COMEBACK KID OP DE CAMINO

 

[Jacobsstaf, december 2013]

 

In 1989 maakte Herman Vuijsje zijn 'omgekeerde' pelgrimstocht van Santiago naar Amsterdam en schreef daarover het boek Pelgrim zonder god. Ter gelegenheid van dit jubileumnummer gaat hij bij zichzelf te rade en vraagt zich af: wie is er in die kwarteeuw het meest veranderd, de camino of ikzelf?

'De vloer van de keuken is geplaveid met stukken steen van bijna een vierkante meter. Midden in de ruimte smeult een vuur, onder een hoge schoorsteen. Ik ga me tegoed doen aan droge worst, heel dik wit spek, grijs brood en veel wijn. De halve varkenskop die voor me ligt met zijn rij grote bruine tanden laat ik nog maar even rusten. De boer gaat mee-eten. Hij pakt de varkenskop, en kiest nauwkeurig een lekker stuk uit; hij haalt een mooi stuk weg tussen de oogholte en de bovenlip.'

     Vraagje: wanneer is dit geschreven? Is Domenico Laffi hier aan het woord, de Italiaan die in 1681 een ijzingwekkend pelgrimsverslag afleverde? Zijn landgenoot Francesco Piccardi uit 1472 dan misschien? Nee, het citaat dateert van 1970. Dat jaar publiceerde Hans Burgman een bescheiden boekje over zijn tocht naar Compostela, onder de al even bescheiden titel Dagboek van een pelgrim. Een jaar tevoren was Burgman, priester en filosoof, naar Santiago getrokken. Met zijn reisverslag liep hij vooruit op de golf van Santiagoliteratuur die pas twintig jaar later op gang zou komen.

     Burgmans verhaal is een juweeltje van toegewijd waarnemerschap en ingehouden humor. Als de boer hem uitnodigt ook toe te tasten van de varkenskop, excuseert hij zich bijvoorbeeld haastig: hij moet hoognodig verder om die dag Ligonde, Lestedo en Arzúa te halen.

     Ligonde! Meteen drijven me weer de kinderstemmen tegemoet die ik hoorde toen ik in 1989 op mijn eigen pelgrimstocht dat Galicische dorpje naderde: ¡Llega un peregrino! Later las ik dat ook Karel V en Philips II in het gehucht hebben overnacht op hun tocht naar de apostel. Tussen hun tijd en de tocht van Burgman was er langs de camino niet al te veel veranderd. Spanje was nog geen lid van de EEG, Galicië was aan de rafelrand van Europa half in de middeleeuwen blijven steken.

     Tegenwoordig is de EU diep doorgedrongen in Spanje, ook op het Galicische platteland bracht ze asfalt en beton op grote schaal. Het pelgrimstoerisme wordt op moderne leest geschoeid. Zandpaden worden geasfalteerd, boompjes geplant om de pelgrim op de kale meseta voor de zon te behoeden. En wegwijzers neergezet, wegwijzers en bordjes tot je er gek van wordt.

     In 2004 was ik terug bij de Ermita de Perales, een afgelegen kerkje in de buurt van Sahagún waar ik in '89 pauzeerde. Behalve het kerkje was er toen niks - totale verstilling. Nu trof ik er een complete kermis van picknickzitjes, plaquettes met uitleg, een verhard pad met een maffe nikkelen poort eroverheen en marmeren zuiltjes die de afstand tot Compostela aangaven. Verdwalen op de camino kan niet meer.

     Het is goed bedoeld en begrijpelijk allemaal. Spanje wil meetellen in de wereld van doelgerichtheid en efficiëntie; verdwalen op een zandweg past daar even goed bij als een varkenskop op een ruwhouten tafel. Pelgrims, die willen toch naar Santiago? Laten we ze dan helpen om de apostel zo snel mogelijk te bereiken - zo ongeveer zullen ze redeneren, de apparatsjiks van het pelgrimstoerisme.

     Alleen lopen ze daarmee een ronde achter. Nog meer dan vroeger onderscheidt Santiago zich van andere bedevaartsoorden doordat niet de aankomst telt, maar de weg. Doelgerichtheid en efficiëntie? Daarvan is ons dagelijks leven al tot berstens toe doordrongen. We gaan juist op pelgrimstocht om daarvan eens een keer verlost te zijn.

     Een pelgrimage gaat niet meer over voleinding of beloning, maar over zelfinzicht en harmonie met je omgeving. Het laatste wat daarbij telt, is het volgen van de kortste weg. 'De kortste weg naar zelfinzicht' is een interne tegenspraak. Dat wist Nescio al, de schrijver/wandelaar wiens boeken verschenen in de Nimmer Dralend reeks. 'Wat akelig,' schreef hij daarover eens, 'iemand die nooit draalt. Je leeft pas als je zoo'n beetje draalt.'

     Frédéric Gros denkt er precies zo over. In zijn onlangs verschenen Wandelen, een filosofische gids schrijft hij: 'Door openbare lanen wandelen kan alleen maar slenterend, zodat je minieme ontdekkingen kunt doen, die een verrukking vormen voor de geest. Het is alsof de ziel, met een zoet lijntje afgeleid door het schouwspel van bloemen en horizonten, zichzelf een beetje vergeet.'

     De nieuwe pelgrimsroutes die de laatste tijd uit de grond schieten, hebben dan ook weinig op met die kortste weg. Ze doen eerder denken aan 'de omweg naar Santiago', het bekende boek van Cees Nooteboom. Santiago ligt in Zuidwest-Europa. Maar wie vanuit het Friese Sint-Jacobiparochie het Jabikspaad volgt, wordt eerst naar het noorden gestuurd - naar Zwarte Haan, de Kaap Finisterre van Friesland - en daarna naar het oosten, net als het mannetje in het logo van het Genootschap van Sint Jacob. Die nieuwe pelgrimspaden schieten dus niet op en dat is precies de bedoeling.

     Hans Annink, die in 1980 Hans Burgman opvolgde met zijn boek Een late pelgrim op de Melkweg, heeft die gedachte mooi uitgewerkt. In een lezing op een pelgrimsbijeenkomst vertelde hij Santiago niet te zien als bestemming maar als keerpunt. Hij keerde er ook echt om en liep terug naar huis. Misschien begon toen pas de echte pelgrimstocht, zei hij: geen haast meer, geen doel, omwegen waren oké, tijd om alles rustig te overdenken.

     'Aandacht' was het woord dat me te binnen schoot toen ik hem dat hoorde vertellen. Tegenwoordig zijn we allemaal aandachtjunks. Steeds op het vinkentouw om aandacht van anderen te oogsten via ons netwerk, via onze successen, via de sociale media. Onze eigen aandacht voor de buitenwereld is navenant versnipperd geraakt. Pelgrimeren is in beide opzichten een verademing. Je kan het even stellen zonder die continue bevestiging door anderen én je gunt jezelf tijd om aandacht te hebben voor je omgeving.

     Het is het soort aandacht dat protestantse kerkgangers elkaar toewensen bij aanvang van de dienst. 'Goede aandacht' voor de grote dingen die zich aandienen als je loopt naar het eind van de wereld en het diepst van je ziel. Of juist voor de kleine. Henk Burgman deed onderweg een diepgravend vergelijkend onderzoek naar de Westeuropese waslijnen. 'Sommige gaan van links naar rechts, andere van rechts naar links. Er zijn maar weinig lijnen die geheel willekeurig zijn.'

* * *

In 2004, een heilig jaar in Santiago, werd mijn aandacht, of ik het wilde of niet, ook op heel andere dingen gevestigd. Het heilig jaar werd gesponsord door Mahou, een biermerk. Telecombedrijf Movistar leverde onder de slagzin Haz tu proprio camino (Maak je eigen camino) alle info die de pelgrim nodig heeft, zoals kaartjes, mooie vergezichten en leuke hotelletjes. Altijd en overal bereikbaar, biertje erbij - écht pelgrim..!

     Maar één ding was niet meer verkrijgbaar: mijn favoriete pelgrimshebbedingetje. In 1989 was het in alle soorten en maten te koop: het houtgesneden beeldje van een patertje dat met wapperende soutane, zijn paraplu voor zich uit gestoken, optornt tegen de regen. Chove en Santiago staat erop, Het regent in Santiago. In 2004 vond ik één winkel waar ze er nog eentje hadden, maar het was mijn patertje niet meer, hij zag er fabrieksmatig uit en liep niet gebogen genoeg. De winkelier pakte de plumeau om het stof eraf te slaan, haalde z'n schouders op en zette hem terug.

     Dat patertje is klaarblijkelijk te serieus en te 'katholiek' voor de buspelgrims die nu de stad overstromen. Voor hen zijn er rijen gebakken beeldjes van de heilige met veel goud. En toverheksen en trollen met een pelgrimshoed, op een brommer.

     Vroeger trok de camino 'duizenden vechtersbazen en schooiers aan, grote groepen bedelende zigeuners, boeven uit heel Europa, wellustelingen, rondschooiende priesters, hoeren bij de vleet en nog veel meer mensen van het kwade leven in al zijn specialiteiten,' schreef de Spaanse journalist Jesús Torbado. Toen was het, als pelgrims je dorp naderden, geraden je kippen en je dochters binnen te halen.  

     Tegenwoordig zijn pelgrims de meest fatsoenlijke - en kapitaalkrachtige - types die je je kunt wensen. Ze voldoen voor honderd procent aan de omschrijving uit psalm 129: 'Welzalig zijn zij die onberispelijk van wandel zijn.' Nu zijn het de anderen, de bierverkopers en telecommers, de asfalteerders, toerisme-promotors en trollenfabrikanten die de camino onveilig maken.

     Dé camino? Míjn camino! In zijn fameuze pelgrimsgids van 1982, destijds de enige toeverlaat voor pelgrims op de camino, duidde don Elias Valiña die bewust aan als tu camino. Precies raak was dat. Ook al weet je van al die miljoenen voorgangers - als je de camino aflegt, wordt die een beetje van jou. En gruw en knarsetand je bij een bericht als dit, over de 'eerste Extreme spiritual MEGARACE', die in 2011 op de Tiroler Jakobsweg werd gehouden:

     'Talrijke internationale Extrempilger zullen het uiterste geven om de Jakobsweg te bedwingen. Deze genadeloze strijd is ook de opmaat voor een wereldwijde reeks pelgrimswedstrijden. Voor het spirituele welbevinden van de Extrempilger is een ervaren Amerikaanse veldprediker en tele-evangelist beschikbaar. Deze van talloze tv-formats bekende verrassingsgast heeft veertig dagen lang onder de verschrikkelijkste omstandigheden in de Mojave woestijn getraind om zich voor te bereiden.'

         

* * *

Tja, dat komt ervan als je terug blijft komen in Compostela - voor je 't weet word je een ouwe zuurpruim. Een fatsoenlijk pelgrim gaat één keer ter bedevaart en daarmee basta, maar ik kon net als zoveel anderen de lokroep niet weerstaan, werd een comeback kid op de camino en betaalde daarvoor met ergernis.

     Maar die herhaalde bezoeken aan Santiago hebben me uiteindelijk ook een ander inzicht opgeleverd. Dat realiseerde ik me in 2007, toen ik opnieuw terug was, dit keer om in drie dagen het traject van Santiago naar Kaap Finisterre te lopen. Na mijn 'omgekeerde' pelgrimstocht van 1989 werd ik daarmee misschien de enige pelgrim die twee keer uit Compostela is vertrokken, maar er nooit is aangekomen.

     Tegelijk voegde ik me hiermee juist in de grote stroom: steeds meer pelgrims beschouwen Santiago als een interessante tussenstop maar lopen door naar Fisterra om pas daar hun tocht te beëindigen. Wie dat erbij doet, slaat drie vliegen in één klap. Hij vindt aan de boorden van de oceaan een onmetelijk altaar voor een meer eigengereide spiritualiteit dan de kathedraal in het bedompte stadje kan bieden. Hij krijgt ook een laatste mogelijkheid om nog iets van het prehistorische Galicië te ervaren. Hier, waar het land bijna in zee tuimelt, kom je ze nog tegen, de in het zwart geklede mannetjes en vrouwtjes achter het ossenspan of voorovergebogen in hun minuscule veldjes.

     Maar de belangrijkste reden om die laatste dagen eraan vast te knopen, is het uitstel. Nog even... nog even verwijlen in die grazige weiden van het pelgrimsparadijs. Een paradijs dat geen bestemming is, maar een steeds wijkende horizon.

     Het kerkje van San Julián de Moraime is nog niet opgeleukt met frutsels en snufjes, maar gespaard in zijn grootse eenvoud. Onderweg naar Fisterra kwam ik erlangs en trof er een hoogbejaard patertje dat de mis opdroeg voor een stuk of wat ook niet meer zo jonge parochianen. Hij kwam aangescheurd in een aftands autootje, hees zich in zijn soutane en voltrok daarna de hele mis in z'n eentje. ¡Palabra de Dios! Schuldbelijdenis. Ave Maria. Zegen. Hij kuste het boek, hief hostie en bokaal, nipte van de wijn. Het parochievolk zat en stond, knielde, prevelde en echoode.

     Hier geen zelfonderzoek of eigengereide spiritualiteit - hier gaat alles volgens het oude boek. En dat vlak aan die pelgrimsroute naar Fisterra, waar jonge, hippe pelgrims passeren die letterlijk en figuurlijk 'Compostela voorbij' zijn.

     De camino verdraagt en absorbeert het allemaal moeiteloos. De massale toevloed van buspelgrims die trollenbeeldjes komen kopen en van Extrempilger op prestatietocht. De wandel- en fietsgrims op hun eenzame queeste. En de enkele vrome katholiek van de oude stempel. Je kunt in Santiago nog steeds een briefje scoren voor het hiernamaals.

     Die veelzijdigheid laat zien hoe goed de camino ook nu nog 'bij de tijd is.' Ooit begonnen als een trucje voor de simpelen van geest: een deal met God sluiten over korting op het vagevuur, met de Heilige Jacobus als makelaar. Nu, na een eeuwenlange reeks ups en downs, omgezwaaid naar het andere uiterste: een time-out om je met volle aandacht open te stellen voor jezelf en je omgeving, op de manier die jou het beste past.

     En die wegwijzers dan, het asfalt en de picknickzitjes? Ook daar komt de camino wel weer overheen. Het zou me niks verbazen als over tien, twintig jaar die boompjes zijn omgezaagd, het asfalt is weggehakt en de bordjes zijn verhangen of verdwenen, zodat pelgrims de geest in alle vrijheid kunnen laten dwalen. Of ze lopen via de satelliet op basis van een pelgrimsformat dat je kan programmeren volgens verschillende vrijheidsgraden. Met een persoonlijk ingestelde dwaalfactor, zeg maar.

     De openheid voor ieder die er wat mee wil, toont behalve de kwetsbaarheid ook de kracht van de camino. Het is en blijft een plek waar je zonder terughoudendheid tot jezelf kan keren - en met anderen kan verkeren. Daarom komt de camino altijd weer terug. En kom jij, als je niet oppast, altijd weer terug op de camino.

 

Van Pelgrim zonder god verscheen onlangs bij uitgeverij Atlas Contact de negende druk.

 

Terug naar overzicht met artikelen