BESNIJDEN, HET WEIGEREN VAN VACCINATIE; DAT GEBEURT NIET OM HET GELOOF

 

[NRC Handelsblad, 8-9-12 ]

 

Dit verhaal gaat over kinderen van orthodox-religieuze ouders in Nederland, en ik begin met de volgende herinnering:

Vorig jaar maakte ik een reis door Malawi, waar onze gids Simeon vertelde over de 'hyena'. Bij een van de plaatselijke stammen gaan meisjes tegen hun tiende jaar naar een kamp in de bush. Daar worden ze ontmaagd, in serie, door een jongen die is aangewezen door de traditionele chief. Die jongen is de hyena.

Wij keken elkaar sprakeloos aan, dit moest een broodje-aap verhaal zijn. Maar Simeon was bloedserieus.

'En die hyena,' vroeg iemand aarzelend, 'wordt die getest op aids?'

Het antwoord was kort. 'Nee.'

'Maar die ouders,' vroeg een ander, 'doen die daar dan niets tegen?'

'Nee,' zei Simeon weer. 'Ze willen wel, maar de sociale druk is te groot, je kunt je er niet aan onttrekken. Het enige wat je kan proberen, is zorgen dat je dochter ver van huis is tijdens die initiatie.'

         

Verworven rechten

Mag je dit hyena-verhaal vergelijken met gebruiken die in ons eigen land plaatsvinden, zoals het besnijden van kinderen? Dat hangt ervan af. Meisjesbesnijdenis wordt in ons deel van de wereld even hartgrondig verafschuwd als zo'n hyena-ritueel. Maar jongensbesnijdenis kent geharnaste verdedigers, die in woede zullen ontsteken bij deze vergelijking.

Vanwaar dit verschil? In veel gevallen komt meisjesbesnijdenis neer op ernstige verminking, terwijl het bij jongens gaat om een kleine ingreep die volgens velen gunstig is voor hygiëne en gezondheid. Maar er is ook nog een ander verschil: meisjesbesnijdenis geldt als een cultureel gebruik dat zijn oorsprong vindt in primitieve stamgewoonten, maar jongensbesnijdenis heeft een religieuze betekenis.

In het debat dat in Duitsland is losgebarsten naar aanleiding van de rechterlijke uitspraak om jongensbesnijdenis te verbieden, speelt dit punt een hoofdrol. Hetzelfde geldt voor de discussie in deze krant. In verschillende bijdragen werd de kritiek op jongensbesnijdenis toegeschreven aan anti-religieuze sentimenten.

De meest uitgesproken vertolker van dit standpunt was de Britse socioloog Frank Furedi. Hij schilderde de bezwaren tegen jongensbesnijdenis af als een kruistocht van een internationale anti-godsdienstlobby en een samenzwering van antigeloofsactivisten, paternalistische geestdrijvers, misantropische fanatici en paranoïde dogmatici die erop uit zijn de praktijk te demoniseren.

Bottomline van Furedi's tirade: de joden doen het al heel lang zo, het is een integraal onderdeel van hun religieuze identiteit, dús mag niemand er aan tornen. Bovendien is opvoeden nu eenmaal een kwestie van beslissingen nemen die de levens van je kinderen beïnvloeden. Je zoon laten besnijden is ook zo'n beslissing, dus waarom zouden we daar opeens moeilijk over gaan doen?

Het is een redenering die om verschillende redenen haar doel voorbij schiet. Een goede opvoeder zal zijn kind zo veel mogelijk vrij laten in zijn keuzen. Daar komt bij dat het hier gaat om een fysieke ingreep, die anders dan andere opvoedingsdaden absoluut en onherstelbaar is. En ten derde: volgens deze gedachtegang zouden ouders bijvoorbeeld ook het volste recht hebben hun kinderen bepaalde medische interventies te onthouden met een beroep op hun godsdienst.

Zeker in Nederland legt dat laatste punt gewicht in de schaal. Ook het onthouden van vaccinaties tegen infectieziekten aan kinderen is immers zo'n ouderlijk besluit waarvan de gevolgen niet kunnen worden teruggedraaid. Nederland telt enkele honderdduizenden leden van de Gereformeerde Gemeenten en enkele kleinere orthodox-gereformeerde kerkgenootschappen die vaccinatie afwijzen als strijdig met het vertrouwen op Gods voorzienigheid.

De gevolgen voor hun kinderen kunnen ernstig zijn. In 1999/2000 kregen drieduizend kinderen in de bible belt mazelen, van wie er drie stierven en vierhonderd ernstige complicaties ondervonden. Vijf jaar later werd hetzelfde gebied getroffen door een rodehond-epidemie, met als gevolg twee doodgeboren kinderen en veertien met aangeboren afwijkingen.

Nederland is volgens de WHO het enige westerse risicoland voor polio. Sinds het beschikbaar komen van een vaccin in 1957 zijn er alleen nog uitbraken geweest in de gebieden waar grote aantallen ongevaccineerden bij elkaar wonen. In totaal werden daarbij ruim tweehonderd kinderen ziek, van wie er zeven stierven en velen gedeeltelijk verlamd bleven.

Buiten de bible belt kan het virus zich niet verbreiden doordat Nederland als geheel een hoge vaccinatiegraad kent. Daardoor wordt de 'volksgezondheid' niet in gevaar geacht en heeft de overheid nooit een wettelijke vaccinatieplicht ingevoerd zoals die wel bestaat in België en andere landen.

Een kind tot twaalf jaar is voor de wet nog niet wilsbekwaam. Zijn grondwettelijk recht op onaantastbaarheid van het lichaam wordt door de ouders waargenomen. Die ouderlijke macht is aan grenzen gebonden; zo mogen zij hun kinderen geen noodzakelijke medische zorg onthouden.

Om die reden krijgen Jehovah's Getuigen, die bloedtransfusie weigeren voor zichzelf en voor hun kinderen, te maken met wettelijke beperkingen. Zij komen niet in aanmerking als adoptieouders. Verkeert een kind van Jehovah ouders in een levensbedreigende situatie, dan zijn hulpverleners verplicht het belang van dat kind te laten prevaleren en toch tot transfusie over te gaan. Zo nodig kan de rechter daartoe de ouders tijdelijk uit de ouderlijke macht ontzetten.

Dat orthodox-gereformeerden hun kind wél vaccinatie mogen onthouden, is het gevolg van een redenering waaraan de farizeeërs nog een puntje kunnen zuigen. Het kind is op het moment van de vaccinatie nog niet ziek, dus is de ingreep niet noodzakelijk, dus wast de wetgever zijn handen in onschuld als zo'n kind later ziek wordt of doodgaat. Een modern kinderoffer om God niet te verzoeken en om de lieve poldervrede niet in gevaar te brengen.

In Nederland wordt een vaccinatieplicht alleen afgekondigd als dieren in gevaar zijn, zoals bij de Q-koorts. Of militairen: wie als militair wordt uitgezonden, moet zich verplicht laten vaccineren. Maar voor kinderen bestaat geen vaccinatieplicht.

 

Groepsdruk en angst

Is deze cynische opstelling van de overheid al moeilijk te begrijpen, helemaal raadselachtig wordt het als het om de ouders gaat. Waarom werken zij eraan mee dat hun kinderen overbodige fysieke ingrepen ondergaan of dat hen juist noodzakelijke ingrepen worden onthouden?

In een klassieke VN-reportage over polio in het streng-gereformeerde Opheusden citeren Elma Verheij en Gerard van Westerloo de slachtoffers en de wijkzuster. De slachtoffers zeggen: onze ouders deden het niet vanwege hun geloof, maar vanwege de buren en de dominee. De wijkzuster vertelt dat sommige jongeren 's avonds in het donker voor een injectie komen. 'Of er komen moeders die het voor hun man of voor hun grootouders niet willen weten.'

Zo houden angst en sociale druk een gewoonte in stand waaraan iedere zin ontbreekt. In de Kamer is de SGP, spreekbuis van de Gereformeerde Gemeenten, voorstander van vaccinatie. Als het om vee gaat, dan. Maar als de plaag kinderen bedreigt, is ze door God gezonden en dat is een andere zaak.

Een consequent afgedwongen vaccinatieplicht zou door veel orthodox‑gereformeerde ouders met een stille zucht worden verwelkomd. Een zucht van verplichting. Eindelijk iets om je tegenover de dominee en de buren op te beroepen, met Romeinen 13 in de hand: gij zult de boven u gestelde overheid gehoorzamen.

Ook veel ouders van Somalische meisjes - de belangrijkste groep die in Nederland aan het gevaar van besnijdenis blootstaat - zouden ongetwijfeld zo'n zucht slaken als ze bevrijd zouden worden van de enorme druk waaraan ze blootstaan. Ook zij continueren het ritueel uit angst: een meisje dat niet besneden is, zal binnen de eigen groep niet gemakkelijk een huwelijkspartner vinden.

Vrouwenbesnijdenis is in Nederland streng verboden. Terwijl de voorhuid van jongens vogelvrij is, wordt ook de mildste vorm van meisjesbesnijdenis - een symbolisch prikje in de clitoris onder medisch toezicht - als genitale verminking aangemerkt.

Volgens een GGD-onderzoek uit 2009 sorteert het verbod nauwelijks effect. Jaarlijks worden waarschijnlijk tientallen in Nederland wonende meisjes besneden - de schattingen lopen uiteen omdat prevalentie-onderzoek nooit is gedaan. Om zicht op het probleem te krijgen, zou controle nodig zijn, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk gebeurt, waar meisjes tot twee jaar periodiek worden onderzocht. In Nederland wordt dat juridisch onhaalbaar geacht: artsen mogen niet zonder directe medische aanleiding controleren en bovendien zou het 'discriminerend' zijn alleen meisjes uit risicolanden te onderzoeken.

Naar aanleiding van het onderzoek uit 2009 sprak een Kamermeerderheid zich uit voor periodieke controle. 'Hoezo discriminatie?' vroeg toenmalig VVD‑Kamerlid, nu minister, Edith Schippers zich af. 'Ik vind het juist discriminerend als je niks doet. Dit moet veel strenger worden aangepakt.' Een jaar later adviseerde de RVZ periodieke controle van de genitaliën van alle schoolgaande kinderen en een aangifteplicht voor gezondheidswerkers. Er kwam niets van terecht en nog steeds is in Nederland voor dit misdrijf nooit vervolging ingesteld.

Ook bij jongensbesnijdenis mag de vraag worden gesteld wat ouders ertoe beweegt. Zijn de officieel geldende redenen ook de echte? 'Mensen laten hun kind niet besnijden om dichter bij God te zijn, maar om geen afstand te scheppen tot de groep waartoe ze willen behoren,' stelde schrijver Said El Haji in de Volkskrant (14 januari 2012). 'Niemand weet nog wat de symbolische waarde ervan is.'

Mary van Veen-Victor, die promoveerde op jongensbesnijdenis, is nog stelliger: 'Het is angst: dat het kind niet bij de groep zal horen, maar misschien ook wel dat de groep waartoe ze zelf behoren en waarnaar ze hun hele leven hebben ingericht, zal verdwijnen' (Het Parool, 6 oktober 2004). In feite zegt zij: door hem te laten besnijden, gijzelen ouders hun zoon om hun eigen angsten te bezweren.

We raken hier aan een bezwaar dat in het debat nog weinig aandacht heeft gekregen: besnijden is een vorm van letterlijk 'inlijven'. Voor joden geldt het als teken van hun verbond met God. Er wordt dus niet alleen een onomkeerbare fysieke ingreep verricht, maar ook nog eens met het doel je voor altijd kenbaar te maken als lid van een club waarvan je zelf niet gevraagd hebt lid te mogen zijn.

 

Godsdienstje pesten?

Angst en conformisme zijn niet alleen kenmerkend voor zo'n hyena-ritueel in Malawi, maar spelen ook een rol bij gewoonten in ons eigen land die de gezondheid of de fysieke integriteit van kinderen aantasten. Of die gewoonten al dan niet een religieuze achtergrond hebben, is van geen enkel belang voor de kinderen om wie het gaat. Het enige wat telt, is dat zij het recht hebben beschermd te worden tegen gezondheidsrisico's en fysieke ingrepen waar ze niet om hebben gevraagd.

Ook jongensbesnijdenis tast die bescherming aan, het is een ingreep die risico's oplevert en waarvoor geen dwingende reden bestaat. Probeer trouwens maar eens uit te maken of jongensbesnijdenis nu wel of niet kan worden teruggevoerd op een religieuze bron. Joden kunnen zich erop beroepen dat jongensbesnijdenis in de Thora wordt genoemd, maar voor moslims is het geen religieus voorschrift. Het staat niet in de Koran, maar het is wel gebruikelijk omdat de profeten na Ibrahim besneden waren. Mohammed zou volgens de Hadith, de overgeleverde commentaren op de Koran, zelfs besneden en al geboren zijn!

Het debat over besnijdenis en aanliggende kwesties wordt dus op geen enkele manier vooruitgeholpen door de bezwaren toe te schrijven aan een antireligieuze stemming. Van zo'n stemming is ook helemaal geen sprake. Ook in de seculariserende westerse samenlevingen geniet religiositeit nog veel eerbied en respect, juist waar het gaat om traditionele kerkelijke overtuigingen als jodendom en christendom.

Het enige wat er gebeurt, is dat kerken sommige van hun 'verworven rechten' verliezen omdat die op gespannen voet staan met de wet. Op zichzelf is dat niets nieuws - het is een stap in een proces dat al eeuwen gaande is, waarbij de staat zijn invloed over steeds meer levenssferen uitbreidt. Zo leefden de Nederlandse joden tot 1796 in eigen 'naties', met zelfgekozen gezagdragers die in civiele zaken ook recht spraken. De Fransen maakten een eind aan die uitzonderingspositie.

Honderd jaar later gebeurde hetzelfde met het recht van katholieke kerkelijke rechtbanken om recht te spreken over geestelijken en andere kerkelijke ambtsdragers. Informeel behield de katholieke wereld tot diep in de vorige eeuw trekken van een 'staat in de staat', krachtig genoeg om kindermisbruik en zelfs infanticide onder de kalot te houden. Nu komt er een eind aan de bereidheid om dat door de vingers te zien. Hetzelfde geldt voor de praktijk van de SGP om vrouwen te discrimineren. Dat wordt niet langer gedoogd - niet omdat de SGP een religieuze grondslag heeft, maar omdat artikel 1 van de Grondwet discriminatie verbiedt.

Deze proliferatie van de staat beperkt zich ook helemaal niet tot het religieuze domein. Zie bijvoorbeeld het biechtgeheim, dat tegenwoordig allerwegen onder druk staat als het gaat om kindermisbruik. In België is een discussie over afschaffing in volle gang. Een uiting van godsdienstje pesten? Welnee, hetzelfde geldt voor het beroepsgeheim van artsen. Die hebben sinds 2008 een meldingsplicht als er sprake is van kindermishandeling.

Zo worden ooit verworven groepsprivileges steeds meer getoetst aan de voor iedereen geldende regels. Een ontwikkeling die te maken heeft met voortschrijdende democratisering, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zelfbeschikkingsrecht en een bredere werking van het informed consent‑beginsel.

Deze lange-termijnprocessen verlopen niet gelijkmatig, maar met vertragingen en schokken. Een kwarteeuw doorgeslagen cultuurrelativisme vrijwaarde wellicht niet alleen nieuwe culturele minderheden maar ook gevestigde religieuze organisaties van plichten die voor anderen wel gelden. De overheid stelde zich terughoudend op, angstig om haar handen te branden aan deze gevoelige materie. Dat er nu kritiek wordt geleverd, betekent alleen maar dat een inhaalmanoeuvre op gang komt.

Twee gevoeligheden botsen daarbij: die voor religieuze privileges neemt af, die voor de lichamelijke integriteit van kinderen neemt toe. Niet toevallig wordt het beroepsgeheim van artsen en geestelijken vooral ingeperkt waar het lot van kinderen in het geding is. Het debat over jongensbesnijdenis valt op dezelfde manier te duiden. Maar ook deze inhaalmanoeuvre verloopt schokkerig en inconsistent. Veel ernstiger kwesties als het niet vaccineren van kinderen en het niet effectueren van het verbod op meisjesbesnijdenis blijven nog buiten schot. Niet alleen deze gewoonten zijn deels terug te voeren op angst; hetzelfde geldt voor de terughoudendheid bij het bestrijden ervan.

           

Terug naar overzicht met artikelen