TORY ISLAND: EEN KONINKRIJK OP EEN POTSCHERF

 

[ In: Midi, juli 2006 ]

 

Het was eind april toen we naar Tory Island reisden. Voorjaar? Dat weet je nooit op dit flintertje land voor de barre noordwestkust van Ierland. Tory is een potscherf, pardoes in de oceaan gevallen - een voorpost tegen storm en regenjacht. Mijn rugzak puilde dan ook uit van wanten, borstrokken en dikke gebreide sokken. Het scheelde weinig of ik had ook nog een oliejas en een zuidwester ingepakt, want wie van Nederland naar Tory Island wil reizen over land en zee, is drie dagen onderweg en neemt drie keer de boot - een steeds kleinere boot naar een steeds kleiner eiland.

            Op de laatste - de veerboot van Bunbeg naar Tory - moesten we ons stevig vasthouden. Koud was het niet - wel zag ik overal om me heen weer. Véél weer. Een straffe bries die de golven van de oceaan leek glad te strijken tot graniet. Daarboven gigantische wolkenpartijen, uiteengeblazen als een kop verward haar.

            Aan de haven week het toegestroomde volk uiteen om een man in een zwarte jekker door te laten. Hij had een visserspet op, die hij niet afzette toen hij ons de hand toestak. 'Patsy Dan?' veronderstelden we. 'Patsy Dan Rodgers?' Inderdaad. Officieel heet hij Patsy Dan MacRuaidhrí. Koning van Tory, aangenaam.

            Vroeger hadden veel eilanden aan de Ierse kust een koning - Patsy Dan is de laatste. De andere eilanden hebben al lang de blik gewend naar het 'vasteland', zoals Ierland hier wordt aangeduid, maar de bewoners van Tory bleven koppig doorleven zoals hun voorouders deden. Dat komt doordat Tory verder in zee ligt en door het barre klimaat vaak lang geïsoleerd was. Iedereen spreekt er Gaelic, de oorspronkelijke taal van Ierland. Stoken gebeurt op turf - overal ruik je die onmiskenbare smeulende geur die uit de openstaande voordeuren naar buiten komt drijven.

            Het verleden wordt op Tory ook gekoesterd in oude mythes en verhalen. Over missionaris Columbcille, die er in de zesde eeuw een klooster stichtte. De heidense bevolking wilde hem het landen beletten, maar hij werd geholpen door een man genaamd Duggan. Columbcille benoemde hem tot koning van Tory. En schonk hem en zijn nageslacht bovendien het recht de 'heilige klei' op te graven, die beschermt tegen ratten, maar ook tegen schipbreuk en zeemonsters.

            De zee is overal op Tory. Het eiland is vier kilometer lang en anderhalve kilometer breed. Het telt 170 inwoners, wonend in drie gehuchten - West Town, Midtown en East Town - die verbonden worden door één straat. Verder heeft Tory één winkel, één boom en één koning. Een afspraak maken is dan ook simpel. 'Morgenmiddag om vier uur,' zegt de koning als we hem om een audiëntie vragen. Waar? Hij kijkt ons verbaasd aan. Gewoon, hier op straat in West Town natuurlijk.

 

 

Al even simpel is de vraag te beantwoorden hoe we Tory eens zullen gaan verkennen. Je kunt over die ene straat naar het oosten of naar het westen gaan. We besluiten vanmiddag oostwaarts te wandelen, naar East Town en de kliffen die Tory tegen de oceaan beschermen.

            We lopen de grote stilte in, die alleen door leeuweriken en meeuwen wordt doorbroken. In East Town komen we één mens tegen, een oude man die in zijn tuintje bezig is een vis aan stukken te snijden. Naast hem staat een ezel met kromgegroeide hoeven. Vroeger waren ezels het enige vervoermiddel op het eiland. Nu is alleen deze ezel, 34 jaar oud, nog overgebleven.

            We klimmen omhoog, de kliffen op. Over de rand kijk je in een angstaanjagende diepte, waar zeemeeuwen, noordse sterns en papegaaiduikers langs de wanden scheren en op hun nesten neerstrijken. Vooral de papegaaiduikers met hun aandoenlijke oranje snavels stelen ons hart zoals ze daar paarsgewijs zitten te zitten, even knus alsof de tv aanstond.

            Als we ons omdraaien om de terugweg te aanvaarden, houden we onze adem in. Daar ligt het hele eiland aan onze voeten. Ongelofelijk, hoe beschermd en in zichzelf gekeerd de drie dorpjes erbij liggen, omringd door oneindigheid. Door de zee loopt een fel gouden streep, getrokken door de zon, die als een laserstraal de golven doorklieft. Daarachter is vaag het vasteland zichtbaar, met mistige bergen in oplichtende grijstinten.

            Dit landschap vráágt erom geschilderd te worden. Maar de bewoners van Tory wisten niet hoe dat moest. Totdat Derek Hill verscheen. In 1956 zat Hill, een beroemde Engelse schilder, in de trein tegenover de vuurtorenwachter van Tory, die hem uitnodigde. Nog datzelfde jaar kwam Hill op bezoek, werd op slag verliefd op het eiland en sloeg aan het schilderen. Op een dag kwam een boer achter hem staan, die zei: 'Maar dat kan ik ook!' Hill moedigde hem aan en verschafte hem schildersmateriaal. De kwast sloeg de boer, James Dixon genaamd, beleefd af. Die haalde hij wel uit de staart van zijn ezel.

             Zo werd de primitieve schildersschool van Tory geboren, die nog steeds bestaat en waarvan ook koning Patsy Dan deel uitmaakt. James Dixon is overleden, zijn huis is nu een eenvoudig museum. Eind jaren zeventig, toen de Ierse regering plannen smeedde om Tory te ontvolken en er een militair oefenterrein van te maken, speelden de schilders een doorslaggevende rol. Ze hielden tentoonstellingen in Ierland, Engeland en de VS en wisten daarmee zoveel media-aandacht te wekken dat het plan werd afgeblazen. Patsy Dan Rodgers, toen nog geen koning, was een van de actieleiders. Hij wist van te voren dat het goed zou aflopen: niemand minder dan Columbcille had geprofeteerd dat Tory altijd bewoond zou blijven.

 

 

Blijft alles dan simpelweg bij het oude op Tory? Heus niet. De laatste jaren is er 's zomers bijvoorbeeld een politieagent gestationeerd: voor de dagjesmensen die van de overkant komen sinds de Europese Unie een nieuwe haven aanlegde. Ook waterleiding en elektriciteit bestaan nog maar kort. Tot in de jaren tachtig zaten de bewoners 's winters bij een turfvuur met kaarslicht en haalden water uit de bron. Ze leefden van landbouw, visserij en het verzamelen van zeewier.

            Maar toen Ierland tot de EU toetrad, was het gedaan met die traditionele ambachten. De veldjes en akkertjes zijn minuscuul - te klein voor Europa. Hetzelfde geldt voor de vissersboten. Her en der zie je nog de oude curraghs liggen, een soort grote kajaks, bespannen met koeienhuid of canvas. Iedere boot had een bundeltje heilige klei aan boord, als afschrikking tegen zeedieren. Maar Tory's heilige klei hielp niet tegen de schaalvergroting en de eisen van de EU.

            Nu leven de meeste bewoners van de WW en van een speciaal regeringspotje tot behoud van het Gaelic. De bewoners van Tory, eertijds gevreesd als rauwe primitievelingen, worden nu gekoesterd als een soort 'oer-Ieren'. En ook wij gaan voor de bijl. Probeer maar eens onbewogen te blijven als een rijzige, ernstige man op je afkomt en in alle onschuld zegt: 'Ik heb de heilige klei voor jullie op de vensterbank gelegd.' Het is Philip Duggan, krachtens zijn stamboom gemachtigd tot het opdelven van Tory's heilige aarde. Nog steeds oefent het oudste lid van de familie Duggan dat recht uit.

 

 

Hoor je ergens op Tory een motor gieren, dan kun je er donder op zeggen dat even later Patsy Dan komt aanscheuren op de koninklijke bromscooter. In zijn ambtstenue van spijkerbroek en visserspet heeft hij toch iets majesteitelijks. Zijn gebaren zijn niet zonder verfijning. Ze trekken de aandacht naar zijn handen. Ik zie zwarte randen onder de nagels, een ring aan iedere vinger - en eentje door zijn oor. Een echte eilandvorst!

            Patsy Dan neemt ons mee naar de eenzame hut van Derek Hill, bovenop het klif nabij de westpunt van het eiland. Hij heeft de sleutel van het kale hok, één kamer groot maar met uitzicht op onafzienbaarheid. De audiëntie kan beginnen.

            Niet dat we vragen hoeven te stellen. Als Patsy Dan aan het woord is, ben je nog niet van hem af. Dat hoort bij zijn werk. 'Wat is de taak van de koning?' vraagt hij zichzelf. 'Vroeger werd de sterkste man van het eiland koning, nu degene die het beste met de mensen kan opschieten. Nu moet de koning vooral praten... praten met iedereen. In zo'n kleine gemeenschap kun je geen ruzie hebben, die moet meteen de kop in worden gedrukt.' We beginnen het te snappen. Als er een opstootje is, houdt de koning gewoon niet meer op met praten, totdat iedereen murw naar huis gaat.

            'Ik ben niet intelligent en niet ontwikkeld,' zegt Patsy Dan. 'Maar ik ben goed in mensen.' Voor hem geldt wat ook voor de Franse Zonnekoning gold: hij is het koninkrijk. Behalve koning en schilder is hij ook rondreizend ambassadeur, accordeonist, danser en verteller in de social club, het enige café van het eiland. Vaak is het er druk tot diep in de nacht. 'Onze way of life is nog primitief,' zegt de koning, 'en daar is niks mis mee. Dat primitieve zit ook in onze manier van zingen en schilderen.'

Een vorstelijk salaris heeft hij niet - het koningschap is een eer, hij krijgt er geen stuiver voor. 'Ik ben waarschijnlijk de armste koning ter wereld,' zegt hij, als hij met heftig rukken aan de gashandle zijn bromscooter weer opstart. 'Maar ik dank God dat ik een gelukkige koning ben.'

Terug naar overzicht met artikelen