VAN MONOTHEÏSME NAAR IETSISME: WAAR BLIJFT DE MORAAL?

 

[ In: Met of zonder God, uitgeverij Ten Have i.s.m. ISVW/Nederlands gesprekscentrum, 2006 ]

 

Ruim dertig jaar geleden fietste ik op een vroege ochtend het erf op van een hutje aan de rand van Paramaribo. Ik studeerde toen sociologie en deed als stage een onderzoek naar religieuze organisaties in Suriname. Zo kwam ik in dit huisje terecht, de woning van een Creoolse vrouw. Deze ochtend was een beroemde loekoeman (magiër) helemaal uit Albina gekomen om haar te helpen bij een vanoodoe, een reinigingsritueel waarbij boze geesten worden uitgedreven.

              Tegen zonsopgang trokken de loekoeman en ik ons terug op het erf, terwijl de vrouw in haar huisje een sigaar rookte, haar haar waste met bier en andere handelingen verrichtte waar wij niet bij mochten zijn.

              Terwijl we wachtten pakte de loekoeman een stokje en trok een cirkel in de aarde.

              'Weet je wat dit is?' vroeg hij, en gaf zelf het antwoord: 'Het heelal!'

              Nu trok hij twee strepen door de cirkel heen, die elkaar in het hart van de schijf kruisten. Hij wees naar het snijpunt: 'Daar zetelt de Gran Gado. En daar zitten de vier hoofdgoden aarde, water, lucht en vuur.' Nu wees hij naar de vier punten waar de cirkel werd doorsneden. 'Maar weet je wie echt de macht in handen hebben?' Hij keek me dringend aan met diep-diepbruine ogen.

              De loekoeman wees opnieuw naar de vier snijpunten, maar nu naar een punt iets verder naar binnen. 'Dat zijn de dominees! Die hebben zich genesteld tussen Gran Gado en de vier hoofdgoden en kunnen daardoor alles naar hun hand zetten.'

 

 

Op zoek naar de lekkerste reli-hebbedingetjes

Naarmate ik langer in Suriname was, merkte ik dat deze machtsbenadering kenmerkend was voor veel vormen van religieus leven in het land. Iedere religie - en er zijn er nogal wat in Suriname - bleek naast een officiële ook een 'magische' afdeling te hebben. En de aanhangers van al die verschillende religies bleken bij die magische afdelingen over en weer onbekommerd leentjebuur te spelen.

              In bosnegerdorpen herkende ik in het houtsnijwerk op de puien van de hutten niet alleen animistische plant- en diermotieven, maar ook vaak een passer en een winkelhaak. De symbolen van de Vrijmetselarij. Waarom? Simpel: de hele machtselite in Suriname is van oudsher lid van het Vrijmetselaarsgilde. De Vrijmetselarij heeft power!

              Suriname is een harde maatschappij. Alles draait er om de vraag wie de sterkste is. Wie heeft macht om wat voor me te doen? Ook de religieuze wereld is van die mentaliteit doortrokken. Wiens god of geest heeft het meest in de melk te brokken? Wat werkt het best?

 

Terug in Nederland kreeg ik na een tijdje in de gaten dat de Surinamers in dit opzicht eigenlijk niet meer zo bijzonder waren. Ook bij ons maakte kerkelijke trouw in de jaren zeventig en tachtig plaats voor een neiging om rond te shoppen in de reli-supermarkt en in je winkelwagentje te stoppen wat van je gading is. In Suriname deden ze dat altijd al - eigenlijk liep men daar dus op ons voor.

              Alleen is Nederland veel minder dan Suriname een samenleving waar alles in het teken staat van overleven. Bij ons gaat het eerder om béleven: leuke dingen meemaken, je goed voelen. Ook ons gedrag in de reli-supermarkt wordt daardoor gekleurd. Wat wij zoeken zijn niet de 'machtigste' goden maar de beste feelgood ervaringen. Alleen de lekkerste hapjes stoppen we in ons reli-karretje. De zure of bittere spulletjes die je vroeger in het religieuze totaalpakket kreeg bijgeleverd, laten we op de schappen staan.

              Zo zeggen heel wat Nederlanders nog steeds ja tegen de leuke kanten van het christelijke hiernamaalsbeeld, zoals het eeuwige leven in de hemel en de zin om voor jezelf te bidden. Veel minder bijval is er voor het bestaan van de hel of de duivel, en dus ook voor de gedachte dat je aan morele plichten moet voldoen om te voorkomen dat je daar terechtkomt.

Ietsisme en demoralisering

Deze neiging om een individuele selectie te maken van uitsluitend aantrekkelijke religieuze hebbedingetjes heeft opgang gemaakt onder gelovige christenen, maar is vooral kenmerkend voor 'ietsisten': degenen die niet meer in een persoonlijke God geloven maar toch menen dat er 'iets moet zijn'. Ietsisten worden zowel binnen als buiten de kerken aangetroffen maar delen de idee dat de natuur 'bezield' is en dat de in ons huizende levenskracht van die bezieldheid blijvend deel uitmaakt.

              Het ietsisme is geen kerk, geen welomschreven overtuiging, misschien zelfs geen geloof - maar een gevoel. Toch is het hard op weg om de populairste spirituele stroming in Nederland te worden. De schattingen van het aantal 'ietsisten' lopen uiteen van veertig procent tot tweederde van de Nederlandse bevolking.

              Deze snelle opkomst van het ietsisme is een feit van moeilijk te overschatten betekenis. Het is niet overdreven om te veronderstellen dat hiermee afscheid wordt genomen van tweeduizend jaar monotheïsme in West-Europa. Het ietsisme verschilt immers in een aantal opzichten beslissend van het christendom. Eerder dan monotheïstisch is het pantheïstisch. Het berust niet op een openbaring of een collectief onderschreven canon, maar is hyper-individueel. Het erkent ook geen opperste macht die je kunt proberen te vermurwen door offerandes of gebed.

              Verder kent het ietsisme geen geloof in een lineaire, positieve ontwikkeling van de mensheid, zoals die wel bestond in het monotheïsme. Ietsisten geloven niet in de komst van een Nieuwe Mens en een nieuwe maatschappij; zij streven alleen naar persoonlijke groei. Daarmee lijkt het ietsisme goed afgestemd op de huidige tijdgeest, waarin we even de buik vol hebben van 'grote verhalen'.

              Als we deze verschillen overzien en dan de vraag stellen welke maatschappelijke gevolgen de overgang van monotheïsme naar ietsisme met zich meebrengt, dan schiet één punt meteen naar voren: het ietsisme is in wezen amoreel. Terwijl het joods-christelijk monotheïsme bij uitstek is doordrongen van de relatie tussen religie en moraal, is het ietsisme vooral egocentrisch. In moreel opzicht is het ietsisme 'niksisme'.

              De amorele inslag van het ietsisme komt ook tot uiting in zijn verheerlijking van de natuur. In moreel opzicht leert de natuur ons immers niets. De natuur is goed noch slecht, ze is van vóór de zondeval. In de natuur wordt ook geen hoger doel nagestreefd: alles verandert, maar intussen blijft alles zoals het is. Als God in de natuur zit, is het niet de God van het monotheïsme, de God van de moraal en de vooruitgang.

Ietsisme en depersonalisering

De overgang van monotheïsme naar ietsisme gaat dus gepaard met een proces van religieuze 'demoralisering'. Dit proces gaat hand in hand met een verandering in de bovennatuurlijke wereld. Tijdens het christendom werd die nog bevolkt door wezens met persoonlijke trekken. Dat persoonlijke aspect begon in de nadagen van het christendom te slijten en is in het ietsisme definitief verdampt: de bovennatuurlijke wereld wordt daarin volledig 'gedepersonaliseerd'.

              Deze depersonalisering doet zich voor bij beide partijen: zowel bij God als bij de mensen. In het monotheïsme was God iemand die zich persoonlijk met ieder van ons bezighield, die met zijn Alziend Oog al ons doel en laten monitorde, en aan de hand van die waarnemingen uiteindelijk besliste over ons individuele voortbestaan in het hiernamaals.

              Moderne christenen zijn al een stap verder en gaan met hun credo 'God is liefde' in de richting van een positieve abstracte kracht. In het ietsisme wordt deze ontwikkeling voltooid: God is daarin niet meer een 'iemand' die beslissingen over ons neemt, maar een 'iets' waarin wij na onze dood opgaan. Individuele persoonlijkheden spelen in de bovennatuurlijke wereld van het ietsisme dus geen rol meer - noch bij God, noch bij ons. Daarmee wordt ook de 'demoralisering' beklonken: als er in het hiernamaals geen individuen meer rondlopen, valt er ook niks te straffen of te belonen. De depersonalisering van de bovennatuurlijke wereld vrijwaart ons definitief van de gevolgen die ons morele gedrag op aarde had in de hemel of de hel.

              De gedachte dat we na onze dood allemaal opgaan in iets gemeenschappelijks, lijkt nog om een andere reden aantrekkelijk. Het leven in onze tijd kenmerkt zich door een extreme individualiteit. We zonderen ons van elkaar af en hebben weinig permanente banden meer. Kan het zijn dat we daarom eigenlijk wel gecharmeerd zijn van de gedachte dat we, eenmaal veilig en wel dood, deel gaan uitmaken van een soort grote gezamenlijkheid? Wat je je hele leven vruchteloos geprobeerd hebt door elkaar diep in de ogen te kijken, krijg je dan zomaar cadeau. All together now! Raakt het hiernamaals daardoor, terwijl de westerse wereld individualiseert, gecollectiviseerd?

Schuldige nalatigheid

Ik heb tot nu toe het ietsisme geschetst als een soort uitloper van het 'Ik-tijdperk': een wereldbeschouwing voor verwende en egocentrische types die geen zin meer hebben om zich iets gelegen te laten liggen aan anderen. Wel rechten, geen plichten. Ikke ikkke ikke en de rest kan stikken. Maar er is ook een andere, minder cynische manier om de opkomst van het ietsisme te duiden. Ook daarbij speelt het morele aspect van religie een rol, maar nu niet als iets dat achteloos wordt weggeworpen op de mestvaalt van de geschiedenis.

              Om duidelijk te maken wat ik bedoel, verwijs ik naar de Duitse filosoof Karl Jaspers. Deze maakte onderscheid tussen twee soorten morele verantwoordelijkheid: het 'concrete' schuldgevoel als je zelf iets verkeerds hebt gedaan, en een 'metafysisch' schuldgevoel dat je ervaart als lid van de menselijke soort, wanneer andere mensen elkaar iets aandoen. De afgelopen eeuw heeft voor dat 'metafysische schuldgevoel' een rijke voedingsbodem opgeleverd. Elie Wiesel bedacht het begrip 'doodzonde van de onverschilligheid' voor de houding van de wereld tegenover Auschwitz. Maar ons gevoel van tekortschieten beperkt zich al lang niet meer tot Auschwitz. Dat gevoel is de afgelopen eeuw structureel geworden, in de vorm van een continu besef van 'schuldige nalatigheid'.

              Het is een schuldbesef dat er niet meer wordt ingestampt door priesters en dominees maar dat wel voortkomt uit de doorwerking van twee-, drieduizend jaar monotheïsme. De gulden regel waarin het hele joods-christelijke geloof kan worden samengevat - hebt uw naaste lief gelijk u zelve - is ons tussen de oren gaan zitten. Daar laat het zijn stemmetje horen, maar we weten de laatste tijd niet goed meer wat we met dat stemmetje aan moeten.

              In de eerste plaats wordt ons schuldgevoel gevoed doordat we onze normen steeds hoger hebben gesteld. Door de eeuwen heen hebben we ons idee van 'Ons Soort Mensen' steeds verder opgerekt, onder invloed van de universalistische pretentie van het christendom. Ooit gold onze morele betrokkenheid alleen onze naaste familie of stam. Later werd onze omgang met alle medemensen - inclusief slaven, misdadigers, vrouwen, homo's en ga zo maar verder - onder een moreel regime gebracht. Nog weer later volgden dieren en alles wat groeit en bloeit in de natuur.

              Onze morele horizon is dus enorm verwijd. In figuurlijke zin, maar ook letterlijk: door onze onbeperkte kennis van al wat er op de wereld gebeurt. We schransen op een niet eerder vertoonde schaal van de boom van de kennis van goed en kwaad - niet omdat we het zo graag willen maar omdat het niet te stuiten is. Die kennis wordt ons bij voortduring door de strot geduwd, alsof we ganzen zijn die worden vetgemest voor de slacht. Vooral de kennis van het kwaad, al dat kwaad ter wereld, blijft ons bij en verwart ons.

              Tegelijk hebben we nog een ander soort kennis die enorm is toegenomen: wetenschappelijke en technologische kennis. In principe zouden we met behulp van die kennis alle problemen die we op tv zien kunnen verhelpen. Toch gebeurt dat niet.

              Zo zijn we gevangen in een nieuw soort zondeval, weg uit het paradijs van de zalige onwetendheid. Het Griekse woord paradeisos is ontleend aan het oud-Perzische pairidaeza, dat 'omheind domein' betekent. Nelleke Noordervliet: 'Wie binnen is, is veilig en onwetend van het kwaad buiten. Wie buiten is, verlangt naar binnen.'1 Maar we kunnen niet meer naar binnen - nooit meer.

Barmhartige Samaritaan
Ook ontwikkelingen in de christelijke geloofsleer hebben ons gevoel van 'schuldige nalatigheid' vergroot. Het was makkelijker om onrecht en ellende te accepteren als Acts of God toen God nog streng en meedogenloos was. Toen was het nog voorstelbaar dat Hij almachtig was, terwijl er toch veel ellende op de wereld was. Maar het nieuwtestamentisch christendom heeft ons de gedachte gebracht dat de wereld verbeterbaar is: Let's make things better!

              De afgelopen decennia is dat beroep nog weer verder toegenomen. Het brandpunt van de christelijke geloofsopvatting heeft zich sinds de jaren zestig snel verplaatst van de metafysische naar de sociale sfeer. Daarmee is de aandacht verschoven van rituele zuiverheid naar goed gedrag. Metafysica is bijna iets persoonlijks geworden, een kwestie van individuele keuze. Goed gedrag hier en nu - daar gaat het om als je een goed gelovige wilt zijn.

              Hoe belangrijk goed gedrag in de christelijke geloofsopvatting is geworden, ondervond ik in 1989, toen ik een 'omgekeerde pelgrimstocht' maakte van Santiago de Compostela naar Amsterdam. Iedere zondag ging ik in een andere plaats naar de mis en hoorde ik dus een andere pastoor preken. Maar overal waar ik kwam, bleken pastoors dezelfde voorkeur te hebben: voor passages waarin Jezus kritiek uitoefent op een bekrompen ritualisme, of hoeren en tollenaars uitnodigt aan zijn dis. 'Prevel niet, dóé iets,' zoals een pastoor het uitdrukte.

              Topscorer was de Barmhartige Samaritaan (Lucas 10: 25-37), een gelijkenis die bij uitstek is toegesneden op een globaliserende wereld. Samaritanen waren outsiders, ze werden in de joodse wereld veracht. Met zijn barmhartigheid jegens een arme sloeber stak de Samaritaan dus de grens van zijn eigen stam over.

              Toch ben ik in mijn hart een beetje jaloers op zo'n Samaritaan. Eigenlijk had hij het maar makkelijk. Hij leefde in een kleine, overzichtelijke samenleving. Die ene sloeber naast de weg, de eenzame weg van Jeruzalem naar Jericho - we zouden er wat voor geven als onze gezichtskring daartoe beperkt bleef. Maar wij kennen het lot van álle sloebers langs alle wegen ter wereld.

Ietsisme als vlucht

De globalisering heeft ons niet alleen nieuwe schuldgevoelens gebracht, maar ook nieuwe angsten. Niet alleen de sloebers in de Derde Wereld staan tegenwoordig immers aan grote gevaren bloot, maar ook wij in het westen.

              Onze angsten zijn niet meer gericht op meedogenloze natuurkrachten of op een streng en wraakzuchtig opperwezen. De gevaren die ons nu bedreigen, zoals terrorisme en milieucatastrofe, zijn door mensen voortgebracht. Toch kunnen we ze ondanks al onze kennis en vermogens nauwelijks beheersen. De gevaren zijn zo groot en ongrijpbaar geworden dat het welhaast lijkt of er een externe instantie aan het werk is.

             

We hebben dus te maken met morele aanspraken die sterk zijn opgerekt en die we door de doorwerking van de christelijke traditie niet zomaar naast ons neer kunnen leggen. Daarnaast moeten we leven met angsten en gevaren die bijna even moeilijk te beheersen zijn als bovennatuurlijke krachten.

              Maar bij al die angsten, aanspraken en schuldgevoelens van onze tijd zijn we één ding kwijtgeraakt: de hulpmiddelen die we vroeger kregen bijgeleverd om er op een voor onszelf acceptabele manier mee om te gaan. De ondersteuning, het begrip, de duidelijkheid omtrent de grenzen van wat mogelijk was, en de vergeving voor het tekortschieten ten opzichte van al wat die grenzen te buiten ging. De kracht van offers, bezweringen en gebeden. Al die ezelsbruggetjes om een moreel bevredigend leven te leiden in een boze wereld, die vroeger in het kerkelijk geloof besloten lagen, zijn ons uit handen gelagen. We moeten het nu helemaal op eigen houtje doen. (dat is dus ook syncretisme, maar begon in de kerken zelf!)

              Het gecombineerd resultaat van al deze ontwikkelingen levert een geestelijke gesteldheid op die in de sociologie wordt aangeduid met het begrip 'anomie': een kortsluiting tussen culturele doeleinden en ter beschikking staande gedragsmogelijkheden. Als doelen en middelen langs elkaar heen schampen, wenden mensen uiteenlopende strategieën aan om hun verwarring en onzekerheid zo klein mogelijk te houden. Eén daarvan is: je terugtrekken uit het domein waar de kortsluiting plaatsvindt.2

              Misschien is de opkomst van het ietsisme te beschouwen als zo'n terugtrekkingsreactie. Niet uit onverschilligheid, egocentrisme of gemakzucht, maar eerder uit wanhoop. Een vlucht voor de eindeloos opgerekte morele aanspraken die het christendom ons naliet, juist in een periode waarin onze toerusting om daar op een geloofwaardige manier mee om te gaan, is vervlogen. Dan maar liever vluchten naar het donkerebomenbos, daar die hele morele pretentie van de joods-christelijke traditie aan de wilgen hangen en zelf wegkruipen in een holle ouwe eik.

Zo beschouwd is het ietsisme geen cynisch niksisme, maar eerder een vorm van wanhopig escapisme. Dit verschil in waardering verandert overigens weinig aan de uitwerking van het ietsisme. Vooralsnog lijkt de overgang monotheïsme --> ietsisme die we nu in West-Europa meemaken, het einde te bezegelen van de periode waarin religie de meerderheid van de bevolking een moreel plechtanker bood.


  1. De Volkskrant, 27-4-2000.
  2.  Het begrip 'anomie' is geïntroduceerd door Durkheim (Le Suicide, 1897) en later door Robert K. Merton uitgewerkt in zijn Social theory and social structure (1949).

Terug naar overzicht met artikelen