ongunstige bijbetekenis, houden we over: een plotselinge en hoge vloedgolf. Had Nederland de afgelopen decennia te maken met een immigratie- en geboortengolf uit islamitische landen? Ongetwijfeld. Het aantal inwoners met een islamitische achtergrond steeg sinds eind jaren zestig van praktisch nul naar 850.000, zo'n vijf procent van de bevolking. De helft van hen is in Nederland geboren, product van de hoge geboortecijfers onder islamitische immigranten. De Turkse en Marokkaanse vrouwen die naar Nederland kwamen, kregen gemiddeld veel meer kinderen dan Nederlandse vrouwen.

          Feitelijk gesproken had Wilders dus gelijk met zijn sneer naar 'wat er naar Nederland komt en wat zich hier voortplant'. Of toch niet? Wilders zei dit in een interview in de Volkskrant in 2006. En hij zei het in de onvoltooid tegenwoordige tijd. In 2006 bedroeg de netto immigratie uit islamitische landen echter nog maar enkele duizenden mensen, en daarin is sindsdien geen verandering gekomen. De islamitische immigratievloed had inderdaad de vorm van een eenmalige heftige golfbeweging - die nu voorbij is.

          Ook de geboortecijfers zijn al lang niet meer zo dramatisch als Wilders het voorstelt. Het aantal kinderen per vrouw met een islamitische achtergrond beweegt zich onherroepelijk in 'Nederlandse' richting. Bij Marokkaanse vrouwen van de tweede generatie ligt het nog maar weinig boven het niveau van autochtone vrouwen, bij Turkse zelfs daaronder. Sinds een paar jaar is een gemiddeld jong Turks gezin kleiner dan een autochtoon gezin.

          Het aantal geboorten daalt door verbeterde economische omstandigheden en het stijgende opleidingspeil van vrouwen. Voor alle groepen niet-westerse allochtone vrouwen in Nederland geldt: hoe hoger ze zijn opgeleid, hoe minder kinderen ze krijgen. Hoger opgeleide Turkse en Marokkaanse vrouwen krijgen gemiddeld nog maar één kind, veel minder dan de gemiddelde autochtone vrouw.

          Dit gegeven is van toenemend belang, doordat steeds meer Turkse en Marokkaanse meisjes hun weg vinden naar het hoger onderwijs. Sinds een paar jaar doen Nederlandse meisjes het op school beter dan jongens, en voor Turkse en Marokkaanse meisjes geldt dat nog sterker. Zij komen veel vaker dan Turkse en Marokkaanse jongens met een diploma van school en in het HBO ligt hun deelname een stuk hoger dan die van jongens.

          Wilders slaat dus niet alleen de plank mis bij zijn weergave van de door hem gevreesde demografische effecten, hij miskent bovendien een belangrijke oorzaak van de werkelijke ontwikkelingen: een steeds succesvoller integratie en participatie van meisjes met een islamitische achtergrond.

* * *

Dat immigranten zich geleidelijk aanpassen aan het vruchtbaarheidspatroon van het ontvangende land, wordt wel aangeduid als 'demografische assimilatie'. Maar is de demografische inhaalmanoeuvre van islamitische immigranten wel helemaal uit assimilatie te verklaren? Ook in de herkomstlanden laten de geboortecijfers een daling zien. Sterker: de afgelopen vijftien jaar verloopt die daling sneller dan bij Turkse en Marokkaanse vrouwen in Nederland. Daardoor krijgen Marokkaanse vrouwen in Nederland nu zelfs méér kinderen dan vrouwen in Marokko.

          Dit verschil wordt helemaal veroorzaakt door vrouwen van de eerste generatie. De meesten van hen kwamen naar Nederland om een gezin te stichten en waren bovendien afkomstig uit traditionele delen van Marokko en Turkije, waar de vruchtbaarheid boven het gemiddelde ligt. In 2004 zijn de regels voor migratiehuwelijken echter aangescherpt. In 2009 trouwde nog 20 procent van de Turken met een uit Turkije overgekomen partner. Van de Marokkanen deed 17 procent van de mannen en 14 procent van de vrouwen dat. Hierdoor, en door de verschuiving van de eerste naar de tweede generatie, zullen de geboortecijfers van Nederlandse Turken en Marokkanen de komende tijd een verdere daling te zien geven.

          Hier treedt een derde misser van Wilders aan het licht. Wat hij beschouwt als een exceptionele uitwas is in feite een gangbare demografische ontwikkeling. Een blik in ons eigen recente verleden kan dat duidelijk maken en Wilders' geboorteprovincie Limburg speelt daarbij een sleutelrol.

          Sinds het begin van de twintigste eeuw lag de vruchtbaarheid in Limburg en Noord-Brabant hoger dan in alle andere provincies. Nederlandse katholieken waren onderworpen aan gedetailleerde kerkelijke voorschriften tot op het meest intieme gebied. Zo moest de huwelijksdaad 'volledig' worden uitgevoerd. Wie dat voorschrift negeerde, bijvoorbeeld door 'het mannelijk zaad opzettelijk uit te storten buiten het lichaam van de vrouw', leefde 'in doodzonde'. Zo stond het in Huwelijksonderricht voor katholieke echtgenoten, het blauwe boekje voor toekomstige bruidsparen.

          Pas in 1963 kwam een eind aan deze voortplantingsdwang, toen de Bossche bisschop Bekkers voor de KRO-televisie verklaarde dat de omvang van een gezin 'een gewetenszaak van de gehuwden' is, 'waarin niemand, ook geen zielzorger, treden mag'. Drie jaar tevoren was Organon in Oss begonnen met de productie van de anticonceptiepil. Dit 'lekkers van Bekkers', zoals het met een verwijzing naar de reclameleus van een Limburgse frikandellenfabrikant werd genoemd, bracht een totale ommekeer teweeg in het geboorteniveau van de Nederlandse katholieken. Zij overtroffen alle andere bevolkingsgroepen in de snelheid waarmee de vruchtbaarheid daalde.

          Begin jaren tachtig had Limburg de laagste, Brabant de op één na laagste huwelijksvruchtbaarheid van alle provincies. Katholieke vrouwen kregen nu juist het minste aantal kinderen van alle gezindten. Deze cijfers getuigden van de enorme zucht van verlichting waarmee de katholieke dochters het blauwe boekje bij het vuilnis deponeerden: een groot gezin, dat nooit!

          De overeenkomsten tussen deze 'tweede generatie' katholieke vrouwen en de tweede generatie islamitische immigranten zijn legio. Beide groepen groeiden op in grote gezinnen met moe-gebaarde moeders die gebukt gingen onder een streng en autoritair geloof. In beide gevallen werd de gehoorzaamheid aan traditionele geboden nog vergroot door een cultureel isolement. De zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland, waar de meeste katholieken woonden, waren de armste en meest achtergebleven delen van ons land.

          Ook de gebieden waar de Turkse en Marokkaanse immigranten vandaan kwamen, behoorden tot de meest achterlijke (zou Wilders zeggen) streken van hun herkomstlanden. In Nederland werd hun cultureel isolement bestendigd, evenals hun onderworpenheid aan strenge religieuze voorschriften. Evenals de Nederlandse katholieken van de vorige eeuw verkeerden zij in een kwantitatieve en maatschappelijke minderheidspositie.

* * *

In zijn klassieke onderzoek Het geboorte-niveau der Nederlandse rooms‑katholieken (1954) toonde de socioloog F. van Heek aan dat de Nederlandse katholieken zich met hun hoge geboortecijfers ook onderscheidden van hun geloofsgenoten in Duitsland en België. Belangrijke voorschriften, zoals het verbod op abortus, werden in ons land trouwer nageleefd. Van Heek concludeerde dat de Nederlandse katholieken er een 'frontmentaliteit' op na hielden: als minderheid binnen een overwegend protestantse natie koesterden zij een militante geloofsopvatting, die resulteerde in een hoge vruchtbaarheid.

          De regels op het gebied van seksualiteit en voortplanting vormden de hoeksteen van de totalitaire macht van de Kerk. Zij werden eerder nageleefd uit angst dan uit overtuiging. De latere bisschop De Vet had dat al vroeg door. 'Kerksheid was in Brabant bovenal een uiterlijke, zichtbare accentuering van godsdienstbeleving en een conformatie aan een maatschappelijk patroon,' zei hij in 1960. 'Het mechanisme van de sociale controle werkte in dat opzicht voortreffelijk.'

          Een sterke sociale controle, verordineerd door religieuze leiders en in stand gehouden door de omgeving, is evenzeer kenmerkend voor de traditionele moslimgemeenschappen in Nederland. Opgesloten in een minderheidscultuur, waar eigengereidheid werd afgestraft met roddel en uitstoting, hielden zij tegen de klippen op ideeën en gewoonten in stand die in hun herkomstlanden al sterk aan vanzelfsprekendheid hadden verloren. Zoals de cijfers laten zien, maakte een extra hoge vruchtbaarheid deel uit van dit benarde cultuurgoed.

          De vergelijking met de lotgevallen van de Nederlandse katholieken toont aan dat hoge geboortecijfers geen onveranderlijk attribuut vormen van een culturele of religieuze groep. Ze zijn de resultante van sociale en economische invloeden waaraan die groep blootstaat. Als die invloeden veranderen, kan alles omdraaien en zullen de eersten de laatsten zijn.

          Bij de Nederlandse katholieken verliep die omslag met een klap. Binnen de sterk hiërarchische katholieke zuil kwam de bevrijding van bovenaf. Progressieve katholieke intellectuelen gaven de aanzet, bisschop Bekkers maakte zich tot hun spreekbuis. Voor de moeders van kinderrijke gezinnen was dat behalve bevrijdend ook pijnlijk: zij realiseerden zich dat ze hun leven lang voor de gek waren gehouden.

          Islamitische ouders van de eerste generatie blijft die deceptie bespaard. De islamitische wereld kent geen eenduidige kerkelijke hiërarchie en al helemaal geen progressieve priesterklasse die van bovenaf de bevrijding zou kunnen proclameren. Verlossing van de vruchtbaarheidsdwang komt hier van onderop, ze moet worden bevochten door de meisjes van de tweede generatie. Bevochten op ouders die zelf nog niet 'om' zijn. Daardoor verloopt de verandering geleidelijk: familiebanden zijn sterk en kinderen willen hun ouders zo min mogelijk voor het hoofd stoten. Als je dit in aanmerking neemt, is de daling van de geboortecijfers onder de tweede generatie een wonder van aanpassing en een schoolvoorbeeld van integratie.

 

Terug naar overzicht met artikelen