EEN DERDE WEG VOOR DE CHRISTENUNIE

 

[ Handschrift, december 2003 ]

 

Na de tegenvallende verkiezingsresultaten in 2002 en 2003 is de ChristenUnie in een proces van soul searching beland. Was de nieuwe partij te ver van zijn beginselen afgedreven? Was het hoogmoed, te denken dat ook van buiten de vertrouwde achterban kiezers konden worden aangetrokken?

            Eén van de commentatoren was Ab Klink, directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA. In het Nederlands Dagblad van 2 november 2002 luidde hij in feite de doodsklok over de ChristenUnie. De partij kon niet voor- en niet achteruit, constateerde hij. Niet terug naar de getuigenispartij, omdat de achterban zich emancipeert en minder nadruk legt op de oude dogma's. Maar ook niet vooruit, die emanciperende achterban achterna, omdat de partij dan niet veel anders zou worden dan een mini-CDA, en nog meer te lijden zou krijgen van het Balkenende-effect.

            Ik denk dat Klink ongelijk had met deze fatale diagnose. Er is een derde weg. Bij de laatste verkiezingen werd ik regelmatig aan mijn jasje getrokken door kennissen die de stemwijzer hadden ingevuld en tot hun verbazing op de ChristenUnie waren uitgekomen. Dat was toch dat partijtje waar ik al een tijd op stemde? Kon ik ze daar wat meer over vertellen? Was het bijvoorbeeld waar dat er geen vrouwen lid van mochten worden?

            Ik gaf dan een klein college over de verschillen tussen CU en SGP en over de standpunten van de ChristenUnie op gebieden als milieu, zorg, inkomenspolitiek en de publieke sector - standpunten waaraan de linkse partijen in veel opzichten een puntje konden zuigen. Meestal kreeg ik dan glazige blikken te zien, en het verbaasde me dan ook niet dat ik, als ik ze later vroeg waar ze op gestemd hadden, meestal een andere partij te horen kreeg.

            Dat had anders kunnen zijn als de ChristenUnie zich veel meer had geprofileerd op de feitelijke beleidsopvattingen die ze uit haar getuigenis-achtergrond distilleert. Het is niet waar, zoals Klink meent, dat er een tegenstelling zou zijn tussen die twee dingen. Zwevende kiezers zijn pragmatisch: ze maken lijstjes. Als een partij veel van de punten op hun lijstje waarmaakt, stemmen ze daarop. Dat die punten voortkomen uit een overtuiging die wellicht de hunne niet is, maakt daarbij weinig uit. Zie het succes van de Socialistische Partij. Daarop stemmen zowel gestaalde linkse kaders als gewone mensen. Waarom zou de ChristenUnie dat ook niet voor elkaar krijgen?

            Maar dan moeten die zwevende kiezers dat wel te horen krijgen. De ChristenUnie heeft een hele serie punten in huis die zij, of haar voorgangers, altijd al riepen en die nu schoorvoetend door andere partijen worden overgenomen. Dat geldt voor immigratie en integratie, een gezond subsidiariteitsdenken met betrekking tot de EU, niet aan de markt verkwanselen van de spoorwegen en andere publieke voorzieningen, en een consequente, zuivere staatsopvatting.

            Als de ChristenUnie daarmee nu eens uitdrukkelijk voor het voetlicht trad, naast de vertrouwde punten als abortus, euthanasie en zondagsrust. Dan weten ook de niet-christelijke kiezers welk lijstje ze moeten afvinken. Bij de laatste verkiezingen was dat niet zo.

Terug naar overzicht met artikelen