IN TUSSENLAND

 

[Tijdschrift, december 2005]

 

Tussenland is een polemisch boek. De schrijvers zetten zich af tegen degenen - tot wie ik mijzelf mag rekenen - die zich opwinden over de verloedering van veel gebieden tussen stad en land. Dit 'defensieve betoog', stellen zij, gaat voorbij aan de kansen en potenties die juist deze gebieden in petto hebben. Hier groeit 'de ware idylle', eerder ondanks dan dankzij de inspanningen van planners.

            Als discussiebijdrage is dit betoog interessant, maar dan moet wel aan een paar voorwaarden worden voldaan. Belangrijkste is dat het voorwerp van onderzoek goed wordt omkaderd, zodat we weten waarop de conclusies betrekking hebben. En op dat punt schiet het boek volgens mij schromelijk tekort. Tussenland is één grote juichkreet, terwijl de werkelijkheid eerder aanzet tot een gevoel van himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt.

            Zo heb ik het tenminste zelf ervaren toen ik voor mijn boek Schuifgroen een wandeling maakte langs de randen van groot-Amsterdam. Juichend was ik bij het doorkruisen van de rommelige nederzettinkjes aan de ringvaart van de Haarlemmermeer: scharrelbuurtjes met allerhande pieremachocheltjes aan de waterkant en rare bedoeninkjes aan de dijk. Of in het Geuzenbos, waar een veehandelaar illegaal pony's laat grazen en een schapenboer zich een stuk land heeft toegeëigend, waardoor totaal ongepland een open landschap met verspreide bosschages is ontstaan, dat doet denken aan een schilderij van Koekoek.

            Of neem het impromptu beeldenpark van 'ijzeren dichter' Theo Niermeijer op het Zeeburgereiland. Een soort kraal van kleurrijk beschilderde woonwagens en bouwketen, met een zitje van ouwe crapauds rond een kampvuur. Toen ik er 's avonds langs kwam, werd ik hartelijk uitgenodigd een glaasje mee te drinken en de woonwagens te bezichtigen. Even verderop staat de al even 'informele', maar niet minder fameuze snackbar Eiburgh, gevestigd in een verroeste zeecontainer tussen snelwegen en benzinestations. De klanten zitten op tuinstoelen onder een luifel van landbouwplastic. Frietgourmets stromen van heinde en verre toe voor de handgesneden, in de open lucht gebakken friet.

            Nog een voorbeeld: de 'spoorwegdriehoek' tegenover de joodse begraafplaats in Diemen. Als één stuk Amsterdam aan de definitie van 'tussenland' beantwoordt, dan is dit het: dit is een plotje waarmee officieel helemaal niets gebeurt! Toch grazen er schaapjes. Een Italiaanse ex-gastarbeider blijkt er op een goede dag zomaar een soort kinderboerderijtje te zijn begonnen.

            Sommige stukjes tussenland die ik tegenkwam, kunnen inderdaad zonder overdrijving een 'idylle' worden genoemd. In de landtong ten oosten van de PEN-vijfhoek trof ik een kleine nederzetting van zelfbouw-onderkomens, opgetrokken uit wrakhout en ongeregeld spul, maar piekfijn onderhouden en voorzien van zonnecollectoren. Of neem Ruigoord, waar inmiddels grijs geworden hippies en kunstenaars nog steeds hun jointje roken en in het dorpskerkje onderdak bieden aan inlandse en uitheemse kunstvoortbrengselen.

 

* * *

 

Maar even voorbij Eiburgh en de beeldentuin van Theo Niermeijer ligt een heel ander stukje tussenland. Aan de stadskant van het Zeeburgereiland passeerde ik een hele strook van containers en barakken, omringd door onwaarschijnlijke hoeveelheden troep. Of hier ook idyllische ontwikkelingen plaatsvonden dorst ik niet na te gaan, want ik heb nog nooit zoveel dreigende bordjes verboden toegang en 'hier waak ik' gezien als hier. 'Vorige week hebben we hier nog 2300 kilo grofvuil weggehaald,' vertelde een groepje randgroep-schoonmaakjongeren op de dijk. 'Het is hier niet pluis.'

            Nog droeviger werd het me te moede bij het doorkruisen van de Osdorper polders aan de westrand van de stad: het domein van illegale autosloperijen, vervallen kassen met vage bedrijfsbestemmingen en een uitgestrekt Belgisch villadorp - op onzichtbare wielen, want officieel stacaravans! - bewaakt door vechthonden. Het gebied heeft een agrarische bestemming maar de deelraad Osdorp laat de ontwikkelingen op hun beloop. Omdat die zo idyllisch zijn? Nee, omdat de ambtenaren zich er niet durven vertonen. In de Osdorper polders heerst het recht van de sterkste.

            De schrijvers van Tussenland scheren alle hier genoemde gebieden over één kam. Toch zijn de verschillen niet te verwaarlozen, juist uit een oogpunt van ruimtebeheer. De eerstgenoemde gebieden zijn open naar buiten toe: bezoekers worden uitgenodigd deel te nemen aan een tijdelijk, fantasievol gebruik van de ruimte. Hier heerst vrolijkheid - geen grimmigheid. Hier wordt openbare ruimte toegevoegd - niet ingepikt.

            De gebruikers maken niks stuk maar brengen leven waar anders woestenij zou zijn. Hun aanwezigheid helpt de kwaliteit van de omgeving te bewaren of zelfs te verhogen. Soms definitief, zoals misschien in Ruigoord het geval zal zijn. Dat zou dan een voorbeeld zijn van het spontane ontstaan van ongeplande bestemmingen, zoals de schrijvers van Tussenland dat graag zien. Maar valt dat over één kam te scheren met hetzelfde proces zoals zich dat afspeelt in de Osdorper polders? Daar wordt even spontaan een gebied van zijn kwaliteit ontdaan, waarna straks gezegd kan worden: jammer, het is gebeurd, het is niet meer terug te draaien.

            Niemand zal bezwaar hebben tegen het gebruik van tussenland als broedplaats voor mensen die wat bijzonders willen en elders geen plaats vinden. Maar dat is nog geen reden om te concluderen dat 'de huidige ruimtelijke ordening in dit soort situaties weinig tot niets te bieden heeft,' zoals Han Lörzing, een van de Tussenland-schrijvers, in deze krant deed.

            Jarenlang werd een soortgelijke opvatting stilzwijgend gehuldigd omtrent De Heining, het terrein waar de ontvoerde Heineken werd vastgehouden, en omtrent sommige woonwagenkampen die tot een vrijstaat waren verworden. Nu wordt daar alsnog ingegrepen. En wat voor de belasting- en strafwetgeving geldt, gaat ook op voor de ruimtelijke ordening. Tussenland is een pleidooi voor gedogen, terwijl heel Nederland daar juist van terugkomt. Als je een wet hebt, moet je die handhaven, en als je dat niet wilt moet je de wet - in casu het bestemmingsplan - aanpassen.

            Waarbij het overigens een illusie is dat je dan van die handhaving zou zijn verlost. Het pleidooi voor het tolereren van tussenland komt in feite neer op het verschuiven van grenzen - van de fysieke ruimte, maar ook van de reikwijdte van handhaving. Want wie maakt uit wat tussenland is en wat niet? En voor hoe lang? En waar de nieuwe, spontane bestemmingen overgaan in schadelijke en illegale activiteiten? Beantwoord je die vragen niet, dan ben je in tussenland verstoppertje aan het spelen.

              In een dichtbevolkt land vereist ook het stellen van minder, andere of tijdelijke ruimtelijke regels regulering. Voor die noodzaak kun je je in Nederland niet verstoppen. Tenzij je de ruimtelijke ordening wilt afschaffen. Dat kan ook - maar zeg dat dan.

 

Terug naar overzicht met artikelen