HELD ZIJN MAG, ALS JE HET MAAR NIET AMBIEERT

 

[Nederlands Dagblad, 28-6-2019

PDF: ND 28 juni 2019]

 

Eind jaren tachtig kwam ik op het idee de pelgrimage van Santiago de Compostela te ondernemen. Het pelgrimswereldje was toen nog klein, op bijeenkomsten liep maar een handjevol mensen rond die de tocht hadden volbracht. En wat me opviel: lachebekjes waren het niet. De een had de hele reis geworsteld met pijnlijke voeten - hij had geen goeie schoenen - en een lekkend tentje. Een ander liep rond met een constant gepijnigde gelaatsuitdrukking. Toch konden zij rekenen op ademloze bewondering.

        Waarom? Vanwege hun lijden... zij waren Christus nagevolgd door zich te onderwerpen aan de ontberingen op die barre tocht naar het verre Spanjeland. De camino mocht niet over rozen lopen, maar moest over doornen gaan. Lijden als voorwaarde om een beter mens te worden.

        Achteraf realiseer ik me dat ik daar de laatste stuiptrekkingen meemaakte van het christendom waarin lijden centraal stond, ja, verheerlijkt werd. Tegenwoordig beleven de meeste Nederlanders hun geloof op een heel andere manier: als een liefdevolle boodschap waarin medemenselijkheid vooropstaat.

        Toch worden we ook nu nog diep geraakt door mensen die lijden. Maarten van der Weijden, die eerst de kanker en daarna de Friese wateren trotseerde. Tijn, het 'nagellak‑jongetje' dat zich inzette voor zijn medepatiëntjes. Burgemeester Eberhard van der Laan, die kort voor zijn overlijden een aubade kreeg van de 'lieve Amsterdammers'. Hoe is dat te rijmen met een samenleving waarin zowel het geloof als het lijden een heel andere plaats heeft gekregen? Wat is er gelijk gebleven, wat veranderd?

Donderdagavond was Femke van der Laan, de weduwe van de Amsterdamse burgemeester, op tv met haar Summerschool over verdriet. Omgaan met verdriet en omgaan met mensen met verdriet is niet meer vanzelfsprekend, is haar boodschap, en dat moet veranderen. Verdriet hoort erbij, stop het niet weg.

        Zo beschouwd geven mensen die hun ziekte en hun naderende dood publiekelijk beleven, ons allemaal een steuntje in de rug. We kunnen wel een opfriscursus gebruiken nadat we die traditionele verering van het lijden terzijde hebben geschoven. Een paar jaar geleden stierf René Gude, denker des vaderlands, met wie ik bevriend was. Ook hij was extravert over zijn ziekte. 'Dank je wel voor het voorbeeld,' zei ik hem. 'Als ik aan de beurt ben, ga ik het ook zo doen. Als ik het lef heb.'

        Ik zie nog een andere reden waarom lijdende mensen in eigentijds Nederland zoveel emoties losmaken. Die heeft te maken met ons gebrekkig ontwikkelde vermogen om te bewonderen. Zeker sinds de jaren zestig roept alles wat te maken heeft met heroïek en hiërarchie, met het streven om je boven het beruchte maaiveld te verheffen, wantrouwen op.

        Iets moedigs doen waar anderen passief blijven, dat is in Holland linke soep. In andere landen word je dan als held vereerd, maar bij ons sta je al gauw te boek als bemoeial, aansteller en uitslover. Wie iets heldhaftigs doet, weet dan ook niet hoe gauw hij dat moet relativeren. De beste Hollandse held is een dooie held - dan is een low profile immers gegarandeerd!

        Maar wie heldhaftig is vanwege iets dat hij niet heeft nagestreefd maar door iets dat hem overkwam, heeft hiervan geen last. Door zijn lijden publiek te maken, verheft hij zich niet, maar 'verlaagt' hij zich eerder tot het niveau van alle mensen. Zeker als het gaat om een hooggeplaatst persoon, zoals prins Claus, die openhartig was over zijn depressieve buien en zijn Parkinson en daarmee het hart van de Nederlanders stal.  

Dat lijden bewondering kan opleveren, heeft ook te maken met een ander aspect van heldendom. Doordat we steeds meer van elkaar weten, stijgt de kans dat iemand die op het ene gebied een held is, op een ander gebied een vlekje vertoont. Erkende verzetslieden uit de oorlog bleken achteraf niet immuun voor kritiek. Zelfs een ridder in de Militaire Willems-Orde, zoals Marco Kroon, is niet onfeilbaar.

        Ook dit 'afbreukrisico' is veel kleiner bij helden die hun faam niet ambieerden maar haar ontlenen aan het lijden dat hen overkwam. Zeker als ze dat lijden aangrijpen om het lot van andere mensen te verlichten, zoals Maarten en Tijn deden. Zij combineerden lijden en medemenselijkheid en konden daardoor uitgroeien tot moderne martelaars in een grotendeels geseculariseerd land.

 

 

Terug naar overzicht met artikelen