POLDEREN OP ZEE

 

[MyWorld, september 2013]

 

Twaalf jaar geleden stak ik samen met mijn dochter over van Vlissingen naar Paramaribo. We waren de enige passagiers op de Sierra Nafria, een Engels schip dat zijn laatste reis maakte als bananenboot. Van de bemanning waren alleen de hoogste officieren Brits. Zij vormden de elite, maar een benarde elite. Buitenlanders rukten op naar de brug: behalve de matrozen waren ook de tweede en de derde stuurman Filippino's. Tussen de twee nationaliteiten bestond een strenge apartheid. De stuurboordkant was het domein van de Britten, de bakboordzijde van de Filippino's.

     De Britten werden er ook niet vrolijker op door de aanwezigheid van drie Spaanse officieren - verkenners van de firma die na deze reis aan de haal zou gaan met hun prachtige schip. In de pikorde stonden de Spanjaarden nog lager dan de Filippino's. Een eigen territoir hadden ze niet - ze klonterden kettingrokend samen in de bijkeuken. Niemand praatte méér met ze dan nodig was, ik ook niet, in een soort aanpassing aan onze Britse gastheren.

     'Dus jij bent daar gevoelig voor?' riep mijn dochter verontwaardigd. Ze had gelijk. Het was een beetje slap. Heel erg slap eigenlijk.

     Maar dat ging zomaar niet! Ik ging daar wat aan doen. Ik zou de vredestichter te worden op deze verscheurde notendop, zodat toch nog alles goed zou komen, tot bewondering van mijn dochter. Na het eten liep ik de bijkeuken binnen: '¿Me prestas un cigarillo?' De Spanjaarden ontvingen me wantrouwend, maar de stroeve sfeer was gauw doorbroken. Niet onopgemerkt: toen ik het kamertje verliet, stuitte ik op de eerste machinist. 'En?' vroeg hij. 'Wat heb je besproken met de Spaanse inquisitie?'

     Twee weken lang polderde ik erop los, probeerde bruggen te bouwen, het gesprek gaande te houden. Met weinig succes. Bij aankomst in Paramaribo besloot ik op de valreep de definitieve verzoening op mijn naam te brengen. Ik nodigde de hele bemanning uit in een gezellig Javaans eettentje. Daar zaten ze dan... soort bij soort in een zompig zwijgen. Alleen de Flippijnse kok deed zijn best met gemaakte vrolijkheid. Zelf praatte ik volgens mijn dochter veel te hard in mijn pogingen de stiltes te overstemmen. Niemand bestelde koffie en na het eten maakte ik er zo gauw mogelijk een eind aan. Ach, ik had ze gewoon in hun sop moeten laten gaarkoken.

           

 

Terug naar overzicht met artikelen