DE TWEEDE GOLF: LESSEN VAN 1953

 

[Nederlands Dagblad,8-1-2021
pdf: ND 8-1-21 Corona 1953]

 

‘Samen moeten we een tweede coronagolf achter de dijk houden,’ twitterde minister Hugo de Jonge juni vorig jaar. Zorgvoorzitter Ernst Kuipers vergeleek de tweede golf met een tsunami. Zij zijn niet de enigen die de strijd tegen het coronavirus vergeleken met onze worsteling met het water. Als we niet oppassen wordt het ‘dweilen met de kraan open,’ waarschuwde landelijk GGD-directeur Sjaak de Gouw in september. ‘Dat houd je gewoon niet droog.’

        Waterstaatkundige beeldspraak was in Nederland altijd populair, maar nu we collectief bedreigd worden door een natuurramp, lijkt de vergelijking wel heel toepasselijk. De gedachten gaan dan uit naar de Februariramp van 1953, die bijna tweeduizend doden eiste. Een aansprekend beeld, maar kunnen we daaraan ook inzichten ontlenen die ons nu van nut kunnen zijn?

* * *

Een eerste overeenkomst is de aanwezigheid van cassandra’s, mensen die tijdig alarm sloegen, maar werden genegeerd. Zo waarschuwde microsoftbaas Bill Gates vijf jaar geleden in een TED talk voor een grote pandemie. In de jaren dertig was het waterstaatsingenieur Johan van Veen die geen gehoor vond toen hij alarm sloeg over de staat van de dijken. Zijn Brabantse collega Jos Rulkens verweet de polderbesturen dat ze geen geld uittrokken voor onderhoud en dijkverhoging. Voor de rijksoverheid gold hetzelfde: in de jaren voor de ramp verlaagde de regering de begroting voor kustverdediging met een derde.

        In zijn standaardwerk De ramp, een reconstructie, waaraan de gegevens over 1953 in dit artikel grotendeels zijn ontleend, toonde Kees Slager aan dat zuinigheid inderdaad een belangrijke oorzaak was van de kwetsbaarheid van de dijken. Ook bij de gebrekkige toerusting van het Nederlandse zorgsysteem voor het pareren van een pandemie speelde zuinigheid een rol. Met de pijnlijke kanttekening dat Nederland in 1953 berooid was, herstellend van de oorlogsschade, terwijl de afgelopen jaren het geld juist tegen de plinten klotste, om even in watertermen te blijven.

        Een tweede oorzaak van de hoge tol aan mensenlevens in 1953 zoekt Slager in de versnippering van het waterschapsbeheer. De Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden telden meer dan honderd waterschappen en al die polderautoriteiten keken alleen naar hun eigen stukje dijk. Van centrale regie was nauwelijks sprake en vaak was onduidelijk wie voor wat verantwoordelijk was. Na de ramp zijn deze lessen ter harte genomen. De kleine, geïsoleerde waterschappen fuseerden tot drie grote conglomeraten en in de Wet op de Waterkering (1996) werden verantwoordelijkheden eenduidig toebedeeld.

        De overeenkomsten met de instanties die nu het coronatij moeten keren, zijn onmiskenbaar. De GGD’s en testlaboratoria zijn sterk geregionaliseerd, de laboratoria ook semi-geprivatiseerd. En ook hier past een pijnlijke kanttekening. Deze versnippering is immers niet het resultaat van een historisch gegroeide situatie, zoals bij het dijkbeheer, maar van bewuste beleidskeuzes tijdens de afgelopen decennia. De overheid heeft veel kennis en slagkracht uit handen gegeven, waardoor een tijdige en doelmatige regie werd bemoeilijkt.

        Pogingen om de testcapaciteit te vergroten werden gefrustreerd door de decentrale inrichting van het zorgstelsel, constateerde de Algemene Rekenkamer. Ook de GGD’s hadden allemaal hun eigen aanpak, handelden grotendeels autonoom en interpreteerden de voorschriften verschillend. Toen de roep om centrale aansturing aanzwol, moesten in allerijl landelijke coördinatiestructuren worden opgetuigd.

* * *

Naast zuinigheid en versnippering is er nog een derde overeenkomst tussen de tekortschietende bestrijding van de Februariramp en die van de coronacrisis. Een overeenkomst van politiek-psychologische aard: de angst dat het nemen van doortastende maatregelen zich uiteindelijk zal keren tegen degene die ze uitvaardigt.

        Deze ‘handelingsverlegenheid’ is een terugkerend onderwerp in de vele boeken die over de Februariramp zijn geschreven. ‘Het dorp moet gewaarschuwd worden,’ brult de dijkgraaf in Wie keert het getij?, ‘je moet de kerkklok laten luiden.’ ‘Dat kan altijd nog,’ schreeuwt de burgemeester terug, ‘anders raakt de bevolking in paniek.’ De klokken worden pas uren later geluid. Daardoor verdrinken veel mensen. Zo is het ook in werkelijkheid vaak gegaan. In Oude Tonge op Goeree-Overflakkee bleef de burgemeester uren aarzelen, bang om loos alarm te slaan. Er vielen meer dan driehonderd doden.

        Niet alle burgemeesters reageerden zo angstig. In het tien kilometer verderop gelegen Ooltgensplaat gaf Peter Hordijk al uren voordat de vloed op zijn hoogst was bevel tot evacuatie. In Willemstad deed Cor van der Hooft hetzelfde. In beide gemeenten bleef het aantal slachtoffers beperkt tot twee.

        Maar dat het water zou komen, was nog onzeker op het moment dat deze burgemeesters alarm sloegen. Toen Van der Hooft opdracht gaf Willemstad met zandzakken te beschermen, sputterde de brandweer tegen, ze vonden het voorbarig. En toen hij de gemeentesecretaris opdroeg de omliggende polders te evacueren, lachte die: ‘Wat staat u zich nou toch druk te maken? Morgen lachen ze u allemaal uit.’ In Ooltgensplaat kreeg ook Hordijk met zulke tegenwerpingen te maken. Hij nam de beslissing tot evacueren dan ook met angst in het hart, bekende hij later. Hij wist: als de evacuatie achteraf overbodig zou blijken, kon hij wel inpakken.

        Wat hadden deze twee burgemeesters dat hun collega’s ontbeerden? Kees Slager geeft een belangrijke aanwijzing: beiden waren - nog maar kort tevoren - verzetsleider geweest. Ze hadden knokploegen geleid, deelgenomen aan overvallen op distributiekantoren en bevolkingsregisters. Van handelingsverlegenheid hadden deze twee geen last. Onze huidige gezagdragers zijn uit ander hout gesneden. Hun angstvallige voetje-voor-voetjebeleid stond lange tijd een realistisch besef van de ernst van de situatie en een krachtdadige aanpak in de weg. De gevolgen daarvan ondervinden we nu, tijdens de tweede golf.

        Op dit punt dringt zich een laatste overeenkomst met 1953 op. Want ook toen was er een tweede golf. Twaalf uur na de eerste vloed volgde een tweede, die volgens veel overlevenden het ergst was. Een aangrijpend voorbeeld was het buurtschap Hennekenspad op Schouwen-Duiveland. De bewoners hadden tijdens het laagwater na de eerste vloed kunnen vluchten, maar ze dachten dat het water niet hoger zou komen dan tijdens de rampnacht. Toch gebeurde dat. Bijna alle inwoners verdronken tijdens die tweede vloed.

        Ook de tweede golf van de coronacrisis kost meer slachtoffers dan nodig was geweest als na de eerste tijdig was ingegrepen. Het afschalen van het alarm tijdens het ‘laagwater’ van de afgelopen zomer heeft rampzalig uitgewerkt. De vakantie van de verantwoordelijke ministers. Het steeds vooruitschuiven van een eenduidig mondkapjesbesluit. Het uitblijven van een doortastende verhoging van de testcapaciteit. Het besluit van de GGD’s om het opleiden van nieuwe medewerkers voor bron- en contactonderzoek af te remmen. En als slotakkoord de tergend trage organisatie van de vaccinatievoorzieningen.

        Het doet allemaal onmiskenbaar denken aan dominee Jopke Keizer van Brouwershaven, die in 1953 bleef proberen het binnensijpende water op te nemen met een dweil. Volgens gedenkboek De Ramp werd hem toegeroepen: ‘Vent, ga terug want anders verzuip je!’ ‘Het was de enige taal die hem het leven kon redden.’

 

 

Terug naar overzicht met artikelen