Ana Maria en ik
MIJN HART BONST VAN ZOVEEL GELUKZALIGHEID

 

[Argus, 24-11-2021
PDF: Argus 24-11-2021 - Ana Maria en ik]

 

Een houten hokje op het busstation van Brasilia. De nieuwe hoofdstad, nog geen vijftien jaar oud, wordt als een architectonisch wonder beschouwd maar komt op mij over als een verzameling steriele flatgebouwen. Gauw weg van hier! Naar Salvador de Bahia, eeuwenoude havenstad, warm kloppend hart van het échte Brazilië.

        Het hokje is al een voorproefje. Vanuit het loket kijkt een diepzwarte big fat mama me doordringend aan. En dan naar het schema dat voor haar ligt, met de zitplaatsen van de passagiers. Wie zit waar... naast wie, op de lange tocht? Ik zie hoe haar ogen langs de namen glijden. Dan pakt ze haar potlood en vult de mijne in op een bank achterin rechts.

        De vrouw in het hokje is de eerste van een reeks dia’s in mijn hoofd waarin de herinnering aan deze reis in 1976 is gestold. In zo’n ouderwets diarekje zitten ze, keurig achter elkaar. Meteen volgt de tweede. Het koffiekleurige meisje dat heel alleen op die bank zit te wachten. Zwarte krullen die alle kanten op springen, hagelwit shirt, een mond waar steeds een lach om speelt.

        Dertig uren zal de reis naar Salvador duren. Onze bus, van de firma Paraíso, is aan alle kanten geblutst en gedeukt. Al gauw houdt het asfalt op en hotsen we verder over een onverharde weg, met op hoofden vallende tassen en koffers. Als er te diepe plassen zijn, rijden we rustig naast de weg verder. Alle raampjes open, we eten stof en kunnen elkaar nauwelijks verstaan door het motorgeraas. En trouwens ook doordat mijn buurvrouw nauwelijks Engels spreekt, terwijl mijn Portugees verre van vloeiend is.

        Maakt niks uit, want wat ik versta en niet versta, is allemaal even mooi. Alleen haar naam al, Ana Maria Pereira dos Santos. Ze is eenentwintig, maar volgens haar legitimatiebewijs drie jaar ouder. Heeft haar vader geregeld, die is goed met een hoge politicus. Anders had ze geen toelatingsexamen kunnen doen voor de administratieve hbo. Ik knik: tuurlijk, de jeito, de omtrekkende beweging rond regels en mannetjes met macht die Brazilië draaiend houdt. Exponent van corruptie en machtsmisbruik, maar ook het symbool van vrolijke wendbaarheid: maak de dingen niet moeilijker dan ze zijn, geniet van wat binnen je bereik komt.

        We gaan van de nieuwste hoofdstad naar de oudste – in Salvador zetelde van 1549 tot 1763 de Portugese gouverneur – maar eigenlijk zitten we daar al. Deze bus ís al het Noordoosten, het diepe, zwarte Brasil. Net als Ana Maria zijn de meeste passagiers Salvadoranen, de sfeer is die van een klas op schoolreisje of de slaapzaal van een jeugdherberg.

        De twee chauffeurs zijn een soort vrolijke bandeirantes die de stemming er goed in houden. Stoppen we even midden in de jungle omdat iemand moet poepen, dan doet de chauffeur of ie optrekt en iedereen ligt dubbel. ’s Avonds lassen ze plotselinge pauzes in om een dutje te doen terwijl de bus met alle lichten uit midden op de weg blijft staan. Niks aan de hand, verkeer is er toch niet.

         

Laat op de avond stoppen we bij een eethuis midden in het niks. Kreupele muzikanten en hongerige bedelaartjes verdringen zich rond onze bus. De jochies blijven voor de deur van het restaurant wachten, tuk op de restjes. Ik heb het gevoel dat achterin de koeien worden geslacht die even later in de eetzaal worden opgediend.

        Als we weer rijden, dommelen we zelf ook in, Ana Maria en ik. Half... onze handen nemen het gesprek over. Ongehinderd door de taalbarrière zoeken ze hun weg onder het dekbed van jassen dat we over ons heen hebben gespreid. In die broeierige kleine ruimte, dit enkele moment als vanzelfsprekend gedeeld, doen we alsof ze hun eigen gang gaan, die handen... zelf zijn we immers absent wegens in slaap gevallen. Dat we ons in een rijdend doorgangshuis bevinden, omringd door medepassagiers, maakt deze glijvlucht naar intimiteit met een wildvreemde niet alleen spannend, maar geeft ook een gek gevoel van behaaglijkheid.

We schrikken wakker, we zijn gestopt. Vóór ons de vage spiegeling van een breed water. Het moet de Rio São Francisco zijn, Braziliës op een na grootste rivier. We stappen uit en zien tot onze verbazing de bus in de verte verdwijnen. Drie weken geleden is hij van de pont gevallen, weet een bejaarde inwoner te vertellen, en met passagiers en al in het roestbruine nat verdwenen om niet meer boven te komen. Hij wijst naar twee lange prauwen met een afdakje. Sindsdien gaan de passagiers voor de zekerheid daarmee naar de overkant.

      De prauw waar wij in stappen, hangt scheef in het water en dat vind ik niet zo leuk, want het is pikdonker en de rivier zit vast vol piranha’s. Maar alles is onder controle, zegt de schipper. Dat blijkt er uit te bestaan dat de twee prauwen aan elkaar zijn vastgebonden, zodat ze samen de oversteek maken. Ik besluit wat tegenwicht te bieden tegen het scheefhangen door met mijn lange lijf aan de hoge kant te gaan zitten. Zo steken we van wal, de oversteek vindt plaats zonder één licht.

      Halverwege de rivier een schreeuw van de uitkijk op de voorplecht die ik niet versta. Op hetzelfde moment voel ik hoe een hand mijn hoofd krachtig omlaag drukt. Een windvlaag door m’n haar. En een harde klap met oorverdovend gekraak. De laadklep van de grote pont met onze bus erop, net als wij onverlicht onderweg naar de overkant, heeft het dak van onze boot compleet weggemaaid. En mijn hoofd ook, als die hand dat niet op het laatste moment had verhinderd. Een fractie van een seconde later realiseer me dat het de hand was van Ana Maria en schiet me ook te binnen wat de uitkijk riep: ‘Cabeça baixa’, Kop omlaag!

      De motor is uitgevallen, iedereen schreeuwt door elkaar, om me heen stijgen smeekbeden aan Nosso Senhor do Bonfim ten hemel, de schutspatroon van Bahia. En hij is ons goedgezind, Onze Lieve Heer van de Schone Voleinding: peddelend met onze handen bereiken we heelhuids de overkant.

          Daar belanden we in een volgende onwerkelijke vertoning. Op het strand staat een bewegingloze markt opgesteld. De stalletjes worden verlicht door olielampjes. In het flakkerend schijnsel ontwaren we de marktvrouwen, de meesten ingedut, het hoofd op de mollige zwarte armen gevlijd. Het lijkt het kasteel van Doornroosje wel. Slaperig verkopen ze ons wat coco verde.

          De bus komt weer aanrijden, we stappen in alsof er niks gebeurd is en rijden verder de woestenij in. We zijn nu in de sertão, het kurkdroge Noordoosten van Brazilië, met steppengras en struikgewas zo ver het oog reikt. Uit het motorblok, naast de chauffeur, loopt vocht op de grond en door de cabine. Vlak ernaast staat een vat met olie, dat wankelt bij iedere bocht. Ik hoor de olie klotsen, want er zit geen dop op. Er is wel een dop, maar die past niet en ligt naast de opening te dansen.

          Wat als dat vat eens ommevalt? Dan zijn we alsnog het haasje en is Ana Maria’s reddingsactie voor niks geweest. Ik posteer me naast het vat en houd het stevig in bedwang. Maar niet lang, want het gegrinnik over de malle flamengo met z’n hand op het vat neemt ernstige vormen aan. En ik wil terug naar Ana Maria, naast haar zitten... dan maar samen de lucht in!

 

Straks komt ze terug van haar huis aan de Rua da Areia, ze ging er even wat spulletjes ophalen. Ik sta opgedoft en opgetogen te wachten, geleund tegen de pui van het hotelletje dicht bij de haven. Er wordt naar me gefloten door andere, even mooie meisjes die passeren. Weer zo’n dia, verkleuren doet ie nooit.

        Vier dagen blijven we er, in dat hotelletje. Verliefd geraakt, op elkaar en op Bahia. We verdelen onze tijd navenant: alles bij elkaar brengen we zo’n twee dagen in bed door en twee in de kromme straatjes, aan het strand en op de feesteilanden in de baai. Salvador, later berucht vanwege zijn criminaliteit, is nog een gemoedelijke stad, decor van alles doordringende opgewektheid en sensualiteit. Terwijl ik me stijfjes in haar kielzog voortbeweeg, zwemt zij als een vis in het water door de oude binnenstad. ‘Todo jóia? Todo legal?’ En dan meteen die duim omhoog. En de lach.

          Ze neemt me ook rustig mee naar haar werk, midden in de stad bij Bombahia, een groothandel in pompinstallaties. En natuurlijk naar de kerk van Nosso Senhor do Bonfim, die ons behoedde voor de duistere verdrinkingsdood. Eigenlijk zouden we iets moeten toevoegen aan de enorme verzameling ex-voto’s die het plafond van een zijvertrek siert: een woud van gipsen en plastic lichaamsdelen hangt daar te bungelen, stuk voor stuk genezen dankzij de tussenkomst van de Senhor.

          Mijn gebrekkige Portugees zorgt nogal eens voor misverstanden. ‘É o Senhor que lhe sabe,’ prevelt Ana Maria bijvoorbeeld als ik me weer eens afvraag waaraan we onze wonderbaarlijke ontmoeting en redding te danken hebben.

          ‘Eh... welke meneer weet het?’

          ‘Não, niet gewoon senhor, maar Senhor met capital.’

          ‘Wie is die meneer met kapitaal?’

          Ruziën doen we ook. Een paar keer krijgen we het aan de stok over de manier waarop zij dienstverleners en winkelpersoneel dingen opdraagt – die is in mijn ogen onbeleefd: ‘Breng dit voor me.’ ‘Geef me dat.’ Met zo’n bekakt-dwingende intonatie. Maar steeds lost die ergernis ook weer op in blijdschap over dit onverwachte en geweldige dat ons overkomt. Ik met m’n serieuzigheid en drammerigheid, zij met haar gemak en levenslust, ze noemt me ‘malouco’, een soort van prettig gestoord, en dan is het weer okee.

          Misschien vinden die dienstverleners het ook niet erg om zo te worden aangesproken. Doen zij hetzelfde ook weer tegenover anderen. Van mijn bezoeken aan Suriname weet ik dat dienstbaarheid en onderdanigheid in Zuid-Amerika nog vaak als vanzelfsprekend samengaan. De nadrukkelijke voorkomendheid die we in Nederland in acht nemen tegenover ondergeschikten, pardon: andersgeschikten, wekt hier onbegrip. Hier hoeft geen bevelshuishouding te worden gemaskeerd met zoete woordjes – dit is een bevelshuishouding.

Met de ferry gaan we naar Itaparica, een eilandje in de Bahia de todos os santos, de Allerheiligenbaai, met één jaar Nederlandse geschiedenis. In 1624 werd Salvador veroverd door een Nederlandse vloot met Piet Hein als viceadmiraal. Een jaar later raakten we het alweer kwijt, maar in de tussentijd hadden we op Itaparica wel een fort neergezet waarvan de resten nog overeind staan, fort São Lourenço.

          ‘Zijn jullie getrouwd?’ vraagt de man die ons een lift geeft naar de noordpunt van het eiland. ‘Nunca consegemos,’ antwoordt Ana Maria prompt, ‘Dat halen we nooit.’  En meteen weer de lach.

          Op de laatste ferry terug naar de stad hangt een summertime-sfeertje, iedereen zingt, danst en slaapt, alles door elkaar. Knikkebollen en zo’n beetje vrijen tegelijk. Hoewel, vrijen? Da’s te veel inspanning, lijkt het, het gaat eerder om trage aanhoudende verstrengelingen. Het is heel goed mogelijk dat je zo’n paartje passeert en dat je ze nog in dezelfde houding aantreft als je een paar uur later weer langskomt.

          Maar ook zingt Ana Maria me Bahia de todos os deuses voor, het loflied op Salvador waarmee sambaschool Salgueiro zeven jaar geleden de show stal in de carnavalsparade van Rio:

Bahia, os meus olhos estão brilhando    Bahia, mijn ogen stralen

meu coração palpitando                         Mijn hart bonst

de tanta felicidade                                 Van zoveel gelukzaligheid

Zo staat het in m’n dagboek. Opgeschreven op die ferry, met correcties van Ana Maria – maar ik heb de tekst niet nodig, een halve eeuw later zing ik de carnavalskraker van 1969 nog zonder haperen voor me uit.

Als de vier dagen voorbij zijn – we hebben er steeds een dag bij geboekt – en ik ga afrekenen, zie ik dat a velha van het hotel de woordensolteiro’ en ‘solteira’, vrijgezel, die we bij het inchecken achter onze namen hebben gezet, zonder er een woord aan vuil te maken heeft uitgegumd. Achter mijn naam prijkt nu de vermeldinge esposa’: ‘en echtgenote’.

          ‘Kom mee,’ gebaart Ana Maria die laatste avond. Waarheen wil ze niet zeggen. Ik volg haar naar de rand van de stad, waar ze stilhoudt en op haar vingers fluit. We staan op een soort vervallen boulevard langs de baai, met stalen trappen naar een krottenwijk die daaronder ligt. Na een tijdje komt een zwart moeke naar boven gesjokt en drukt Ana Maria een plastic zakje in de hand. Geld verhuist met dezelfde handdruk, gesproken wordt er niet.

          De geheimzinnigheid is te begrijpen: het is 1976, generaals zijn aan de macht en voor het bezit van een paar gram marihuana draai je gerust een paar maanden de cel in. Andere verdovende middelen moeten nog aan hun opmars beginnen, maconha is zo’n beetje de zwaarste drug die er te krijgen is. En zeker het spul dat Ana Maria nu gescoord heeft voor onze afscheidsavond. Nadat ik een paar trekken heb genomen, is het gedaan met mijn bewuste aanwezigheid in Salvador de Bahia.

          Wat er die nacht allemaal wel en niet gebeurd is, geen idee. Ik weet alleen dat ik geen woord Portugees meer verstond. Was ook niet nodig. En dat ik de volgende ochtend in alle vroegte kraakhelder wakker werd. Ana Maria bracht me naar de bus. Wuifde me uit en lachte.

          Terug in Nederland schreef ik brieven, stuurde foto’s. Naar de Rua da Areia, naar Bombahia. Nooit schreef ze een woord terug, Ana Maria Pereira dos Santos.

 

 

Terug naar overzicht met artikelen