ZERO TOLERANCE

 

[Kans, magazine van het Leger des Heils, maart 2011]

 

De sociale panelen van Nederland verschuiven. Gedogen is uit, lik‑op‑stuk is 2011. Wat betekent die verandering voor de groep mensen voor wie het Leger des Heils zich inzet? Herman Vuijsje, onafhankelijk journalist, editor en schrijver van onder andere Pelgrim zonder god, boog zich over deze vraag.

Lof der onaangepastheid. Zo heette het boek van Herman Milikowski dat verplichte kost was toen ik eind jaren zestig sociologie studeerde. Wilde je mensen onder aan de maatschappelijke ladder meer kansen geven, dan moest je om te beginnen respect opbrengen voor hun levenswijze.

          Milikowski's gedachtegang stond haaks op de tot dan toe gangbare ideeën over 'onmaatschappelijkheid'. Die kwamen erop neer dat de bovenklasse een 'beschavingsopdracht' had te vervullen: mensen uit achterbuurten moesten worden opgevoed zodat ze zich zouden aanpassen aan de burgerlijke normen van arbeidzaamheid, spaarzaamheid en huiselijkheid. Een hele reeks afgezanten van die zindelijke Hollandse fatsoenscultuur zag daarop toe: van meneer pastoor en de bezoekende ouderling tot de controleur van de werklozensteun en de inspectrice van de woningbouwvereniging. Als die laatste constateerde dat 's middags de bedden nog niet waren opgemaakt, zwaaide er wat.

          In de jaren zestig kwamen begrippen als 'controle', 'inspectie' en 'aanpassing' in een kwaad daglicht te staan. Waarom zou de ene cultuur beter zijn dan de andere? Ieder moest voortaan zelf maar uitmaken hoe hij wilde leven. Dat klonk progressief, maar was het dat ook? De praktijk kwam erop neer dat mensen die er niet in slaagden hun leven behoorlijk op de rails te krijgen, aan hun lot werden overgelaten. Schizofreniepatiënten, zwervend op straat, waren op zichzelf aangewezen omdat ze klaarblijkelijk 'zo wilden leven'. Dat die levenswijze voortkwam uit hun ziektebeeld, werd verdoezeld. Hulpverleners verkochten hun terughoudende opstelling als het summum van tolerantie, maar in de praktijk kwam het vaak neer op onverschilligheid.

          Je hoort mij dan ook niet klagen dat het rad van verandering nu een nieuwe draai maakt.  Controleurs en inspecteurs zijn weer volop actief in het leven van 'mensen in achterstandssituaties', zoals de onaangepasten tegenwoordig heten. Huismeesters en medewerkers van de Sociale Dienst komen kijken hoe het 'achter de voordeur' gaat. Gaan de kinderen wel naar school? Moet de jongen die daar zo stilletjes op de bank zit, niet aan het werk? Zijn er tekenen van verwaarlozing en verslaving? Nog niet zo lang geleden zou het een schandelijke schending van de privacy zijn geweest om deze vragen alleen al te stellen.

          Ook in andere opzichten geeft de overheid in haar beleid ten opzichte van 'onaangepaste' mensen blijk van een hardere opstelling. Wat vroeger 'gedoogd' werd, wordt nu niet meer gepikt. Wie sjoemelt met zijn uitkering, wordt hard aangepakt. Wie hulpverleners hindert bij hun werk, krijgt te maken met supersnelrecht en hoge strafeisen. En wie naar Nederland komt maar ten enen male weigert zich aan te passen aan hier geldende normen en gebruiken, kan niet meer op stilzwijgende adhesie rekenen. Zo is bijna driekwart van de Nederlandse bevolking vóór een boerkaverbod.

          Deze ontwikkeling wordt nogal eens beschreven als een 'ruk naar rechts'. Voor je het weet 'gaat het de verkeerde kant op'. Vergelijkingen met de opkomst van het fascisme in de jaren dertig zijn niet van de lucht. Voor mij is dit soort bezwaren moeilijk te begrijpen. Ik houd er al mijn hele leven linkse denkbeelden op na en ben juist blij met dit nieuwe realisme. Betekent dit dat ik nu van m'n geloof gevallen ben?

          Integendeel. Juist omdat ik sociaal denkend ben, verwelkom ik de straffere benadering. Het is goed dat 'onaangepasten' niet meer aan hun lot worden overgelaten. Het is goed dat daders snel en stevig worden bestraft. Het is goed dat er meer aandacht is voor slachtoffers van normoverschrijdend gedrag. In de jaren zestig klonk het nog progressief om de 'lof der onaangepastheid' te zingen. Nu weten we beter.

          Wat hebben de afgelopen decennia ons geleerd? Dat maatschappelijk onaangepasten niet een homogene groep vormen van zielige mensen die alleen maar gediend zijn met ons begrip en onze toegeeflijkheid. Onaangepastheid is te lang gezien als een individuele levensstijl, een soort hobby die je kunt beoefenen zonder dat anderen er last van hebben. Het is ook vaak een vorm van hufterigheid, die een negatieve invloed heeft op de kwaliteit en de veiligheid van de openbare ruimte en het openbaar vervoer.

          En wie zijn degenen die het meeste te lijden hebben van die verhuftering? Dat zijn de zwaksten in de samenleving, degenen die zich niet kunnen terugtrekken in hun particuliere woning en eigen auto. Dat zijn de mensen die fietsen of lopen en de tram nemen; die in gehorige huurhuizen wonen. Degenen dus voor wie we horen op te komen, of we ons nu links of christelijk noemen.

          Daarmee is nog niet alles gezegd. Ook hufters en andere onaangepasten zelf zijn gediend met een harde hand. Onaangepastheid is in veel gevallen immers helemaal niet het resultaat van een eigen keuze, zoals Milikowski in zijn onschuld meende. Vaak is er juist sprake van afglijden naar een leven dat je niet had gewild. Daarom getuigt het van compassie als de samenleving zich daar niet bij neerlegt en grenzen stelt. 

          Als ik terugkijk naar het midden van de vorige eeuw, zeg ik: het ging met vallen en opstaan, met rare schokken en tijdelijke overdrijving, maar het is per saldo de goede kant op gegaan. Mensen die buiten de boot van het normale burgermansleven vallen, krijgen hulp en begeleiding, zo nodig met drang en dwang, maar niet meer op de betuttelende en bevoogdende manier van vroeger. De grenzen die nu worden gesteld, gelden niet de onaangepastheid zelf, maar de last en de schade die ermee wordt veroorzaakt. Last en schade voor de omgeving, maar ook voor de betrokkene zelf.

 

Terug naar overzicht met artikelen