QUID MOVET HUNC PEREGRINUM?

 

[De Jacobsstaf, juni 2018

PDF: Pagina_14_van_BW_JACOBSSTAF_118_LR_v4]

 

Dertig jaar geleden liep Herman Vuijsje van Santiago terug naar Amsterdam. Het boek dat hij daarover schreef is inmiddels een klassieker geworden. In het voorjaar verscheen er een herdruk met een geheel nieuwe inleiding. Speciaal voor de Jacobsstaf schreef Herman onderstaande anekdote.

Toen ik mijn pelgrimstocht in 1989 maakte, was Santiago nog lang niet zo populair als nu. Er arriveerden dat jaar in totaal zo'n zesduizend pelgrims in de stad.

      In progressieve kringen stond men nog uitgesproken kritisch tegenover alles wat naar kerk en religie zweemde. Het kostte me nogal moeite mijn Amsterdamse vriendjes uit te leggen waarom ik opeens ter bedevaart toog. Was ik plots bekeerd tot de paus van Rome of hoe zat het eigenlijk? Helemaal raar vonden ze het dat ik op pad ging met een aanbevelingsbrief van een roomse pater. Dat gebeurde in de middeleeuwen ook: pelgrims namen een brief van hun pastoor mee, waarin die verklaarde dat deze man of vrouw geen coquillard was, geen uitvreter.

      Maar waar haalde ik zo gauw een pater vandaan? Ook bij ons thuis was de kerk van Rome verre van populair. Mijn kennis van het katholicisme was vooral gebaseerd op de kinderstrip Bulletje en Boonestaak, de belevenissen van twee sociaaldemocratische schoffies, geboekstaafd door A.M. de Jong met prentjes van George van Raemdonck, die de schrijver graag afbeeldde als katholieke pater. Aangezien ik in het dagelijks leven nooit een pater tegenkwam, was mijn paterbeeld geheel gebaseerd op de aanblik van A.M. de Jong met een jurk aan. De Jong beschikte over precies het goede vollemaansgezicht, de juiste borstelige wenkbrauwen en de forse, goedmoedig vooruitstekende onderlip.

      Toen ik later - zoals iedere student die ooit in Amsterdam een café bezocht - pater Van Kilsdonk ontmoette, was ik dan ook meteen verkocht. Ik wist meteen: als ik ooit nog eens een pastoor nodig heb, moet ik deze hebben.

Jaren later, ik was intussen beginnend journalist, vroeg ik hem telefonisch om informatie voor een artikel. Van Kilsdonk stelde me een paar gerichte vragen omtrent mijn bijbelkennis en gaf me daarna met zijn sonore jezuïetenstem te verstaan dat de benodigde ondergrond voor een vruchtbaar gesprek helaas ontbrak.

      Maar in 1989 wist ik hem over te halen drie aanbevelingsbrieven voor me te schrijven, in het Frans, het Engels en het Latijn! De hele route door speurde ik naar een mogelijkheid om dat Latijnse getuigschrift te gebruiken. Mijn kans kwam ten noorden van Bordeaux, waar ik tussen de velden een traditionalistische pater tegenkwam. Zoals hij me daar tegemoet hobbelde, leek hij sprekend op Don Camillo, het prototypische plattelandspastoortje uit de Franse volksverbeelding. Het leek wel een beeld uit een tijdmachine. Dit was het moment!

      Triomfantelijk haalde ik Van Kilsdonks Latijnse brief te voorschijn. Don Camillo liet zijn blikken zeer kort over de regels glijden. Ik mocht de mis bijwonen en in zijn pastorie overnachten. Allemaal dankzij die brommerige, eerbiedwaardige en lieve pater Van Kilsdonk! Toen ik de brief weer aanpakte, zag ik dat Don Camillo hem op zijn kop had gehouden.

 

Herman Vuijsje, Pelgrim zonder God. 10e druk. Elmar, 2018. 256 p. Prijs €18,99

ISBN: 9789038926476

 

Terug naar overzicht met artikelen