HET NIEUWE EUROPA: EEN GEURVERSLAG

 

[ Natuur en Milieu, juni 2004 ]

 

Ruim tien jaar geleden maakte ik een wandeltocht in Tsjechië. Van al mijn herinneringen aan die reis is er één waarin alle indrukken zich lijken samen te ballen: de bruinkooldamp die je rook zodra je uit het bos afdaalde naar een dorp. Het was een geur die hoorde bij stof en stank, bij armoede en bij besnorde mannen in uniform die intimiderend doen en je tijd roven. Aan de hand van geuren kun je met je ogen dicht vaststellen waar je bent. Was dit land eigenlijk wel klaar voor Europa? Met je neus beschik je over een perfecte ingebouwde geur-ontwikkelingsmeter.

            Welke geur is de meest betrouwbare indicator? Ik denk die van rook. Waar mensen zijn is vuur en waar vuur is, is rook. De eerste nacht van mijn verkenningstocht door Midden-Europa bracht ik door in Bad Gastein, Oostenrijk. Het rook er naar vers gestookt hakhout, een prikkelende geur die louter hartelijkheid en geborgenheid in herinnering riep. Rondwandelend in de Savinjavallei in Slovenië, waar nog veel 'bergboeren' hun koeien laten grazen op alpenweiden, snoof ik dezelfde biologisch verantwoorde geur op. Slovenië, eigenlijk een soort mini-Oostenrijk, is meer dan rijp voor de EU!

            In het volgende land dat ik bezocht, Hongarije, was de rookgeur minder fris. De houtgeur was er gemengd met die van brandend vuilnis, en plastic. Ook niet onaangenaam, vond ik, maar dan meer vanwege de avontuurlijke associaties – niet om de geborgenheid. Deze geur deed me eerder denken aan de rooklucht van de Derde Wereld.

            In het Centraal Station van Boedapest rook ik een andere oude lucht: er hangt nog steeds een onmiskenbare koolmonoxidedamp, alsof de laatste stoomtrein zojuist is vertrokken. In de restauratie trof ik een compleet geurorgel, het kostte me heel wat concentratie om de samenstelling ervan te ontcijferen. Rokerig en bedompt, natuurlijk. Bonensoep, pis- en pilsflarden - allemaal goed en wel, maar dat was niet waar het om ging. Deze mix kreeg z'n unieke flavour door een ingrediënt dat alleen in Midden-Europa wordt gebrouwen: een soort vettigheid van eeuwenoude herkomst - de Habsburger boerenman zou zich hier met z'n ogen dicht ogenblikkelijk thuis voelen. Koningen en keizers, nazi's en communisten kwamen en gingen, maakte allemaal niks uit - deze geur overleefde het.

            Is het reuzel? Spek? In ieder geval hebben varkens er wat mee te maken. Overal in de winkels zie je hier stapels vette varkensworst en uitgebakken spek liggen. Bij verschillende boeren heb ik in de schoorsteen 'zijden' spek zien hangen, die daar werden gerookt. Ik had nog nooit een 'zijde spek' gezien - ik kende de uitdrukking alleen uit sprookjes en oude verhalen - maar hier wist ik meteen: dit moet er eentje zijn!

            In de nieuwe EU-landen is men het vette hapje nog niet voorbij. Achter de toonbank van de vleeswinkels staan vrouwen met rode gezichten onbekommerd dik te wezen. Misschien getuigt dik zijn hier nog van weelde, zoals een rijke boer vroeger ook bij ons als een 'dikke boer' werd aangeduid.

 

* * *

 

Bij de grens tussen Hongarije en Slowakije sloeg mijn geur-ontwikkelingsmeter heftig naar beneden uit. De trein reed langs de idyllische Donaubocht, een schitterend rustiek rivierenland, dunner bevolkt en mooier dan de Rijn. Maar zodra we Stúrovo naderden, het eerste stadje in Slowakije, drong een penetrante bruinkoollucht de coupé binnen. Buiten zag ik een daarbij passend stadslandschap: betonnen volksflats, betonnen stations, betonnen seinwachtershuizen, al gauw de eerste betonnen verlaten volksboerderij. Slowakije staat nog steeds een beetje in een kwade reuk: die van het stalinisme.

            Ook in Silezië, het Zuid-Poolse industriegebied, is die combinatie van kolendamp en troosteloosheid onontkoombaar. Bij het doorkruisen van Katowice kwam de ene na de andere kolentrein ons tegemoet. We reden door uitgestrekte en afzichtelijk lelijke voorsteden: alles ooit groot opgezet, daarna vervallen en in de steek gelaten zonder dat iemand zich geroepen voelde om het op te ruimen. Eindeloze verlaten spooremplacementen met verroeste staketsels erlangs, rottende flatgebouwen, vaak nog verdrietiger doordat ze ooit in lila of lichtgroen waren gedacht, pikzwarte poelen en kanalen waarlangs zich armoedige mensen voortbewogen.

            Dit was het Polen zoals ik het verwachtte, de hopeloze erfenis van het koolmonoxide-communisme. Maar naarmate ik noordelijker kwam, werd me duidelijk dat dit beeld ook op een vooroordeel berust. Het Poolse platteland is verreweg het mooiste gebied dat ik op mijn reis tegenkwam. En ook hier waren het de geuren die me daarmee onweerstaanbaar confronteerden.

            Als je geuren op een matrix zou kunnen afzetten, dan kom je in Polen de beide uitersten tegen. Een paar honderd kilometer ten noordoosten van Katowice, aan de rand van het Biebrzamoeras, sta ik 's avonds voor het open raam van het opkamertje waar ik de nacht doorbreng, in een kleine boerderij. Ik zie een dorpsstraat met houten hekken, geplaveid met keitjes. Daarboven spant zich een fluorescerend sterrengewelf, met een hel gele avondster en een oranje maansikkel - dezelfde tinten waarmee de enorme rietvelden in het moeras zich tooien. De stilte is oorverdovend en wordt geaccentueerd door het geklepper van ooievaars en het kikkerconcert even verderop.

            Maar het gevoel op een heel bijzondere plek te zijn, wordt vooral opgeroepen door de geur. Lang vervlogen sensaties worden opgewekt door geluiden, bloemen, dieren, maar geuren zijn het meest evocatief - dat wist ik. Maar hier sta ik op een plek die herinneringen oproept aan een wereld die ik zelf nooit heb meegemaakt, en toch op de een of andere manier herken.

            Ooit ontwikkelde de historicus Jan Romein het leerstuk van het 'Algemeen Menselijk Patroon'. Hij duidde ermee de agrarische samenlevingsvorm aan die in de hele wereld toonaangevend was voordat in het westen het kapitalisme en het protestantisme opkwamen. Het was een romantisch beeld, dat veelvuldig is bekritiseerd: een statische wereld, waarin alles draaide om familie, buren en dorpsgemeenschap, en waar winstbejag onbekend was. Maar romantisch of niet - ik meen hier iets op te snuiven van een 'Algemeen Menselijke Geur'.

            Kan water ruiken? Heeft zuurstof een geur? Sinds mijn bezoek aan het Biebrzamoeras weet ik: ja. De avondgeur is ervan verzadigd - als grondtoon van een delicaat bouquet dat zich laat beschrijven als een Grand Cru op een wijnkaart. Naast de robuuste body van water en zuurstof heeft deze Algemeen Menselijke Geur een kruidige neus van hooi- en mestaroma's (het echte spul, uit de potstal). Geraffineerde tonen van een worst in de schoorsteen en een varken in de schuur. Een licht vermoeden van wilde kersenbloesem en een vleugje boenwas, dat komt aandrijven vanuit de gang.

            Deze mix heeft alleen goede connotaties en maakt gelukkig. Waarom? Op de een of andere manier is deze geur 'af' - je zou er niets aan willen toevoegen of afdoen. Het is het aromatisch equivalent van zo'n romantisch schilderij van een huisje in het bos of een châlet met alpenweitje plus koe met bel. Een geur die verwijst naar eeuwenlang leven en werken met simpele middelen. Deze geur is niet bedoeld om lekker te ruiken, maar juist daarom vind ik haar zo aangenaam.

 

* * *

 

Niet alleen in de Biebrza heb ik die Algemeen Menselijke Geur geroken - ook in de Hongaarse puszta en de uitgestrekte bossen van Letland - in grote delen van het Midden-Europese platteland dat sinds 1 mei deel uitmaakt van onze Unie. Je zou er een hek omheen of een stolp overheen willen zetten: houden zo!

            Maar als ik eerlijk ben en mijn geur-ontwikkelingsmeter ook op dit verloren paradijs loslaat, dan zou de naald wel eens lelijk naar beneden kunnen uitslaan. De boertjes die leven temidden van deze idyllische geuren, moeten nu met hun schamele landbouwproductie de nieuwe Europese markt op. Waar zal dat toe leiden?

              Ergens op de Hongaarse puszta zit ik in een laag, bruingestookt boerenhuisje. Het ruikt er muf: een bestorven brandlucht met een vleug mensenpoep. Als ik me naar mijn bejaarde gastheer overbuig, ruik ik een onmiskenbare alcohollucht. Van verder weg komt de stank van een dood beest aangedreven. Dit is niet die lucht waar het leven goed is, maar de geur van de armoede. Ook dat is het nieuwe Europese platteland.

 

Terug naar overzicht met artikelen