IS DE POINTILLISERING VAN NEDERLAND ONVERMIJDELIJK?

 

[ in: Hybride landschap, uitgave Kasteel Groeneveld/NAI, 2006 ]

 

Precies een halve eeuw geleden bleek uit een Wagenings onderzoek dat de 'afstand tot de verharde weg' in sommige gebieden, zoals de Achterhoek, nog een duidelijke rol speelde bij de verbreiding van landbouwtechnische vernieuwingen. Hoe verder een boerderij van de verharde weg lag, hoe minder vernieuwingen er werden toegepast.

            Tegenwoordig verbazen wij ons erover dat dit onderscheid zo kort geleden nog bestond. Want natuurlijk zegt de afstand tot de verharde weg niets meer over het soort mensen dat daar woont. Of juist wel, maar dan omgekeerd: aan afgelegen zandwegen wonen geen keuterboertjes meer, maar reclameboys en organisatieadviseurs. In sociaal-cultureel opzicht is Nederland een verstedelijkte samenleving geworden en dat zal, of we het nu willen of niet, altijd zo blijven.

            Maar geldt dat ook voor het landschap? Dat het, of wij het willen of niet, verder zal verstedelijken? De tentoonstelling Hybride landschap stelt die vraag niet expliciet aan de orde. De makers lijken dat overbodig te vinden. Zij laten een serie kaarten zien vanaf 1860, waarop Nederland steeds voller wordt: de stad verovert het land. Klaarblijkelijk is dat een onafwendbaar proces, of zelfs een ontwikkeling die nastrevenswaard is.

            Natuurlijk kun je over het Nederlandse landschap zeggen dat het een gecultiveerd, kunstmatig landschap is. Je zou ook kunnen zeggen dat die cultivering meer en meer plaatsvindt vanuit een 'stadse' mindset. Maar vloeit daar ook uit voort dat er voor een landschap met de fysieke trekken van het platteland geen plaats meer is?

            Het antwoord is bevestigend als je de trend vanaf 1860 simpelweg extrapoleert. Maar is dat vanzelfsprekend? Voor hetzelfde geld kun je bijvoorbeeld aan de hand van een serie kaarten laten zien dat de milieuvervuiling sinds de negentiende eeuw steeds verder is toegenomen. Toch verbinden we daaraan niet de conclusie dat verdere vervuiling onafwendbaar, ja goed is.

            Als we met z'n allen blijven doen alsof de ontwikkeling naar een hybride Nederland onvermijdelijk is, duurt het niet lang meer of West-Nederland ziet er vanuit de lucht uit als een pointillistisch schilderij: een totaalmix van woonwijkjes, stadsparkjes, schaambosjes, recreatieplasjes, bedrijventerreintjes en natuurgebiedjes met wat villaatjes ertegen.

            Een pointillistisch schilderij waarin een overspannen museumbezoeker een paar forse halen heeft gekerfd: de kaarsrechte lijnen van nieuwe grootschalige elementen als de HSL en de Betuwe­lijn. Alleen aan de hand daarvan en van de grote wateren en rivieren zal een luchtreiziger zich nog enigszins kunnen oriënteren. Voor het overige hebben we dan in West-Nederland de ruimtelijke variant gerealiseerd van de Blokker/Etos/Hema-eenheidskoopstraat: je weet niet meer waar je bent want het is overal eender.

 

 

Ten oosten van de Amstel: openheid bedreigd

Willen we deze pointillisering van Nederland stuiten, dan moeten we dat doen op de plek waar de slag het hardst wordt gestreden: aan de stadsrand. Hoe? Door het hybride denken niet langer als onvermijdelijk af te schilderen of te verheerlijken, maar op zoek te gaan naar het tegendeel daarvan: naar uitgesproken en contrasterende identiteiten.

            De 'schetsschuit' die zich in het kader van het stadsrandenproject van Kasteel Groeneveld bezighield met de Amstelscheg, heeft daartoe een moedige poging gedaan. Essentieel voor de Amstelscheg, zeiden deze schetsers, is de openheid ervan. Wie langs de Amstel de stad uit gaat, ervaart door die uitwaaierende openheid een gevoel van bevrijding. Een landschap met zicht op de horizon, zo dicht bij de stad, is iets om te koesteren.

            Vooral aan de oostkant van de Amstel is die openheid nog verbazend goed bewaard. De Duivendrechtsche Polder is, ondanks zijn per saldo geringe breedte, een ijzersterk voorbeeld van 'contrastkwaliteit'. De grens met de A2 vormt, in de woorden van Eric Luiten, een 'bijna natuurlijk' contrast.

            Iets zuidelijker is de Polder Nieuwe Bullewijk minder fortuinlijk. Agrarische gebieden nabij de grote stad zijn net kippen in een pikorde. Eenmaal aangepikt maken ze een grote kans helemaal kaalgepukt te worden, tot ze uiteindelijk het loodje leggen. Eerst werd de westkant van de Nieuwe Bullewijk opgeofferd aan de uitbreiding van Ouderkerk. Momenteel zie je aan de noordkant stedelijke functies opkruipen richting Amsterdam-Zuidoost. En de noordoostkant tussen de A2 en het boederijenlint wordt met bomen volgezet. Weg openheid en contrastkwaliteit.

            In de schetsschuit Amstelscheg werd deze sluipende afbraak van identiteit voortgezet. Ook wat nu nog resteert van deze prachtige boerenpolder, moet grotendeels op de schop. Onder water ermee, in het kader van de modieuze mantra van plas-dras zetten, 'sterkgroen', waterberging, 'recreatief medegebruik', 'nieuwe natuur'. 'Er hoeft alleen maar twintig centimeter te worden afgegraven' werd er geruststellend bij gezegd.

            Ook het pronkjuweel van Amstelland, de Ronde Hoep, is niet langer veilig. Ook hier moet het middelste gedeelte worden omgepoegd tot nieuwe natuur. Dat wordt een eindeloos gedoe met allerhande technische kunstgrepen om de verschillende waterpeilen die daarmee gemoeid zijn, te kunnen handhaven. Niet duurzaam, wel gekunsteld.

            Zelfs hier komen we de gezindheid tegen die de pointillisering van Nederland zo krachtig in de hand speelt: angst voor duidelijke keuzen, voor het handhaven van eenduidige bestemmingen op forse schaal, en een voorkeur om van alles overal een beetje te willen doen. Daarom moet de Ronde Hoep ook een natuurhoekje krijgen en worden 'opengelegd' voor recreanten: paden erdoorheen! Ik zeg: afblijven! De Ronde Hoep is als een mooie vrouw: je hoeft er niet per se in om ervan te kunnen genieten.

 

 

Westoever: nu nog een leuk rommeltje

Hoewel je er dus ingrijpend over van mening kunt verschillen, is de ontwerpopgave voor de oostoever van de Amstel een fluitje van een cent, vergeleken bij die voor de westoever. Aan de westkant - en zeker in de Amstelveense Middelpolder - gaat het niet om een nog redelijk geconserveerd open landschap, maar om een gefragmenteerde en verrommelde toestand. De gemeente Amstelveen heeft er allerlei initiatieven gedoogd en er zelf een serie nutsfuncties ondergebracht. Daardoor is de Middelpolder een rommeltje, maar het is op dit moment nog wel een leuk rommeltje, waarin je ook rare, vergeten buurtschapjes aantreft, en flinke stukken natuur. Wat te doen? Verder aanrommelen maar? De schetsschuit besloot ook hier te zoeken naar iets van eenheid, van identiteit.

            En deze zoektocht leverde volgens mij het meest originele idee van het hele project op. De schetsers kwamen uit op een soort 'geconsolideerde rommeligheid'. Accepteer de bestaande rommel, maar kader 'm in. Het lijkt een innerlijke tegenstrijdigheid, verrommeling is immers een zichzelf versterkend proces. Wil je het stuiten, dan moet je met een krachtige ruimtelijke ingreep komen. Die vond de schetsschuit in de aanleg van rietland. Een rietmoeras in forse maat, dat aansluit op de al aanwezige natuur. Een groot stuk 'onland', dat de bestaande stedelijke functies in het gebied op een stoere manier omringt, maar ook hun plaats wijst.

            Maar wat er na drie dagen schetsen en beraadslagen uit de bus kwam, was heel wat minder robuust. Het gedurfde plan van de eerste dag bleek te zijn aangelengd met een flauwe sauce hollandaise, gebrouwen uit de bekende ingrediënten als 'rood voor groen' en 'functies stapelen'. Nieuwe stedelijke functies moeten kunnen, als dat maar gepaard gaat met de aanleg van twintig procent riet en wilgen. De gevolgen zijn te zien op de artist's impression: daarop zijn in plaats van een ongenaakbaar griendlandschap alleen maar een stuk of wat rietstroken te zien.

            In dit opzicht toonde het lot van de Amstelveense Middelpolder op de tekentafels in Kasteel Groeneveld overeenkomst met dat van de Polder Nieuwe Bullewijk en de Ronde Hoep. In al deze gevallen ging de schetsschuit van start met een gedecideerde keus voor één dominante identiteit: ruig rietland, respectievelijk open veenweidegebied. En in alle gevallen kwam uiteindelijk een ontwerp uit de bus waarin toch weer verschillende functies worden verweven, en waarin robuuste vlakken hebben plaatsgemaakt voor verdere pointillisering.

 

 

Geleide recreatiepolitiek

Kan het anders? Of de huidige randvoorwaarden van de ruimtelijke inrichting rond de grote steden die mogelijkheid openlaten, is nog maar de vraag. Misschien hebben de ontwerpers op Kasteel Groeneveld juist wel haarfijn aangevoeld waar bij de huidige stand van zaken de grenzen van de praktische mogelijkheden liggen.

            Wie aan de standsranden van West-Nederland iets van landschappelijke verscheidenheid wil redden door het maken van robuuste keuzen voor grotere gebieden, stuit namelijk al gauw op een paradox. Enerzijds is het duidelijk dat zulke ingrijpende keuzen alleen mogelijk zijn als hogere overheden zich er krachtig mee bemoeien. Aan de andere kant zie je dat die hogere overheden hun macht wel gebruiken, maar juist op een manier die de verdere opmars van hybride en pointillistisch Nederland in de hand werkt.

            Ik denk daarbij niet in de eerste plaats aan het in elkaar vloeien van stad en platteland door nieuwbouw. Dat proces komt immers eerder voort uit het decentraliseren van macht naar lagere bestuurlijke niveaus. Ik doel op een ontwikkeling die even bedreigend is voor het open landschap dat nu nog in het ommeland van de grote steden kan worden aangetroffen: de opmars van bos- en natuurgebiedjes.

            Die opmars is grotendeels het resultaat van rijkssturing in de vorm van een 'geleide recreatiepolitiek'. We zijn nog  steeds bezig cultuurlandschap om te ploegen tot 'strategische groenprojecten' - lees: bos - om te voldoen aan de recreatienormen voor de woningbouw uit de jaren zeventig en tachtig. En die rijksrecreatienormen voor de rijksrecreatiezones van de geleide recreatiepolitiek laten niet met zich sollen: je moet tien personen per hectare per dag kunnen herbergen. Daarvoor moet je in zo'n zone een bepaald aantal bomen hebben, want anders zien die recreanten elkaar, en dat mag niet. Aan rietland heb je dan niet veel: hoeveel recreanten kunnen zich verschuilen achter een rietstengel? En aan open veenweidegebied heb je al helemaal niks. Daar kun je maar een halve bezoeker per hectare per dag in kwijt.

            Vandaar dat in de Amstelveense Middelpolder een reeks schriele bosstroken ligt te verpieteren waaraan geen hond enig plezier beleeft. En dat in de Diemerscheg binnenkort de laatste stukken veenweidegebied worden omgeploegd ter uitbreiding van het Diemerbos. Ook dat geheimzinnige, duistere, sprookjesachtige Diemerwald, dat zich daar zal uitstrekken tussen de A9 en het Amsterdam-Rijnkanaal, is een Reichswald.

            In een vroegere periode - eind jaren vijftig - maakte het rijk nog wèl ernst met het beschermen van grote stukken cultuurlandschap in West-Nederland. Tot op heden geldt een 'rijksbufferzonebeleid', dat zeer succesvol is geweest in het openhouden van landelijke gebieden tussen de grote steden, door deze gebieden te reserveren voor onder andere recreatie en agrarisch gebruik. Ook het Amstelland, met delen van de Amstelscheg, vormt zo'n rijksbufferzone. Maar in 1995 heeft de EU dit bufferzonebeleid een zware klap toegebracht: begunstiging van het agrarisch gebruik mag niet meer. Dat komt immers neer op concurrentievervalsing.

            Wat overblijft, zijn dus bufferzones met vooral een recreatiebestemming. En daardoor onstaat een fataal samenspel tussen de voorschriften uit Den Haag en die uit Brussel. Want wie 'recreatie' zegt, krijgt meteen te maken met die Haagse regels van zoveel boompjes per hectare. Van Brussel moet het recro zijn, maar wil het recro zijn, dan moeten er van Den Haag bomen in. Zo dragen de hoogste overheden - de enige die over de macht beschikken om grotere stukken land voor een bepaald gebruik te reserveren - juist bij aan verdere pointillisering van het cultuurlandschap.

 

 

De keizer heeft geen kleren aan

Ik keer terug naar de vraag of een hybride landschap voor Nederland onvermijdelijk is. Oudere lezers herinneren zich misschien de legendarische journalist Jacques Gans, een bekend bezoeker van Amsterdamse kroegen, maar ook een liefhebber van het buitenleven. Op de vraag waar hij het liefst zou willen wonen, placht hij te antwoorden: op een boerderij in de Beemster, maar dan met een achterdeurtje naar de Kalverstraat.

            Jacques Gans was daarmee zijn tijd vooruit. Hij verwoordde perfect het hybride wensenpakket van de moderne Nederlander: dorps wonen in een huis met een tuintje, met ook landschap en natuur in de buurt, plus alle stadse geneugten onder handbereik.

            Ik vermoed dat heel wat moderne Nederlanders ook oprecht denken dat die combinatie mogelijk is. Dit soort hybride scenario's krijgen ze immers bij voortduring voorgeschoteld door de mensen die er verstand van hebben. Ze horen over 'rood voor groen': bouwen in het groen om méér groen te krijgen. Over 'het toevoegen van nieuwe functies die de openheid in stand houden..,' een citaat uit de schetsschuit-discussie over de Middelpolder. En niet te vergeten over Schiphol: verdere groei én milieuvooruitgang.

            Have your pie and eat it - aan het slot van de schetsdagen op Kasteel Groeneveld kregen we de essentie van deze manier van denken nog eens uitgelegd door Frank van Dam van het Ruimtelijk Planbureau. Hij deed onderzoek naar het 'laadvermogen' van het platteland en concludeerde dat er nog ruimte zat is. Hij liet bijvoorbeeld een kaartfragment zien van een dorpslint ergens in de polder. Dan een druk op de knop en je ziet hetzelfde lint, maar nu met wat dikker aangezette rode stipjes. 'Consolideren' heet dat. Zo kunnen nog een heleboel mensen 'landelijk wonen' in de 'landstad' zonder dat je er wat van ziet!

            Het betoog van Frank van Dam was voor een aantal aanwezigen in de zaal de druppel: ze kwamen in opstand. Ze riepen dat de keizer geen kleren aan had. Dat die uitbreiding van stedelijke functies in de Middelpolder, als je er maar een rietstrookje naast legt, per saldo geen ander gevolg heeft dan dat je de Amstelscheg nog weer smaller maakt. Dat 'rood voor groen' eenmalig geld oplevert, maar op langere termijn geen zoden aan de dijk zet, omdat groen voortdurende investeringen in onderhoud en beheer vergt.

            Het 'verdichten van bestaande linten zonder het karakter van het landschap te verstoren' van Frank van Dam is van hetzelfde laken een pak. Het is niet alleen een innerlijke tegenstrijdigheid, maar ook een slag in de lucht. De term 'laadvermogen' verwijst naar het bekende 'maximum laadvermogen', een maat die je maar beter niet kunt overschrijden, omdat dan je vrachtwagen door zijn wielen zakt of je brug in elkaar stort. Een objectieve maat dus. Maar het laadvermogen van Frank van Dam mist iedere objectieve verankering, kan altijd verder worden opgerekt en zegt dus helemaal niets.

            Daarmee is het op een bepaalde manier ook typisch Nederlands. We willen in Nederland overgangen verzachten en geleiden. Verschillen pacificeren. Compromissen zoeken om tegenstellingen te verzoenen. Ook in de maatschappelijke ordening heeft die gezindheid ons de afgelopen decennia tal van hybride arrangementen opgeleverd, waarbij het onderscheid tussen de publieke en de private sector is vervaagd. De vraag of die ontwikkeling ons meer voordelen dan nadelen heeft gebracht, is nu volop in discussie.

            Eén troost bestaat daarbij: desnoods kan de hybride situatie, zij het tegen hoge financiële en maatschappelijke kosten, weer worden teruggedraaid. In de ruimtelijke ordening moeten we het zonder die mogelijkheid stellen. Het verkavelingspatroon in de Polder Nieuwe Bullewijk en de Ronde Hoep dateert uit de Middeleeuwen. Heb je dat historisch cultuurlandschap, met zijn onnavolgbaar samenstel van kaden en dijkjes, sluizen, slootjes en historische boerderijen, eenmaal afgegraven, onder water gezet of tot nieuwe natuur omgeknutseld, dan is het voorgoed verdwenen.

            Daarom is het zo verontrustend dat de vraag of West-Nederland onvermijdelijk op weg is naar een hybride landschap, door velen a priori bevestigend wordt beantwoord. Nog verontrustender is dat deze opvatting, via een soort sluipende en nooit geëxpliciteerde of beargumenteerde aanname, langzamerhand is aangevuld met de gedachte dat deze ontwikkeling ook nastrevenswaard is.

            Ook deze laatste stille gedachtestap heeft te maken met de pacificerende, op compromis gerichte gezindheid die ik eerder noemde. In de ruimtelijke ordening kom je die gezindheid ook tegen in het veelvuldig gebruik van slogans als 'rasterstad', 'netwerkstad' en 'tapijtmetropool' als aanduiding voor de amorfe grootstedelijke gebieden in West-Nederland. Deze slogans zijn etiketten die achteraf de indruk moeten wekken dat we hier te maken hebben met het resultaat van doordacht en gewenst beleid. Quod non. Niemand heeft het ontstaan van deze uitgestrekte stedelijke velden ooit beoogd of gepland. Maar in Nederland geldt dan al gauw: span het paard achter de wagen en zeg dat het goed is.

Met het begrip 'hybride landschap' dreigt het dezelfde kant op te gaan. Maar wat de makers van de gelijknamige tentoonstelling ook mogen beweren - de discussie over dit onderwerp moet nog beginnen. Willen we inderdaad een land als een pointillistisch schilderij? Is het leuk om in een hybride ruimte te leven? Ik stel voor dat we ophouden net te doen alsof deze vragen al besproken zouden zijn, en bevestigend zouden zijn beantwoord.

Terug naar overzicht met artikelen