GOD ZEGENE DE VERANTWOORDELIJKE AUTHORITEITEN

 

[De God van Nederland, oktober 2011]

 

Nederland is een ruimtelijk raadsel, en raadsels zijn leuk. Ons land is klein, minuscuul, en staat toch wijd en zijd bekend om zijn onbekrompen ruimtelijkheid - hoe kan dat? Zeker is dat die tegenstelling sinds jaar en dag nieuwsgierigheid heeft gewekt en is gaan behoren tot onze unique selling propositions.

De Nederlandse ruimte is: plat, open, wijd en ver. En hoog, dat vooral. Geen aspect van het Nederlandse landschap is zo uitzinnig door kunstenaars verheerlijkt als de wolkenluchten die erboven hangen. Komt het door het vele water waarin de lucht zich weerspiegelt? Door het fascinerend contrast tussen die hemelse wolligheid en de strakke lijnen van kavels en kanalen?

Op de schilderijen van onze landschapsschilders is het meestal 'wisselend bewolkt'. Zelfs bij dreigend weer schijnt achter de wolken de zon. Een enkele zwartkijker als Marsman daargelaten ('..de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord..') zijn het overwegend 'optimistische' landschappen die dichters en schilders in ons nationale achterhoofd hebben achtergelaten. Beelden van Hollands Arcadië, met de stad veilig en besloten aan de horizon, zoals op Ruisdaels Gezicht op Haarlem.

Nederland is een spel met ruimtelijkheid. Want juist temidden van die adembenemende weidsheid van land, lucht en water, gingen de Hollanders het kleine cultiveren. Ze bouwden popperige, in zichzelf besloten stadjes en dorpjes, zó kneuterig dat kunstenaars en toeristen van heinde en verre kwamen aangereisd om zich aan die binnenhuisjes en straatjes te vergapen. Hollandse meesters werden er wereldberoemd mee.

De Italiaanse schrijver Edmondo de Amicis gaf in 1873 een aanstekelijke beschrijving van de virtuositeit waarmee in de Zaanstreek ieder plekje benut was voor pietepeuterige huisjes, prieeltjes, bruggetjes en sluisjes. Hij kreeg de indruk dat al die bouwseltjes nog kleiner werden naarmate je verder de stroom opvoer, 'alsof de bevolking naar afnemende grootte was verdeeld, zodat je op het laatst alleen nog maar wachthuisjes zag; een minuscule architectuur waar kinderen kolossaal lijken en de katten van de straat op de daken springen.'

Tegelijk inspireerde de openheid van het omringende land en water ons tot een open economie en open armen voor mensen van allerlei slag (liefst als ze ook nog geld en handelscontacten meebrachten). Ruimte schept ruimhartigheid en ruimdenkendheid: gekoesterde delen van onze nationale identiteit.

We bevinden ons hier op het meest zompige terrein van de volkskunde van de koude grond: het verband tussen volkskarakter en leefomgeving - de geopsychologie, zeg maar. En dan nog met een bedenkelijke afwijking naar het westen: al deze eigenschappen van de ruimte, met hun veronderstelde uitwerking op ons nationale brein, zijn immers eerder 'Hollands' dan Nederlands. Ten oosten van de IJssel zit je al haast in Midden-Europa.

Maar ook is het een feit dat het lage land van West- en Noord-Nederland altijd dominant is geweest - economisch en in de beeldvorming. Dat is het Nederland van Mondriaan: plat, rechtlijnig en overzichtelijk. Zoals Frankrijk de impressionisten voortbracht, zo inspireerde de weidsheid van de polder tot de afgemeten vlakken van Mondriaan en De Stijl. Een 'verrassingsvrij' landschap, waarin je ver vooruit kan kijken en dat uitnodigt tot ordenen en plannen. De noodzaak om het water buiten de deur te houden versterkte die gezindheid nog.

Is onze lange geschiedenis van bedijken, bemalen en verkavelen ons ten langen leste tussen de oren gaan zitten? In ieder geval kwamen de Nederlanders bekend te staan om hun fanatieke voorkeur voor orde, zekerheid en beheersing. Ook de steden werden gepland, zoals de Amsterdamse grachtengordel: een vroege proeve van een beredeneerd stedenbouwkundig ontwerp. Het nieuwe land dat door windmolens werd drooggemalen, werd systematisch verkaveld.

In de eerste helft van de vorige eeuw vormde de noodzaak om een groeiende bevolking op een klein landoppervlak te herbergen, een nieuwe impuls tot 'ruimtelijke ordening'. Nederland mocht niet overwoekerd raken door fermettes, zoals in België, waar iedereen zijn eigen huisje‑met‑erf heeft. Met een muur eromheen, om niet de huisjes-met-erfjes van de buren te hoeven zien. En het werkte. Ruimtelijke plannen op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau stonden in ons land borg voor een strenge scheiding tussen stad en land.

En nu? Nederlanders halen nog steeds de internationale voorpagina's vanwege hun uitzonderlijke verrichtingen op het gebied van planning. Maar het is niet meer de overheid die daarbij de aandacht trekt - het zijn de Nederlanders zelf. En wat zij plannen is niet de ruimte waarin zij leven, maar de ruimte ín hun leven. Niet de ruimte die ze met anderen delen, maar de ruimte in hun eigenste individuele bestaan. Nederlanders plannen nu hun carrière, hun kinderen, hun gezondheid, zelfs het tijdstip van hun eigen dood.

* * *

Laten we nog een keer terugkeren naar de tijd van Mondriaan. Denk je even in dat je begin vorige eeuw over West-Nederland vloog - wat zag je onder je? Een land met een robuuste vlakverdeling. Nederland was grof verkaveld: in grote stukken land met een bepaalde bestemming en een daarbij passende aanblik, vaak door rechte lijnen gescheiden. Met elk hun eigen kleur: hier een groot stuk groen, verderop blauw, dan weer het rood van een stad. Een Mondriaan inderdaad, of een tweedimensionale variant van een Rietveld- of Duikergebouw.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was er aan dat landschap nog niet veel veranderd. Nescio boekstaafde in zijn Natuurdagboek wat hij zag en ervoer in een straal van twintig, dertig kilometer rond Amsterdam. Zowel het vertrouwde als het onvervulbare deed zich daar aan hem voor. Zoals hij zelf schreef: 'Geheel opgenomen in God en toch voor tweeën thuis'.

Die grootse gewaarwordingen werd Nescio deelachtig doordat hij steevast de blik gevestigd hield op de horizon: op de verte, op wat nog komen moest. Steeds weer kom je het tegen in zijn landschapsbeschrijvingen: zo'n torentje dat vaalwit afsteekt tegen de bleekblauwe lucht. 'Ver over de weiden de cathedraal van Vinkeveen en later weer Ouerkerk op de horizon.'

Maar ook zag hij dat het met die horizon op steeds meer plekken was gedaan. Nescio was een romanticus, maar werd een ouwe brompot. Bij heruitgaven van zijn werk kon hij het niet laten om noten toe te voegen als: 'Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke authoriteiten. Als 't kan een beetje hardhandig.' Zijn toon werd grimmiger. Hij zag de opmars van 'de huisjespest'. 'Rothuisjes overal.' Alles werd 'door Jan Kallebas en andere klootzakken volgegoten met huissies'. 'God zal ze eeuwig gloeiend nakend in de hel sansodemirakelen.'

Gemopper van een oue sok, zoals Nescio zichzelf wel eens placht aan te duiden? Moeten we dat serieus nemen? En, erger: ben ik zelf ook zo'n oue sok geworden? Als jongen liep ik hand in hand met m'n vriendinnetje de stad uit. Was het er mooi, daar tussen de bomenlaantjes met Ouerkerk op de horizon? Misschien, maar daar lette ik niet op. Zíj was mooi! Misschien moet je de vijftig gepasseerd zijn om de waarde te onderkennen van zo'n landschap, ook zonder dat er een aantrekkelijk vrouwspersoon in rondloopt. Maar als ze dan, na die vrouwspersonen, ook nog dat landschap moeten inleveren, dan worden ouwe mannen link. Dan rest slechts de woestijn.

En dan dringen zich akelige toekomstvisioenen op. Opnieuw vlieg ik boven Nederland, maar nu over pakweg twintig jaar - twintig jaar waarin de ruimtelijke ontwikkelingen van de laatste decennia zich zullen hebben voortgezet. Wat zie ik onder me? Ergens boven Naald­wijk of Den Bosch doemt de eerste stedelijke bebouwing op, die zich daarna zonder herkenbare onderbrekingen voort­zet tot Schiphol. West‑Nederland is veranderd in een onafzienbaar stedelijk parklandschap, een confetti van woonwijken, stadsparkjes, schaambosjes, bedrijventerreintjes en natuurgebiedjes met wat villaatjes ertegen om welvarende Nederlanders de behuizing te bieden waar ze recht op hebben.

Overal is nu alles mogelijk, maar vanuit de hoogte gezien oogt het landschap dodelijk eentonig. De grote, kleurige vlakken uit Mondriaans tijd zijn verkeerd in een pointillistisch schilderij: een eindeloze verzameling stipjes, allemaal met hun eigen kleur, maar zo klein dat het er vanuit de lucht uitziet als een totaalmix van onbestemde tint. Een pointillistisch schilderij waarin een overspannen mu­seum­bezoe­ker een paar forse halen heeft gekerfd: de kaarsrechte lijnen van nieuwe grootschalige elementen als de HSL en de Betuwe­lijn. Alleen aan de hand daarvan, en van de grote wateren, kun je je vanuit de lucht nog een beetje oriënteren.

Zal het echt zo ver komen? Vast staat dat Nederland zich ontwikkelt in de richting van een 'hybride landschap', een tweeslachtige ruimte waarin het onderscheid tussen stad en land vervaagt. Onze omgevingsbeheersing is zo groot geworden dat we het landschap volledig naar onze hand kunnen zetten en bij een sterk markgerichte politieke conjunctuur, zoals in onze tijd, dreigen we dat ook te doen.

Dat leidt tot een toenemende kwetsbaarheid van landschappen waarvan de waarde niet onmiddellijk in geld is uit te drukken. Wat is het 'waard' dat ik plezier beleef aan een op zich weinig rendabel boerenlandschap? Als deelbelangen de overhand krijgen, is zulk landschap weerloos en belandt het in de uitverkoop.

Paradoxaal genoeg wordt deze ontwikkeling in de hand gewerkt door de bestuurlijke decentralisatie van de afgelopen decennia. Decentralisatie resulteert niet, zoals je zou kunnen denken, in een toename van regionale verscheidenheid. Iedere lokale en regionale bestuurder streeft naar een waaier aan ruimtelijke bestemmingen en milieus. Maar het is overal dezelfde waaier: allemaal willen ze een nieuw wooonwijkje, een eigen recreatiebosje, een bedrijventerreintje en natuurgebiedje - omdat ze dat verderop ook hebben. Zo krijg je de lanschappelijke variant van de Blokker/Etos/Hema-eenheidskoopstraat: je weet niet meer waar je bent, het is overal eender.

Misschien heeft onze overleg- en consensustraditie, in het poldermodel tot extreme proporties opgeblazen, ons angstig gemaakt. Huiverig voor duidelijke keuzes en voor het handhaven van eenduidige bestemmingen op forse schaal. We willen in Nederland altijd verschillen pacificeren. Compromissen zoeken om tegenstellingen te verzoenen. Overgangen verzachten en geleiden. Integreren, verzoenen, verbinden en overbruggen.

Ook in economie, zorg en bestuur heeft die gezindheid ons de afgelopen decennia hybride arrangementen opgeleverd: het onderscheid tussen de publieke en de private sector is erdoor vervaagd. Dat heeft geleid tot een hoop ergernis en weggegooid geld. Maar als je bereid bent nog weer meer geld uit te geven, kun je het in principe terugdraaien.

Voor veranderingen op ruimtelijk gebied geldt dat niet. Zeker in Nederland, dat bijna helemaal bestaat uit cultuurlandschap dat in de loop van eeuwen door mensenhand is gevormd. Veenweidelandschap bijvoorbeeld, met zijn onnavolgbare verkaveling en zijn uniek samenstel van kaden en dijkjes, sluizen, slootjes en historische boerderijen, is, eenmaal verdwenen, nooit meer te herstellen. Als je daar eenmaal de dragline op hebt losgelaten, is het: oh mijn lieve Augustijn, alles is weg.

* * *

Augustus 2011, op de terugweg uit Madrid. Ik heb me van een raamplaatsje verzekerd en kijk omlaag. Zoals gewoonlijk doe ik met mezelf het spelletje: 'wanneer weet ik waar ik ben?' Ha, daar heb je de Belgisch-Nederlandse grens: waar Zeeuws-Vlaanderen begint, worden de akkers en velden meteen een stuk groter. In België moet de ruilverkaveling nog beginnen. De Westerschelde, Zeeland, Rotterdam... jazeker, de landkaart klopt.

Maar dan. Verder dalend scheren we over een eindeloos lijkend mozaïek van kavels en slagen, in water gevat. Een rijkdom aan groen in een overweldigende variatie aan tinten. In dit uitgestrekte eilandenrijk van Hollands midden en het Groene Hart is het godsonmogelijk de plassen, dorpen en veenstroompjes onder me thuis te brengen. En dat midden in een van Europa's dichtst bevolkte gebieden.

Pas op het laatste moment, als de strenge verkaveling van de Haarlemmermeer onder ons aan komt schuiven, weet ik waar ik ben. Meteen daarna voel ik hoe de wielen de baan raken – we zaten al vlak bij de grote stad.

Ja, het glas is nog half vol, nu, als je er oog voor wilt hebben. Wat zou Nescio gezegd hebben als-i naast me had gezeten? Vermoedelijk was hij zich te pletter geschrokken vanwege alle rothuissies die hij zag, de gekapte bomenrijen en de betonnen bruggen, geplempt over die mooie veenstroompjes. Maar het is mijn geluk dat ik Nederland niet gekend heb in zijn tijd. Dat is de ruimtelijke variant van de Gnade der Spätgeburt. Misschien zullen mijn achterkleinkinderen straks met evenveel vertedering neerkijken op dat pointillistische landschap. Elkaar aanstoten en roepen: 'Kijk, týpisch Nederlands!'

Terug naar overzicht met artikelen