HOE DE KERK HAAR LICHT HERVOND
Een kerstsprookje

 

[d'Oude Binnenstad, december 2017
PDF: Kerst 2017]

 

De kerk stond in het midden en herbergde de oudste leegte en de diepste stilte van de stad. Tienduizend doden hielden er de wacht, zwijgend onder hun zerken. Als je oplette, kon je een glimp van hun verhalen zien schemeren in het gefilterd licht dat door de hoge ramen naar binnen viel. Of in het weldadig halfduister van de winterdag.

        De levenden zorgden voor een drukte van belang: hoepelende jongens, dartele honden, een moeder die haar kind de borst gaf. Maar altijd werd hun gerucht gedempt tussen de hoge witte muren en spande zich boven dat huiselijk vertier die grootse en lichte leegte.

        Als de dagen kortten en waterkou optrok in de stegen en sloppen van de oude stad, werden de zerken met matten bedekt en werden de hongerigen en havelozen binnengenood voor koffie en warme melk, terwijl de domineesvrouw zich over de kinderen ontfermde.

        Ook dit jaar kwamen ze op een winteravond aankloppen, een jongen in armelijke kledij en een tenger bleek meisje, hopend op beschutting tegen de snijdende kou. Maar wat ze ook klopten, hun werd niet opengedaan. Ze liepen naar de andere ingang, hun handjes ineengestrengeld voor wat warmte, maar de kerk bleef potdicht. Verder liepen ze, helemaal om de kerk heen, en nog een keer, wel zeven keer liepen ze een rondje om de kerk. Maar de deuren weken niet en ze kregen het zo koud, ze konden niet meer.

        ‘Laten we even gaan zitten,’ zei het jongetje, ‘heel eventjes maar...’ Verstijfd zegen ze terneer op de stoep van een klein huisje dat daar tegen de kerk aan was gebouwd. En ach, hun oogleden werden zo zwaar, zwaarder en zwaarder werden ze en op ‘t laatst vielen ze toe. Bewegen deden ze niet meer, zo zaten die twee daar met hun rug geleund tegen de kale koude muur.

* * *

 

En misschien hadden ze daar nu nog gezeten als achter hen niet zachtjes een deurtje was opengegaan waardoor een oud vrouwtje naar buiten keek.

        ‘Ocherm!’ Van ontzetting sloeg het besje de armen in de lucht. Meteen greep ze de kinderen bij de schouder en schudde ze stevig door elkaar.

        ‘W.. w.. wie bent u?’ vroeg de jongen toen hij eindelijk zijn ogen opensloeg.

        ‘Ik houd hier bij nachte getrouwe de wacht,’ zei het vrouwtje vriendelijk. ‘Ik ben Gerardina, de fee van klein, licht en zacht. Kijk maar om je heen, alles is hier klein in mijn huisje. Daarom houd ik ook zoveel van kinderen,’ en ze reikte de twee een mok warme chocola aan en een dikke plak peperkoek. ‘Maar vertel eens, kleine lieverds, wie zijn jullie?’

        ‘Ik ben het kleine meisje met de zwavelstokjes,’ zei het meisje, dat weer wat kleur op de wangen gekregen had. ‘Ieder jaar deel ik in de kerk mijn stokjes uit aan de arme zwerfkinderen, die ze dan afsteken en er mooie figuren mee maken in de lucht.’

        ‘En ik,’ zei de jongen, ‘ik ben de kleine jongen met het swaffelstokje. Ik loop hier wel vaker rond in de buurt, maar da’s een ander verhaal. Als ik genoeg heb rondgeneusd en naar binnen gekeken, ben ik altijd een beetje opgewonden en kom ik in de kerk spelen met de andere kinderen. Maar nu is alles dicht en mogen we er niet in! We kunnen niet eens naar binnen kijken, de ramen zitten veel te hoog.’

        ‘Nu..,’ zei het vrouwtje geheimzinnig, ‘daar weet ik wel iets op!’ En ze pakte een keukentrapje, zette dat naast haar eettafeltje en wees op een luikje dat boven in de muur zat. ‘Dit was vroeger het huisje van de organist en door het luikje kon hij de kerk in kijken, zodat hij wist of hij al moest gaan spelen. Kom maar op het trapje staan, dan kun je zien wat er binnen gebeurt. Maar...,’ en nu gleed er een schaduw over haar lieve gelaat, ‘jullie moeten niet schrikken. Een tijdje geleden zijn er nieuwe kerkbazen gekomen, kerkbazen die niet houden van klein, maar van groot. Niet van licht, maar van duister. En niet van zacht, maar van hard. Luister maar...’ en daar deed ze het luikje open.

        Het kleine meisje met de zwavelstokjes en de kleine jongen met het swaffelstokje vielen bijna van het trapje van de lawaaigolf die ze in het gezicht sloeg. In het koor zagen ze allemaal mensen wild dansen op harde schettermuziek, terwijl felgekleurde lichten aan en uit floepten. Op een groot scherm waren blote mensen te zien die ook allerlei woeste bewegingen met elkaar maakten.

        Bij het koorhek zagen ze de nieuwe kerkbazen staan. Handenwrijvend stieten die elkaar in de zij. ‘Huiskamer van de stad of slaapkamer, wat maakt het uit,’ gniffelde de een. ‘Als het maar zilverlingen oplevert,’ lispelde de ander.

         

* * *

De volgende ochtend sliepen ze een gat in de dag, de jongen en het meisje, maar werden gewekt door harde geluiden uit de kerk. Ze hoorden bonken en schuren en door het luikje zagen ze wat er aan de hand was: enorme sombere zwarte dozen werden naar binnen geschoven, namen de leegte in beslag en verduisterden het licht.

        ‘Hehehe,’ grinnikten de kerkbazen en wreven zich de handen. ‘Kunst waar je beter van wordt! Eerst tien zilverlingen betalen, anders kom je er niet in.’ ‘Eindelijk die horribile leegte opgevuld,’ sprak de hoogste kerkbaas. ‘Wat hebben we aan die lucht en leegte? Allemaal ijdelheid! We moeten de mensen een belévenis bieden.’

        Zo stonden ze daar te staan, die zware inktzwarte tombes, en de kerk was geworden gelijk het dal van de schaduwen des doods. Maar de kunstkenners kwamen kijken naar de nieuwe dozen van de kerkbaas en riepen om ‘t hardst: ‘Prachtig! Heerlijk! Buitengewoon!’ En de recensenten schreven in de krant: ‘Hoe passend, die duistere dozen! Welk een diepe betekenissen worden hier aangeboord!’ En uiteindelijk jubelden alle mensen in de stad: ‘Wat een schitterend mooie aankleding! ‘t Is een kostelijk gezicht!’

        ‘Maar... het is gewoon een stel lelijke dozen!’ zei het meisje met de zwavelstokjes. ‘Het heeft niks om het lijf,’ vulde het jongetje met het swaffelstokje aan. ‘Het is hard, zwart en groot,’ verzuchtte de fee en zwaaide machteloos haar toverstokje.

        Maar de mensen luisterden niet. Niemand durfde te laten merken dat hij de nieuwe dozen van de kerkbaas maar niks vond, want dan zou hij geen kunstgevoel hebben of heel erg dom en ouderwets zijn.

* * *

Elke zondag kwamen de mensen in de kerk bijeen om God te eren en te danken, al vele eeuwen lang. Maar dit keer was het anders. De kerkgangers stonden weggedrukt in een hoekje. Verdwaald tussen de dozen sloegen ze vol ontzetting gade wat er midden in de kerk gebeurde.

        Daar hadden de nieuwe kerkbazen en hun aanhang zich vergaderd en sprongen in het rond. ‘O dooie doos!’ zongen ze bij hun dans rond de zwarte doos. ‘O zwarte dood. De dood zit in de doos. Leve de dood, halleluja. O dooie dood, hoera.’

        Maar die nacht, toen iedereen sliep, klonk er gerucht in het oude gebouw. Her en der werden zerken opzij geschoven en staken de doden verstoord het hoofd omhoog. De een na de ander nam het woord en de anderen luisterden aandachtig, want het waren niet de minsten die hier lagen.

        ‘Heb erbarmen,’ kreunde componist en organist Jan Pietersz. Sweelinck, ‘die nieuwe psalmen zijn werkelijk niet om aan te horen!’

        Saskia, Rembrandts vrouw, blikte treurig in de richting van het raam boven het hoogkoor waardoor iedere negende maart om negen over half negen een zonnestraal op haar grafzerk valt. Nu was het verdwenen achter zo’n somber zwart staketsel.

        ‘We moeten iets doen,’ riep schilder en uitvinder Jan van der Heijden. ‘Laten we de brandspuit erop zetten en die lui de goot in spoelen.’

        ‘Opsluiten in de IJzeren Kapel,’ adviseerde burgemeester Cornelis de Graeff. ‘Daar zitten ze de komende eeuwen goed.’

        ‘Da’s veel te soft,’ klonk een diepe stem. Het was Frans Banning Cocq, de kapitein van de Nachtwacht. Hij hief reeds zijn hand: ‘Uitrukken, mannen! Legt aan! Richt uw donderbussen en musketten en laat ons die woekeraars de tempel uit schieten.’

        ‘Nee, wacht!’ Admiraal Abraham van der Hulst was overeind gekomen van zijn praalgraf bij de toreningang. ‘Ze moeten het zeegat uit! Laten we ze op boten zetten en afduwen de Zuiderzee op. Net als in 1578, de vorige keer dat ‘t misbruik in Godes kerk moest worden afgestraft.’

        ‘Ja, en dan klimmen ze in Diemen weer aan wal en zijn ze binnen de kortste keren terug!’ klonk het smalend van verschillende kanten. Het waren de andere zeehelden die zich roerden. ‘Kielhalen!’ riep schout-bij-nacht Willem van der Zaan. ‘Stuur ze naar Nova Zembla,’ hoestte Jacob van Heemskerck.

        ‘Luister!’ Vice-admiraal Cornelis Jansz. de Haen overstemde iedereen. ‘Ik heb zeven Duinkerker kaperschepen overmeesterd en ben gesneuveld bij het enteren van het achtste, ik weet waar ik ‘t over heb. Deze lui hebben onze kerk gekaapt, dus laten we ze met hun oor aan het dek spijkeren en naar de kelder sturen!’

        ‘Maar heren, héren toch....,’ klonk een stem uit de zuiderzijbeuk. ‘Zulke drastische maatregelen zijn echt niet nodig. Er zijn andere manieren om deze ongelukkigen van hun dwaalleer te genezen.’ Het was Jacob Hooy, grondlegger van de vermaarde drogisterij. ‘Ik heb een beter idee,’ vervolgde hij op geheimzinnige toon. ‘Gaan jullie maar rustig slapen en laat het verder aan mij over.’

* * *

 

De volgende avond, ‘t was de avond voor Kerstmis, vroor het dat het kraakte. De straten en stegen lagen er uitgestorven bij. Misschien kwam het daardoor dat niemand de oude Jacob Hooy heeft gezien toen hij, diep weggedoken in zijn mantel, de kerk uit glipte en rechtsaf sloeg, de Voorburgwal op.

        Even verderop betrad hij een koffieschenkerij en kruidenzaak op de hoek van de Dollebegijnensteeg. ‘Een tiende schepel folia sinsemilla om mee te nemen,’ fluisterde hij de uitbater toe. Daarna vervolgde hij zijn weg naar het Rusland, waar hij bij een andere drogerijenhandel anderhalve maat cannabis sativa forte bestelde.

        ‘Kan ik u misschien ook interesseren in wat peyote, mescaline en psilosybine?’ informeerde de verkoper. ‘Prima spul, meneer, puur biologisch!’

        ‘Nooit van gehoord, jongmens, maar doe er maar tien vingerhoed bij.’

        Daarna begaf de oude zich naar de kruidenwinkel van zijn nazaten aan de Kloveniersburgwal, waar hij het geheel mengde tot een heilzame melange. Hij greep een handvol goudse pijpen uit het rek en spoedde zich terug naar het bedehuis, waar de kerkbazen bijeenkleumden tussen de kille dozen, pogend zich het lijf warm te houden met extra wambuizen en boezeroenen. Verwarming hadden zij niet ontstoken, daar waren ze te inhalig voor.

        ‘Kijk eens, heren, ik kom u namens ons familiebedrijf een weldadig pijpje aanbieden, dat uw botten van binnen zal doen opgloeien.’ En de oude Jacob reikte hen de gevulde gouwenaars aan.

* * *

Verbaasd staken het kleine meisje met de zwavelstokjes, de kleine jongen met het swaffelstokje en de fee van klein, licht en zacht hun neus om de hoek van de kerkdeur, die wijd open stond. Binnen verspreidden de kroonluchters een gastvrije gloed, een behaaglijke warmte kwam hen tegemoet en vanuit het koor was geroezemoes, glasgetinkel, gezang en ook een hoop gegiechel te horen. En o ja, de ruimte was vervuld van een blauwige damp die een vreemde, prikkelende geur verspreidde.

        Toen ons drietal aarzelend naar binnen stapte, trad een van de kerkbazen al op hen toe. Hij maakte een diepe buiging en riep uit: ‘Welkom! Ik voel me zo licht als een veer en zo vrolijk als een schooljongen. Laat licht en lucht weer ons godshuis binnentreden! Wég met die dirty dozen!’ En meteen gaf hij een schop tegen het dichtstbijzijnde zwarte gevaarte.

        Een ander snelde naderbij en vatte de fee bij beide handen: ‘Mijn allerliefste Gerardina, hoe gaat het u? Hier hebt u de hele inhoud van mijn bankrekening! Deel maar uit aan de daklozen, de gevallen vrouwen en de zwerfkinderen.’

        En de baas van de kerkbazen gooide z’n hoed in de lucht en riep: ‘Laten wij zacht zijn voor elkaar! Zalig kerstfeest in een lege en lichte kerk. Kom eens hier, bovenstebeste kinders, ga hiermee gauw naar de Hema, koop daar al het snoep dat je krijgen kunt en zeg dat ze ‘t meteen hierheen brengen. Als jelui zorgt dat het er binnen een half uur is, krijg je elk een daalder op de koop toe.’

        Nu, dat lieten ze zich geen twee keer zeggen, het jochie met het swaffelstokje en de kleine meid met de zwavelstokjes. Ze renden naar de Nieuwendijk zo gauw hun beentjes hen dragen konden. En toen ze beladen met snoepgoed terugkwamen, werden de grote zwarte dozen tot aan de rand toe gevuld met kerstkransjes, schuimpjes, groene chocolade hulstblaadjes met een rood besje erop, spekkies, tum-tum, zwart-op-wit, pepermuntjes, dropveters, toffees, toverballen, amandelbonen, zuurstokken, Zeeuwse babbelaars, Haagse hopjes, haverstro, kaneelkussentjes, laurierdrop en zoethout.

        En alle kinderen uit de buurt, de schoffies en bleekneusjes, en ook de daklozen en zwervers, de straatmadelieven, portiekslapers, nachtvlinders en morgensterren mochten daarna de dozen aan flarden scheuren en het snoepgoed opscheppen van de vloer en opdiepen uit de kieren tussen de zerken. Het was een machtig mooi tafereel!

         

Daar sloeg hoog boven hen de grote klok twaalf uur en het carillon liet licht en zacht zijn klanken als sneeuwvlokken dwarrelen over de oude binnenstad. En het kleine meisje deelde haar zwavelstokjes uit en de lichtjes speelden vrolijk langs de muren van het oude godshuis en zetten het in een feestelijke luister.

Terug naar overzicht met artikelen