WAT NU?

 

[ Slotessay in: Hoe nu verder? 42 visies op de toekomst van Nederland na de moord op Theo van Gogh (uitgave Het Spectrum, 2006) ]

 

Nederland staat op scherp

Nederlanders zijn altijd goed geweest in dromen, schrijft Afshin Ellian in zijn bijdrage aan dit boek. 'De droom van neutraliteit tegenover het nazisme, de droom over de pacificatie van de islam en de droom van de paradijselijke multiculturele samenleving. Ongelooflijk veel heeft Nederland gedroomd, maar door de politieke islam is het ontwaakt.'

            Ontwaakt, door de politieke islam, en meer nauwkeurig: door de moord op Theo van Gogh. Wegkijken kan niet meer. Dat geldt voor iedereen die in Nederland woont, zonder onderscheid naar herkomst. Een dag na de moord hield de Amsterdamse wethouder Aboutaleb in een Amsterdamse moskee een kritische speech, met een oproep aan eenieder die de Nederlandse kernwaarden niet onderschrijft om zijn biezen te pakken. 'Geen zieligheid meer, geen slachtofferschap als excuus.' Hij kreeg applaus. 'Fermheid en helderheid moeten kennelijk worden afgedwongen', schreef hij later in Het Parool, 'en komen pas naar boven in tijden van crisis en onrust. Want had ik mijn speech op 1 november gehouden in plaats van op de derde, dan zou ik niet bejubeld en bewierookt maar bespuwd zijn, en was ik een splijtzwam in plaats van een bruggenbouwer.'

            Deze nieuwe onverschrokkenheid was een geluk bij een ongeluk – veel contribuanten aan deze bundel hebben dat gevoel. ‘Bij alle dramatiek is er hoop,’ schrijft mgr. Punt, bisschop van Haarlem. ‘Er is iets opengebroken in onze samenleving. De echte vragen komen op tafel.’ Abdulwahid van Bommel beaamt het: ‘Nederland staat op scherp. Dat is goed.’

            De moord op Theo van Gogh, de tragisch verlopen tasjesdiefstal in Amsterdam-Oost en de schrikbarende cijfers over eerwraak waren de laatste knallen van een soort zevenklapper waarmee Nederland zich bevrijdt van een overmaat aan politieke correctheid. De gebeurtenissen in de Oosterparkbuurt hadden iets van een grimmig straattheater, een groteske uitvergroting van de feiten – die daardoor onontkoombaar werden. Zelfs erkende softies als burgemeester Cohen, premier Balkenende en de commentator van de Volkskrant schrikken nu niet meer terug voor harde uitspraken.

            De debatcultuur in Nederland lijkt zich hiermee definitief te hebben ontworsteld aan de politiek-correcte inquisitie die haar een kwart eeuw lang verlamde. Je kunt geen krant meer opslaan, geen tv meer aanzetten of het gaat erover. Journalistieke overkill? Welnee – er valt nogal wat in te halen. Nederland begeeft zich voor het eerst in een echte ‘brede maatschappelijke discussie’, zonder dat er een stuurgroep of ombudsman aan te pas hoeft te komen.

            Toch is die discussie niet onbedreigd. Dit keer komt het gevaar van echte inquisiteurs, die iedere tegenspraak willen smoren in naam van het ware geloof. En die zich daarbij niet van woorden bedienen maar van daden. Zo kan het niet verder – dat was het gevoel dat de aanleiding vormde tot het maken van dit boek. Waar staan we nu? Is die ‘multiculturele samenleving’ van ons inderdaad een droom, zoals Ellian meent, of misschien gewoon een feit? En als dat zo is, wat betekent dat dan? Groeit er in Nederland een kloof tussen ‘wij’en ‘zij’? En als dat zo is, aan wie ligt dat dan? Is het gevaarlijk als immigranten en gevestigde Nederlanders ieder in hun eigen wereldje leven of  is er niks mis mee zolang ieder zich aan de wet houdt – aan onze ‘rituele omgangsvormen’, zoals Dittrich het uitdrukt? 

            Al die vragen, onzekerheden en angsten leefden vaag in ieders achterhoofd. Als we erover spraken, deden we dat aarzelend en voorzichtig. Bepaalde uitspraken waren letterlijk ‘ongehoord’. Theo van Gogh dacht daar anders over: álles moest gezegd kunnen worden. Door zijn dood kunnen we niet anders meer dan hem daarin volgen. Niet door zijn ‘stijl’ over te nemen en elkaar naar hartelust te beledigen. Wel door ieder denkbaar inhoudelijk standpunt luid en duidelijk naar voren te brengen.

            In dit boek bieden we daarom een podium voor de meest uiteenlopende en tegenstrijdige meningen. Auteurs zullen hoofdschudden, briesen en zich vertwijfeld naar het hoofd grijpen als ze elkaars bijdragen lezen. Prima. Het is beter alle stemmen te laten horen dan dat sommige stemmen ongehoord blijven. Dat is de essentie van de democratie die we samen hebben te verdedigen.

           

 

Is er een probleem?

Is de moord op Theo van Gogh een symptoom van een groter probleem? Niet iedereen is daarvan overtuigd. Het is merkwaardig een hele natie af te rekenen op de wandaad van een enkele, evident gestoorde persoon, vindt Van Rossem. ‘Wat de moordenaar heeft gedaan, kan iedereen met een vuurwapen, op elke plek en elk moment,’ stelt hij vast, zonder zich overigens af te vragen of dát nu juist niet de aanleiding vormde tot de heftige reacties.

            Niet alleen de verontrusting over dreigende islamterreur is volgens Van Rossem overdreven, hetzelfde geldt voor de gedachte dat de integratie van immigranten zich op dood spoor zou bevinden. ‘Vergelijkenderwijs is de positie van de Nederlandse immigranten heel behoorlijk.’ De veronderstelde ‘islamisering’ van Nederland is een vorm van bangmakerij waaraan alle feitelijke grond ontbreekt.

            Van Rossem is de enige die onbekommerd het glas heft op de situatie in ons land, een glas dat volgens hem dus half vol is. De andere auteurs zien een glas dat half leeg is of waarvan zelfs de bodem in zicht komt. Vrees voor een islamisering van Nederland is maar een van de redenen die daarvoor worden aangevoerd. Anderen zien juist in die vrees een groot gevaar, dat ons naar een onoverbrugbare wij-zij-tegenstelling kan voeren.

            Op een vergelijkbare manier wordt vrij algemeen vastgesteld dat de situatie van groepen jonge allochtonen problematisch is, maar worden die problemen sterk uiteenlopend beoordeeld. Zijn ze het gevolg van falend beleid, discriminatie en maatschappelijke achterstanden? Of moeten de betrokkenen, hun ouders, imams en moskeebesturen vooral de hand in eigen boezem steken?

            Over de meer acute vraag die in dit boek aan de orde is – bestaat er een reële terreurdreiging en kunnen we daar iets tegen doen? – lijkt meer overeenstemming te bestaan. De meeste auteurs achten zo’n dreiging aanwezig, ook al verschillen ze van mening over de oorzaken ervan, en komen met voorstellen om het gevaar in te dammen. De aard en de heftigheid van de aanbevolen maatregelen laat grote verschillen zien, maar er is overeenstemming over het doel daarvan: vastberaden opkomen voor de Nederlandse rechtsstaat, duidelijker en minder gemakzuchtig dan we de laatste tijd hebben gedaan. Die eensgezindheid en vastberadenheid is opmerkelijk en strekt tot het inzicht dat er in Nederland na de moord op Theo van Gogh werkelijk iets is veranderd.

 

Probleem: ‘de islam’, het radicaal-islamisme of de cultuurkloof?

Maar voordat we ons richten op de vraag ‘wat te doen?’ is een andere vraag aan de orde: wat is er eigenlijk aan de hand? Is er iets met ‘de’ islam, waardoor speciaal moslims slecht of niet integreren, vraagt Schoo zich af. Of gaat het niet om dat geloof, maar om ‘hun’ cultuur? In dat laatste geval hebben we te maken met de gebruikelijke aanpassingsproblemen van immigranten. Of misschien wel met de problemen die het oude Europa wel vaker heeft gehad met het opnemen van nieuwkomers. Waarschijnlijk spelen al die factoren een rol, denkt Schoo. Ja – ook de mogelijkheid dat er ‘iets is’, niet alleen met de politieke islam en het islamisme, maar met de islam als zodanig. Het is de vraag hoe ‘inschikkelijk’ de islam is als minderheidsreligie onder wereldlijk gezag.

            Boekestijn is hierover meer uitgesproken: een scheiding tussen de politieke islam en de islam als zodanig is kunstmatig. Niet ‘alle’ maar toch ‘talloze’ moslims delen in de droom dat de islam in de strijd met zijn vijanden uiteindelijk de overwinning zal behalen. Veel imams wijzen de politieke aspiraties en de gewelddadige methodes van al-Qaida af, maar prediken toch diezelfde overwinningsdroom. Nahed Selim ‘durft de stelling aan dat er een onverenigbaarheid bestaat tussen de orthodoxe islam en de moderne, seculiere samenlevingsvorm in West-Europa.’ Kijk alleen maar naar de manier waarop vrouwen in de orthodoxe islam worden behandeld: als minderwaardige wezens.

            Ellian is evenmin vrolijk gestemd over de traditionele islam. De koran, geboren temidden van oorlogen en rooftochten, stelt de politieke heerschappij voorop – niet over een specifiek volk maar over alle volkeren. De profeet Mohammed pleegde vele terroristische aanslagen op vijanden van de islam. ‘In overeenstemming met deze traditie heeft de Nederlandse Mohammed B. gehandeld.’ Maar daarmee is volgens Ellian niet gezegd dat moslims vijanden zouden zijn van de democratie. Hij wil juist wel onderscheid maken tussen islam en politieke islam. De islam als mystiek-religieus fenomeen gaat alleen het hart van de mensen aan. ‘Moslims kunnen net als anderen onder een democratisch politiek systeem leven en ook in de islamwereld wordt op velerlei terreinen gestreden voor de invoering van seculiere beginselen.’

            Ook Jozias van Aartsen verzet zich met kracht tegen de ‘Huntington-doctrine’ dat er een onoverbrugbare kloof zou bestaan tussen de islamitische en de westerse beschaving. ‘Het grootste gevaar is nu niet het extremisme, maar de fall-out daarvan in de vorm van nieuwe tegenstellingen,’ zegt Breedveld. Fraihi wijst op de verschillen binnen de islamitische cultuur en de gelijkenissen tussen de westerse en islamitische culturen. ‘Alsof er geen miljoenen moslims bestaan die vrouwenbesnijdenis, gedwongen huwelijken, het dragen van een burqa en erewraak radicaal afkeuren en met alle mogelijke democratische middelen bekampen.’

            ‘De islam stimuleert het gebruik van de ratio’, stelt Azghari vast. De koran ‘spoort aan om verder te studeren en niet om geweld te plegen.’ De profeet koos immers voor de rechtvaardigheid en daarom voor de zwakkeren in de maatschappij. ‘Zij hadden hem niets materieels te bieden. Hij vond dat ook hun stem gehoord moest worden. De stem van een slavin was even waard als die van haar bazin. Zo bezien was hij een echte democraat.’

            Leezenberg gaat verder: ook de hedendaagse radicale islam heeft niets van doen met een clash of civilizations. De islamitische wereld kende het grootste deel van zijn geschiedenis juist een tolerante, seculiere en multiculturele staatsinrichting waaraan de christenen van die tijd een puntje konden zuigen. En heeft de islam geen Verlichting doorgemaakt? Kom nu toch – al in de tiende eeuw verklaarden filosofen als Farabi en Averroës de rede superieur aan de religieuze openbaring. En in de negentiende eeuw omhelsde het Ottomaanse Rijk de Franse Verlichtingsidealen, met gelijkheid voor alle burgers, niet-moslims incluis.

            Extremistische bewegingen laten zich volgens Leezenberg dan ook niet inspireren door enig klassiek-islamitisch model, maar door latere romantisch-nationalistische ideeën. En, niet te vergeten, door het Koude Oorlog-sentiment tegen de Amerikanen, vanwege hun steun aan corrupte regimes in het Midden-Oosten. De hedendaagse politieke islam is dus een ‘door en door modern verschijnsel’. De al-Qaida-ideologie spreekt kleine aantallen moslimjongeren aan om soortgelijke redenen waarom twintig jaar geleden jongeren wereldwijd in de ban raakten van radicaal-linkse ideeën.

De gedachte dat niet ‘de islam’ verantwoordelijk is voor de problemen van gebrekkige aanpassing, valt ook empirisch te onderbouwen. Schoo wijst op de snelle en succesvolle integratie van Surinaamse ‘rijksgenoten’, onder wie ook een groep islamieten van Hindoestaanse afkomst. Pinto noemt de immigranten uit Indonesië, van wie een aantal eveneens de islam belijdt. Deze immigranten spraken bij hun aankomst Nederlands, deelden een stuk geschiedenis met Nederland en hadden vaak een behoorlijke opleiding. De nieuwkomers uit Turkije en Marokko daarentegen waren afkomstig uit zwaar onderontwikkelde streken en vrijwel ongeschoold.

            Stop ermee om het spanningsveld in de religie te zoeken, zegt Pinto dan ook. Het fundamentele probleem zit hem in de cultuurkloof tussen westerse en niet-westerse waarden en normen. Als het debat dáárop wordt gericht, zal ook ‘de trots van de moslim op zijn geloof’ niet worden gekrenkt.

            Nahed Selim meent evenals Schoo dat religie èn cultuur verantwoordelijk zijn. Het grootste deel van de Nederlandse moslimjeugd krijgt een opvoeding die ‘het slechtste van de islam (discriminatie tegen vrouwen, homseksuelen, atheïsten en joden)’ combineert met ‘tradities uit de onderdrukte en onderontwikkelde gebieden van herkomst (gedwongen huwelijken, vrouwen- en kindermishandeling, besnijdenis en eerwraak)’.

 

De Nederlandse elite schoot tekort, maar hoe?

We nemen aan, met de grote meerderheid van de auteurs, dat er een probleem is, en dat wellicht ‘de islam’, maar in ieder geval een verschil in culturele achtergrond, daarbij een rol speelt. Maar zijn deze verschillen zo onoverkomelijk dat ze onvermijdelijk tot de huidige problemen moesten leiden? En als dat niet zo is, wie is er dan voor verantwoordelijk dat die problemen zijn ontstaan?

            Boekestijn, Jansen en Van Baar zijn het erover eens dat we die verantwoordelijkheid voor een deel bij onszelf moeten zoeken. Nederland is, met zijn eeuwenlange traditie van schikken en plooien, niet voorbereid op de confrontatie met een ‘cultuur des doods’. De Nederlandse politieke elite loste conflicten altijd vreedzaam op door nieuwe machtsbeluste groepen zo snel mogelijk te incorporeren, schrijft Jansen. Het valt volstrekt buiten haar bevattingsvermogen dat er groepen bestaan ‘die je naar het leven staan, die er niet op uit zijn in de macht te delen, maar die zich van de macht willen meester maken.’

            Van Baar hekelt de cultuur van ‘vrijblijvende ironie’ en appeasement waarin de Nederlandse culturele elite is gespecialiseerd. ‘Wij pacificeren liever dan dat we partij kiezen.’ Daardoor werd ‘de duistere kant van de islam’ op een besmuikte manier ontzien. Dat moest een keer tot brokken leiden.

            Wansink benadrukt vooral de reactie van de politiek: de politieke gezagsdragers weten zich geen houding te geven in de strijd tegen het moslimterrorisme. Ook hij legt de schuld dus vooral bij de elite. De opkomst van Pim Fortuyn liet al zien dat die vervreemd was geraakt van de nieuwe agendapunten van de kiezers, zoals bestrijding van terrorisme, migratie en integratie.

Ook auteurs die zelf uit immigrantengroepen voortkomen, zoeken de schuld veelal bij de Nederlandse elite. Alleen ligt die schuld nu niet in een te grote mate van toegeeflijkheid in het verleden, maar in de meer recente reactie daarop: het meegaan in en aanwakkeren van xenofobe gevoelens. John Leerdam deed eind jaren negentig als theaterregisseur een project met criminele allochtone jongeren, en merkte dat zij zich door de maatschappij ‘als oud vuil behandeld voelden’. Als reactie trokken ze zich terug onder elkaar en sloegen bikkelhard en meedogenloos terug.

            Rabbae constateert al sinds de periode-Fortuyn ‘een ware emancipatie van de onderbuik’. Moslims voelden zich ‘steeds meer vogelvrij verklaard. De moord op Van Gogh moet volgens hem in dat licht worden bezien. Benzakour werkt ditzelfde thema uit in een gefingeerde biografie van Mohammed B. In café en tram moeten portiers en controleurs steeds hem hebben en zijn sollicitaties lopen op niets uit. Daardoor rest hem weinig anders dan een vrijwilligersbestaan in een buurt die hij tastbaar ziet verloederen. Zijn moeder sterft jong aan een longinfectie, aangewakkerd door de gebrekkige vochtregulatie in de beschimmelde behuizing. Zo wordt hij een gemakkelijke prooi voor de ronselaars voor de jihad.

            Kees Beekmans gaat, na tien jaar te hebben lesgegeven op zwarte scholen, een eind in deze gedachtegang mee. Veel van zijn leerlingen voelen zich vernederd en behandeld als tweederangs burgers en ontwikkelen daardoor een gevoel van wrok. Als Nederland hen dan niet moet, dient al gauw de islam zich aan als weg naar zelfrespect en identiteit. ‘Hadden ze überhaupt’, vraagt hij zich af, ‘op hun zwarte school, zonder Nederlandse vrienden, voor de Nederlandse identiteit kúnnen kiezen?’ Ook Mohammed B. is het zo vergaan, denkt Beekmans.

            Na de moord is de situatie er, aldus Azghari, nog slechter op geworden: ‘Een bruisende haat, die in de diepste onderbuik van Nederland verborgen was, schoot via de mond als een groene smurrie eruit.’ Uitsluiting, racisme en xenofobie worden op dit moment op pathologische wijze ontkend en genegeerd, vult Marmouch aan. Het anti-islamitische en antiminderhedenbeleid wordt met een rotgang door de Kamer geleid en we zijn nu op weg naar ‘een democratie waarin de meerderheid een minderheid mag terroriseren met wetgeving die haar existentie reguleert.’

            Moet de terreur inderdaad aan Nederlandse zijde worden gezocht? Is ons land in de greep van een ‘bruisende haat’ tegen vreemdelingen? Ook als van die aannames maar de helft waar zou zijn, dan nog verdient deze aantijging aan het adres van de culturele en politieke elite aandacht. Ook dan is de vraag op zijn plaats of het niet beter was geweest als de bejegening van moslims en andere immigranten zich op een meer geleidelijke manier had ontwikkeld, zodat een bruuske omslag van toegeeflijkheid naar repressie was uitgebleven.

 

‘Eigen schuld’

‘Je bent een rund als je met de islam stunt’, grapten Dolf Jansen en Hans Sibbel tijdens hun oudejaarsconférence, met een stille verwijzing naar minister Brinkhorst, die het maken van de film Submission vergeleek met het opsteken van een sigaret in een munitiedepot. ‘Eigen schuld, dikke bult’, leek Brinkhorst daarmee te willen zeggen, en hij was lang niet de enige. Zowel binnen als buiten moslimkringen viel de mening te beluisteren dat Van Gogh de moord had uitgelokt en dus eigenlijk, zoals Rutenfrans het uitdrukt, ‘zelf de dader was van het misdrijf dat hem het leven kostte’.

            Rutenfrans verklaart deze merkwaardige eensgezindheid tussen moslims en nogal wat Nederlanders uit een combinatie van culturele reflexen die wonderwel in elkaar passen. Nederlanders, met hun schuldcultuur, zijn al gauw geneigd tot zelfkritiek, zeker in de ‘gevoelige’ omgang met afwijkende culturen. Islamieten hebben een schaamtecultuur die juist vijandig staat tegenover zelfkritiek: niet wie een moord heeft gepleegd, maakt de moslimgemeenschap te schande, maar wie dat toegeeft. ‘Vandaar dat veel Nederlanders – zij het vanuit een geheel andere cultuurpsychologische achtergrond – zich aansloten bij veel moslims om het slachtoffer Van Gogh en de potentiële slachtoffers Hirsi Ali en Geert Wilders tot daders te maken.’

            De eigen-schuldtheorie is niet alleen slecht maar ook dom, vindt Cliteur. ‘Het moslimterrorisme had Van Goghs columns en films echt niet nodig om tot zijn moorddadig werk te worden gemotiveerd. Er waren banden tussen Mohammed B., de Hofstadgroep en de plegers van de aanslag in Madrid.’ Bovendien werden behalve Van Gogh en Hirsi Ali ook Aboutaleb en Cohen bedreigd. Allebei ‘keurige mannen’ die zich tot dusver steeds vriendelijk hadden uitgelaten over de islam.

            De schuld van de moslimterreur ligt uitsluitend bij degenen die tot de moorden aanzetten, ze plegen en rechtvaardigen, vindt ook Mat Herben. Dat de tentakels van deze wereldwijde beweging zich nu ook uitstrekken naar Amsterdam, betekent niet dat er iets schort aan onze samenleving. Integendeel: een democratische maatschappij waarin religies vreedzaam samenleven, roept juist de agressie op van fanatieke extremisten die het alleenrecht opeisen voor hun wereldbeeld. Ook Nahed Selim gelooft niet dat de kritiek op de islam in Nederland verantwoordelijk is voor de toename van extremisme onder moslimjongeren. Datzelfde extremisme is immers ook in islamitische landen aanwezig.

            Onze eigen houding of daden hebben geen enkele invloed op het gedrag van radicale moslims, vindt ook Boekestijn. Evenmin biedt het Israëlisch-Palestijnse conflict of de oorlog in Irak een verklaringsgrond. Het gaat de islamisten om verzet tegen de westerse democratie en beschaving. De zaak Mohhamed B. leert ons dat inburgering en onderwijs geen aanslagen voorkomen, redeneert Boekestijn verder, in een heel andere appreciatie van Mohammeds verleden dan Benzakour schetste. Mohammed is juist relatief hoog opgeleid en goed geïntegreerd – net als de studenten die de Twin Towers binnenvlogen. ‘De aanslagen ontspruiten dus niet aan falende inburgering maar aan de bewuste beslissing van intelligente mensen om de democratische rechtsstaat te vernietigen.’

 

Wat wil de moslim?

‘De moslim’ bestaat niet. Toch hebben moslims in de ogen van Nederlanders iets gemeen: ze zijn ánders. Even los van de vraag aan wie dat ligt: de islamitische cultuur is voor de meeste Nederlanders een black box. Op dit moment zijn moslims voor hen even moeilijk te begrijpen als vrouwen volgens Freud voor mannen. Daarom: ‘Wat wil de moslim?’

            De raadselachtigheid begint al met de vraag hoeveel moslims er in ons land eigenlijk zijn. Betrouwbare getallen bestaan niet, stelt Jansen. De Nederlandse overheid schat hun aantal op een miljoen, waarbij iedereen wordt meegerekend die uit een islamitisch land binnenkomt plus zijn hele nageslacht, inclusief degenen die het moslimgeloof aan de wilgen hebben gehangen. Dat miljoen is dus zwaar overdreven, stelt Jansen. Volgens hem bedraagt het feitelijke aantal op zijn allerhoogst twee- tot driehonderdduizend. Van Rossem nuanceert de invloed van ‘de moslims’ nog verder door erop te wijzen dat zij naar herkomst en cultuur zeer divers zijn, daardoor heel verschillend op Nederland reageren en dus ook geen ‘cultureel onverteerbaar brok in de Nederlandse samenleving’ vormen.

            Jansen en Van Rossem baseren zich op schattingen en ruwe indrukken. Betrouwbaar onderzoek is nooit gedaan, door een samenspel van terughoudendheden in Nederlandse en islamitische kring. Enerzijds verbood de jarenlange politieke correctheid het in kaart brengen van etnische groepen als afzonderlijke entiteiten; anderzijds speelde de geslotenheid van de moslimwereld een rol. Daardoor weten we niet hoeveel mensen van islamitische herkomst ernst maken met hun geloof. En evenmin hoe zij aankijken tegen radicaal islamisme en moslimterreur. Hoeveel procent van die miljoen beoefent, steunt, gedoogt, vreest, verwerpt en bestrijdt het terrorisme?

            Theo van Gogh sprak van een ‘vijfde colonne’ die in ons land klaarstaat om aanslagen te plegen. Hij had gelijk: een vijfde colonne is volgens Van Dale een ‘benaming voor verkapte aanhangers van een vijandelijke macht in het eigen land’. Wat we niet weten is hoe groot die vijfde colonne is. Volgens Jansen wordt – terwijl het aantal ‘gewone’ moslims dus schromelijk wordt overschat – het aantal radicale moslims juist systematisch onderschat. De AIVD kwam begin 2004 op honderd tot tweehonderd, maar hield na de moord op Van Gogh rekening met tienduizend. Jansen gokt dat zo’n twintig procent van de Nederlandse moslims tot deze fanatieke groep behoort.

            Hoeveel procent van de ‘gewone’ moslims sluit zich stilzwijgend bij deze voorhoede aan, zodat die zich binnen de islamitische gemeenschappen kan verschuilen? Jansen schat deze middengroep op vijftig procent. Daarnaast zou dertig procent ‘afvallig’ zijn.

‘Gewone Nederlanders’ baseren hun indrukken van ‘gewone moslims’ niet op dit soort cijfers, maar op eigen ervaringen. Die ervaringen zijn verre van eenduidig. Aan de ene kant maakt iedere Nederlander moslims mee in het dagelijks leven. Die contacten zijn vaak niet bijzonder close, maar evenmin onvriendelijk en soms hartelijk.

            Aan de andere kant weten die gewone Nederlanders dat niet onaanzienlijke percentages Nederlandse moslims begrip en sympathie hebben voor Osama en Saddam. Zagen ze jonge moslims in enthousiaste bewondering voor AEL-leider Aboe Jahjah, de man die een soort euforie beleefde toen hij op 11 september mensen van de Twin Towers zag neerdwarrelen. Lazen ze over regelrecht antisemitische uitingen bij anti-Israël-demonstraties. Zien ze jonge moslims op tv die de moord op Van Gogh begrijpelijk vinden. Ook onder de leerlingen van Kees Beekmans kwamen zulke vergoelijkende reacties voor. Hij verklaart ze uit frustratie: zij hoorden er toch niet bij? Wij wezen hen toch af? Maar veel Nederlanders hebben dat gevoel helemaal niet. Mensen die het altijd prima konden vinden met hun Marokkaanse buurman, worden nu opeens opgezadeld met angst voor een ongrijpbaar fenomeen.

            Rabbae ervaart deze angsten als vooroordelen. Zo vindt hij het ‘zeer verwerpelijk en grievend’ om 9/11 te betitelen als een aanval op de westerse beschaving. Daarmee wordt de indruk gewekt dat moslims ‘deze aanslag verwelkomden als passend in hun eigen beschaving’ – waarmee een scheiding wordt aangebracht tussen ‘wij beschaafde westerlingen’ en ‘zij onbeschaafde oosterlingen’.

            In deze verontwaardiging staat Rabbae niet alleen. Nederlanders krijgen vaak het verwijt dat ze zich door het hebben van angst schuldig maken aan het stigmatiseren en criminaliseren van moslims. Op zich zou het niet zo vreemd zijn als zulke sentimenten zich zouden voordoen. Nu een periode van politiek-correcte zelfcensuur bruusk ten einde komt in een context van geweldsdreiging, kun je stigmatiserende reacties bijna voorspellen. Punt is alleen: ze zijn er nauwelijks! Na de moord op Van Gogh is er ‘relatief weinig gebeurd’, stelt Jaffe Vink. Ook Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, vindt dat de Nederlandse bevolking zich toen ‘buitengewoon fatsoenlijk en terughoudend’ heeft opgesteld. ‘Er zijn geen Marokkanen gelyncht, mensen zijn niet brandschattend door de wijken getrokken, niks.’ In Rotterdam en Den Haag, waar de etnische spanningen het grootst zijn, gebeurde niets. Alleen een Turkse school en een moskee in een dorp in de Peel vielen ten prooi aan ‘vandalisme van kwajongens’.

            Ook de verwijten van generalisatie en stigmatisering aan het adres van de Nederlandse media missen iedere grond. De media blijven buitengewoon genuanceerd in hun weergave van standpunten en problemen rond immigratie en islam. Daarover past geen schaamte, maar een gevoel van trots. Sterker: als Nederlandse journalisten al blijk geven van generaliseren, dan doen ze dat de andere kant op! Tot vervelens toe wordt de mantra herhaald dat de problemen worden veroorzaakt door een zeer kleine groep moslims en dat de grote meerderheid daar niets mee te maken heeft.

            Het overgrote deel van de politici stelt zich op hetzelfde standpunt. Zo spreekt VVD-aanvoerder Van Aartsen in deze bundel van ‘een tegenstelling tussen enkele tientallen of honderden religieuze radicalen aan de ene kant en alle andere oude en nieuwe Nederlanders, inclusief de overgrote meerderheid van de één miljoen moslims, aan de andere kant’. Maar kunnen we daar nog wel zo zeker van zijn? Als de schattingen van Jansen en de AIVD kloppen, moeten er vraagtekens worden gezet bij deze aanname. Misschien is die koppig herhaalde uitspraak over een kleine groep boosdoeners ook een bezweringsformule om angstige onzekerheid te maskeren. Want we weten het niet. Alles wat we hebben zijn schattingen, indrukken, vraagtekens. Daar moeten we het mee doen zolang de grote moslimmeerderheid zijn mond blijft houden.

            Maar waarom is die meerderheid eigenlijk zo stil? Rutenfrans weet het antwoord: uit angst. Het moslimradicalisme keert zich het heftigst tegen ‘afvalligen, waartoe in principe alle gematigde moslims gerekend kunnen worden. Die gematigde moslims weten dat ook, en daarom horen wij zo weinig van hen.’ Nausicaa Marbe schreef het vorig jaar december al in Trouw: ‘De grootste vijand van moslims in Nederland is niet de xenofobe autochtoon, maar de radicale islam.’

 

Moeten moslims zich ‘verantwoorden’?

‘Mohammed B. moordde in naam van Allah. U bent moslim. Voelt u zich niet medeverantwoordelijk voor zijn daad?’ Doodmoe wordt Youssef Azghari van die vraag. Ieder individu is toch zelf verantwoordelijk voor zijn handelen?

            Nee, vindt Rita Verdonk, dat geldt niet als het om levensbedreigend radicalisme gaat. ‘Autochtonen én allochtonen in Nederland mogen radicalisme niet oogluikend toestaan en goedpraten, maar moeten het afkeuren en het actief tegengaan. Ik vind het belangrijk dat moslims, ook al hebben zij voor hun eigen gevoel hier niets mee te maken, zich hier duidelijk over uitspreken.’ Berger spreekt van een ‘Catch- 22-situatie’: het is begrijpelijk dat moslims worden aangesproken op terreurdaden, maar het is even begrijpelijk dat ze hevig verontwaardigd zijn dat ze zich publiekelijk moeten rechtvaardigen als ‘idioten en misdadigers toevallig hun religie misbruiken voor hun afgrijselijke daden’.

            Maar is het wel ‘verantwoording’, ‘rechtvaardiging’ of zelfs ‘collectieve boetedoening’ (Majiti) die van moslims wordt gevraagd? Je kunt ook zeggen dat Nederlanders steeds opnieuw die vraag stellen uit een gevoel van oprechte verbazing. Waarom lopen islamieten niet voorop in het protest, nu hun geloof dreigt te worden geassocieerd met bloeddorstigheid en blasfemie? Zeker als overal in de wereld islamitische organisaties woedend spreken van een ‘aanval op de islamitische gemeenschap’, zou je verwachten dat andersdenkende islamieten een niet te stuiten behoefte voelen om zich daarvan te distantiëren.

            Dat dit zo schoorvoetend gebeurt, is vanuit de moderne westerse cultuur, waarin kritiek en authenticiteit een belangrijke rol spelen, nauwelijks te begrijpen. Toen het streng gereformeerde Zuid-Afrika de apartheid probeerde te funderen op bijbelse gronden, spraken christelijke kerken in Nederland en elders ter wereld zich daar hard tegen uit. Zij voelden zich aangesproken en probeerden al hun invloed aan te wenden. Als de boycot van Zuid-Afrika destijds was aangemerkt als een aanval op de ‘christelijke wereldgemeenschap’, waren christelijke kerken helemaal van woede ontploft. Of neem de actiegroep ‘een ander joods geluid’, die zich verzet tegen de claim dat joden op bijbelse gronden recht hebben op Palestijns gebied. De leden van die groep kwamen niet in actie doordat anderen hen ‘ter verantwoording riepen’ maar doordat zij zélf die behoefte voelden.

            Paul Scheffer maakte in NRC Handelsblad onlangs de vergelijking met de ‘pijnlijke waarheidsvinding’ die in het westen plaatsvond rond het verband tussen christendom en antisemitisme. ‘Je kan wel blijven volhouden dat het christelijk geloof is doordrenkt van naastenliefde, maar daarmee vind je de waarheid niet.’ Hij stelt de Duitsers ten voorbeeld, die zich dit soort vragen wél hebben gesteld, en zich daarmee van een last bevrijdden.

            Intussen lijkt de moord op Theo van Gogh op dit punt wel verandering te brengen. Ahmed Aboutaleb deed een oproep aan de ‘grote, zwijgende meerderheid van moslims’ om zich uit te spreken tegen het radicalisme. Volgens Leezenberg ‘distantieert de overgrote meerderheid van Nederlanders met een moslimachtergrond zich ondubbelzinniger dan ooit tevoren van dergelijke gewelddadige uitwassen.’ Minister Verdonk voelt zich gesteund door het feit dat vrijwel alle islamitische organisaties in Nederland de moord scherp hebben veroordeeld. Waaraan Rutenfrans toevoegt dat die organisaties ‘niet meer dan vierhonderd demonstranten op de been wisten te brengen om die afkeuring concreet gestalte te geven’. Maar zelfs dat was tot voor kort ongekend.

 

Wat te doen?

Nederlanders zijn dromers, maar ook doeners. De overheid zette, toen duidelijk werd dat ‘gastarbeiders’ en ‘rijksgenoten’ in feite immigranten waren, een ‘minderhedenbeleid’ op poten. Of het veel geholpen heeft, is een vraag waarover de laatste jaren intensief wordt gediscussieerd.

            Bieden de gebeurtenissen rond de moord op Van Gogh aanknopingspunten om dit beleid op een andere leest te schoeien? Dat is nog niet zo eenvoudig, schrijft De Beus. We staan voor een ‘trilemma’: het zoeken is naar initiatieven die goed zijn voor ‘terreurbestrijding, pacificatie en integratie tegelijk’. Maar wat goed is voor het een, pakt slecht uit voor het ander. Toezicht houden op moskeeën en huiskamerbijeenkomsten is goed voor de terreurbestrijding maar slecht voor de pacificatie en integratie. Aan de andere kant is het gedogen van radicale imams goed voor de pacificatie maar slecht voor integratie en terreurbestrijding.

            Wat te doen? In ieder geval: de nieuwe openheid van debat die we hebben verworven, consolideren en uitbreiden. Het is niet genoeg, schrijft Wouter Bos, om wetten te maken en je daaraan te houden. Dat is ‘passieve tolerantie’. Maar we moeten ook in gesprek blijven over de vraag waar de wet moet worden aangepast. Dat betekent: je in het openbaar uitspreken, van alles kunnen zeggen. Dit pleidooi voor ‘actieve tolerantie’ wordt door Ellian doorgekaatst richting islam. Laten we de islam niet langer ontzien in onze kritiek, schrijft hij, dat is eigenlijk een vorm van discriminatie. Meer kritiek op en meer grapjes over de islam graag – ‘dat zal de moslims tolerantie leren’.

            Ook Rabbae en Marmouch vinden dat we de islam eindelijk eens serieus moeten gaan nemen, maar dan in zijn streven naar zelforganisatie. Moslims moeten zonder hinder hun instituties kunnen realiseren. Nederland zal te maken krijgen met islamitische middelbare scholen, islamitische thuiszorg, een islamitische politieke partij. ‘Alleen zo bereiken we een positie waarin er naar ons geluisterd moet worden.’ Nee, zegt Nahed Selim, zelf moslima, dat moeten we juist vooral niet doen! ‘Van een islamzuil kan geen integratie maar slechts vrijwillige segregatie verwacht worden,’ met als rampzalig gevolg dat de ondergeschikte positie van vrouwen gehandhaafd blijft.

            Aan de andere kant is Hans Jansen, zeker geen moslim, juist wel voorstander van islamitische politieke partijen. Het zou goed zijn als de Nederlandse moslims ‘op normale wijze aan het politieke proces deelnamen, niet via voorhoedes van radicalen en subsidieallochtonen.’ Arslan is om diezelfde reden voorstander van een ‘linkse politieke partij van minderheden’: daarmee kunnen geëmancipeerde minderheden tegenwicht bieden aan de ‘overvloed van rechtse en orthodoxe geluiden’ uit hun kringen.

            Maar erkenning van de moslimaanwezigheid gaat verder dan dat. ‘Een groot deel van de autochtone bevolking heeft de moslims feitelijk niet als volledige medeburgers geaccepteerd’, stelt Rabbae. Fraihi hekelt de gedachte dat allochtonen nog zouden moeten ‘evolueren’ en gekneed moeten worden naar het Nederlandse beschavingsideaal. Als er beschaafd moet worden, dan van beide kanten! Harchaoui trekt deze lijn verder door. De opkomst van de islam in een geseculariseerde samenleving vraagt om een nieuwe vormgeving van de verhouding tussen staat en godsdienst. ‘Breed en diep zou het besef moeten ontstaan met zijn allen als inwoners van dit land op weg te zijn naar een Nieuw Land (NL). Nederlanders moeten voorbereid worden op diepe veranderingen die zich in duizelingwekkend tempo zullen voortzetten.’

            Aanpassing dus, niet alleen van de moslimcultuur maar ook aan die cultuur. Het zijn niet alleen auteurs uit de islamitische sfeer die daarvoor pleiten. ‘Integreren is meedoen’,schrijft minister Verdonk. Voor migranten betekent dit dat ze werkelijk volhartig kiezen voor de Nederlandse samenleving. Maar voor autochtone Nederlanders betekent het dat ze zich moeten realiseren dat allochtonen en moslims erbij horen. ‘Autochtone Nederlanders zullen hun kennis over de islam moeten verbreden. En werkgevers zullen moslims een eerlijke kans moeten geven in sollicitatieprocedures, ook als zij een hoofddoek dragen.’

            Zo raken we in de buurt van de hamvraag: in hoeverre kan Nederland een Leitkultur proclameren waarnaar nieuwkomers zich maar hebben te voegen? Dat we daar een probleem van maken, is volgens Jaffe Vink een typisch westerse vorm van zelfkwelling. Cultuurrelativisme en godsdienstrelativisme leren dat alle culturen en religies gelijkwaardig zijn. Onzin, vindt hij: ‘mensen zijn gelijkwaardig, maar een totalitaire cultuur is niet gelijkwaardig aan een democratische cultuur.’ Wat betekent dat in de praktijk? Die vraag laat zich uiteindelijk alleen laat beantwoorden aan de hand van concrete kwesties. Moet een vrouwelijke minister bijvoorbeeld genoegen nemen met een hoofdknik in plaats van een handdruk als ze een imam ontmoet? Ja, zegt Bos, maar ze mag ook haar ongenoegen daarover kenbaar maken. Dat is ‘actieve tolerantie’.

            Maxime Verhagen wil verder gaan. Hij pleit voor ‘een Europese islam en een Europese Leitkultur’. Westerse waarden moeten voorrang krijgen, inclusief gelijkheid van man en vrouw. ‘We staan op een tweesprong. Als we die slag niet kunnen maken, krijgen we een probleem.’ En hij citeert de Duitse islamkenner Bassam Tibi: ‘Óf Europa europeaniseert de islam, óf de islam islamiseert Europa.’

 

De rechtsstaat moet zich harder verdedigen

Dit verschil tussen gematigden en hardliners tekent zich scherp af als we de vraag naar de Leitkultur toepassen op het domein van grondrechten en democratie. De koran bevat niet alleen richtlijnen voor het persoonlijk geloofsleven, maar ook voor de inrichting van de burgerlijke samenleving, en erkent geen scheiding tussen wereldlijk en religieus recht. Creëert de democratie dan niet haar eigen paard van Troje door een geloofsgroepering binnen te laten die, als ze aan de macht komt, de democratie om zeep zal helpen? Wouter Bos constateert dat die vraag verre van nieuw is. Ook de SGP laat er geen misverstand over bestaan dat ze, aan de macht gekomen, de scheiding van kerk en staat en de gelijkberechtiging van vrouwen en homo’s zou afschaffen. ‘In een democratie mag heel veel’, zegt Bos, ‘zolang politieke doelstellingen vreedzaam worden nagestreefd.’

            Nee, zegt zijn collega-fractievoorzitter Maxime Verhagen, een rechtsstaat moet zijn grenzen kunnen trekken, juist ook tegenover diegenen die hem geweldloos proberen te ondermijnen. ‘Wanneer er in Nederland een democratische meerderheid zou ontstaan voor het invoeren van de sharia, moet je dat kunnen tegenhouden, want die ideeën gaan in tegen onze waarden en onze onvervreemdbare rechten.’

            Spruyt bepleit dat we zulke ‘rechtsnormen met een versterkte geldingskracht over andere normen’ vastleggen in de Grondwet, zoals dat ook in Duitsland is gebeurd. Deze ‘superlegaliteit’ houdt in dat vrijheden en rechten voor allen gelden, maar niet onvoorwaardelijk. Misbruik van die rechten en vrijheden moet kunnen worden bestraft met het verlies van die grondrechten.   

            Maxime Verhagen denkt in dezelfde richting, maar neemt daarbij liever een shortcut via het Wetboek van Strafrecht. Het kabinet werkt aan een wetswijziging waarbij opruiing tegen de democratische rechtsorde strafbaar wordt, evenals het verheerlijken van terroristische misdrijven. Wanneer een imam haat zaait of tot geweld oproept, moet het mogelijk zijn hem het land uit te zetten, zijn moskee te sluiten en het bestuur strafrechtelijk te vervolgen.

Natuurlijk worden er bij dit soort voornemens ook vraagtekens gezet. De kritiek is van tweeërlei aard: zulke maatregelen druisen in tegen typisch Nederlandse vrijheden, en: het klinkt stoer maar het werkt niet.

            ‘We moeten van de staat wel heel veel vrijheden inleveren omdat de staat veertig jaar lang heeft geblunderd,’ meent Roele. ‘Het enige wat de staat moet doen is geweld bestrijden; niet meningen.’ Harchaoui vindt dat we, alvorens de kant op te gaan van een ‘gedachtepolitie’, meer duidelijkheid moeten scheppen over het politieke kader waarbinnen deze maatregelen horen te passen.

            Leezenberg wijst op praktische bezwaren. Tegenwoordig wordt de radicale islam minder vaak gepredikt in de moskee door pas-geïmmigreerde imams uit het Atlasgebergte, dan op het internet door hoger opgeleide jongeren die in Nederland zijn opgegroeid en dikwijls de Nederlandse nationaliteit hebben. ‘Het internet valt niet te sluiten, en Nederlanders kunnen niet verbannen worden.’

 

Op de bres voor kernwaarden – maar welke ook alweer?

Ook buiten de bestuurlijk-juridische sfeer staan vertrouwde zekerheden onder druk. Van nieuwe Nederlanders wordt gevraagd zich aan te passen aan onze basiswaarden, maar weten we eigenlijk nog wel welke dat zijn? In het hooghouden van die kernwaarden zijn we de laatste tijd nonchalant geweest, stelt Spruyt. We zijn uit het oog verloren wat ons eigen verleden en onze eigen identiteit waardevol maakt. Daardoor weten we niet meer welke ‘onopgeefbare en ononderhandelbare’ waarden we moeten beschermen.

            Smalhout, Punt, Majiti en Rouvoet brengen deze verschraling van ons zelfbewustzijn in verband met het wegebben van religie uit onze samenleving. Herben valt hen bij. Hoe sterk staat de ontkerkelijkte Nederlander in zijn schoenen in de discussie met nieuwkomers uit islamitische landen die de westerse samenleving zien als decadent? Het is al bijna zover gekomen, stelt Berger, dat de islam als referentiepunt fungeert voor de definiëring van onze ‘eigen’ cultuur: ‘wij zijn alles wat islam niet is.’

            Niet alleen de religie hebben we laten glippen, vult De Beus aan, maar ook alle ‘mythes van het Nederlanderschap’, zoals de mythe van de Gouden Eeuw en die van de Nederlander die goed van fout onderscheidt door de loutering van de Duitse bezetting. Waarin moeten we dan de vereiste eenheid zoeken? ‘Een volk dat geen groot verhaal meer heeft, is een zwervend volk op de rand van moedeloosheid en misleiding.’ Willen we weer iets van ‘volkskracht’ doen herleven, dan moeten we weer trots zijn op de leer van het vrije woord en onze traditie van verdraagzaamheid, die tot uiting komt in de wettelijke erkenning van moskeeën, maar ook in de vertoning van toneelstukken en films als Aisha en Submission.

            Een reeks auteurs noemt het onderwijs als broedplaats van dit nieuwe besef. ‘Kinderen moeten op school leren en ervaren hoe wij hier met conflicten omgaan, hoe vrije meningsuiting werkt, dat iedereen gelijk is,’ aldus Van Aartsen. En beperk je bij die lessen niet tot de spectaculaire twintigste eeuw, stipuleert De Beus. Laat zien hoe het Nederlandse volk vervlochten raakte met andere volken, zoals vandaag de volken die bij landverhuizing betrokken zijn. Besteed aandacht aan 4 en 5 mei, maar ook aan de afschaffing

van de slavernij in de West en aan niet-christelijke feestdagen, zoals het suikerfeest. Maak ook zichtbaar, vult Leezenberg aan, hoe veranderlijk religies zijn, en hoe weinig er uit hun vermeende ‘wezen’ valt te verklaren. Dat soort kennis biedt tegengif aan neerbuigende vooroordelen en kan bovendien allochtone leerlingen sterken in de gedachte dat hun geschiedenis ertoe doet.

            De overheid moet erop gaan toezien dat scholen ook werkelijk ernst maken met dit onderwijs in democratische waarden, waarschuwt Van Aartsen. Scholen – ‘openbare of bijzondere’ – die bij herhaling in gebreke blijven, moeten ‘onder curatele’ worden gesteld. Maxime Verhagen wil in dat geval de bekostiging kunnen stoppen.

            Van John Leerdam, geboren op Curaçao, mag het allemaal wat minder zwaarmoedig. Met ietsje meer humor en relativeringsvermogen zouden Nederlanders misschien een stuk verder komen. Als regisseur leerde hij hoe belangrijk cultuur is om moeilijke zaken bespreekbaar te maken. Richt daarom cultuurcentra op, waar ‘bijvoorbeeld Arabische jongeren kunnen pronken met hun Arabische cultuur.’

              Ook Majiti komt met praktische tips. Verplicht leerlingen bijvoorbeeld tot stages in gemengde koppels, desnoods met leerlingen van verschillende scholen. Laat ze ‘in het kader van de sociale dienstplicht’ samen op zaterdag huiswerkbegeleiding geven in de moskee en op maandag in een verzorgingstehuis ouderen begeleiden. Of geef, als we voor dat soort maatregelen het lef niet hebben, studiepunten aan oudere Marokkaanse leerlingen in het hoger onderwijs die huiswerkbegeleiding geven in hun wijk en als een soort mentor fungeren. 

 

Het zijn stuk voor stuk goedbedoelde maatregelen, maar is het genoeg? Kunnen we van buiten af wel een beslissende draai geven aan culturen die toch redelijk in zichzelf zijn gekeerd? ‘Hoe vertellen wij het onze moslimbroeders?’ vraagt Boekestijn zich af. ‘Het ligt niet voor de hand dat niet-moslims erg veel invloed zullen hebben op de geloofsinterpretatie van moslims. En al helemaal niet als wij ze eerst onder de neus wrijven dat bepaalde aspecten van hun godsdienst achterlijk zijn.’ Uiteindelijk kan een hervorming van de islam alleen van binnenuit komen. Moslims bepalen zelf of, en met welke snelheid, ze zich verlichten,’ schrijft Majiti. ‘Het paternalistisch gepreek over Verlichting is vermoeiend. Als de filosofen van de Verlichting ergens een hekel aan hadden, dan was het wel een sterke overheid die repressief en belerend met haar burgers omgaat.’

            Dat ‘zelfverlichting’ mogelijk is, hoorde Mineke Schipper van een Nederlandse vrouw van Marokkaanse afkomst in het vliegtuig naar Fez. ‘Ik ben bezig de Marokkaanse mannen in mijn omgeving op te voeden,’ verklaarde zij kort maar krachtig. Op een keer maakte ze mee hoe de man van een vriendin kwam binnenlopen en die vriendin een klap in haar gezicht gaf omdat haar zoontje de autosleutels had weggemaakt. ‘Dan sta ik op, geef hem een klap in zijn gezicht en zeg: “Denk erom dat je dat nooit meer doet. Als ik nog één keer merk dat jij je vrouw slaat, ga ik naar de politie, want dat is bij de wet verboden in dit land.” Hij heeft zijn vrouw nooit meer geslagen en we zijn toch goeie vrienden gebleven.’

            Op een wat minder directe manier kan ook de Leeuwarder imam Mustafa Önlü gelden als een toonbeeld van hervorming ‘van binnenuit’. Ooit liep hij voorop in een rabiate anti-Rushdie-demonstratie, nu weet hij: ‘Niet boos worden, niet vechten, niet “dood” roepen. Dat heb ik geleerd in Nederland. We moeten hier praten, praten, alleen maar praten.’ In zijn bijdrage aan dit boek beschrijft Önlü het Platform Levensbeschouwing in Kleurrijk Fryslân, ‘een bundeling van de goede krachten van alle geloven en van het humanisme’, waarvan hij deel uitmaakt. Na de moord op Theo van Gogh stuurde dit Platform een oproep naar alle kerken en moskeeën in Friesland, waarin zij werden opgeroepen elkaar op te zoeken en tot steun te zijn. Het zou goed zijn als er ook op nationale schaal zo’n platform zou komen, vindt Önlü.

 

Meer Amerikaanse toestanden graag

Zal Nederland door een mix van harde maatregelen, subsidie, onderwijs en cultuurbevordering in de nabije toekomst meer imams als Mustafa Önlü tellen? Schoo gelooft er niets van. ‘Er valt nauwelijks aan de slotsom te ontkomen dat opgelegde aanpassing een heilloze strategie is.’ We doen er beter aan de claim van moslimimmigranten te accepteren dat zij anders zijn. Wel moeten we dan een strak onderscheid maken tussen de publieke en de particuliere sfeer. De gedachten zijn vrij, maar publiekelijk heerst de wet van het land, onverkort, en moet iedere burger zich ‘gedragen’.

            Neem een voorbeeld aan de Verenigde Staten, zegt Schoo. Waarom is dat al zo lang een succesvol immigratieland? Doordat wat iemand dóét er zwaarder telt dan wat iemand ís. De Amerikaanse ‘oppervlakkigheid’ waarop Hollanders nogal eens willen afgeven, staat culturele verschillen toe. ‘Europa doet er wijs aan óók de voorspelbare conventies van die “oppervlakkigheid” te omarmen.’

            Frans Verhagen houdt, onder het motto ‘Meer Amerikaanse toestanden graag’ een soortgelijk pleidooi. Dat moslims in de Verenigde Staten veel verder geïntegreerd en geëmancipeerd zijn dan bij ons, komt volgens hem vooral doordat ze zelf moeten werken en verantwoordelijkheid nemen. ‘De verzorgingsstaat fungeert bij ons als een verstikkende deken waaronder ieder eigen initiatief wordt gesmoord.’ Zorg dus vooral dat mensen aan het werk kunnen, schrijft ook Wouter Bos, dat is de meest effectieve manier om culturele en fysieke segregatie te doorbreken.

            Verschillende auteurs wijzen erop dat Mohammed B. geen betaalde baan had maar een uitkering genoot. Volgens Benzakour was hij min of meer veroordeeld tot een vrijwilligersbestaan. Volgens Boekestijn stelde zijn uitkering hem in staat ‘om fulltime te werken aan de ondermijning van onze rechtsstaat’. Als men jonge allochtonen vanzelfsprekend uitkeringen blijft verstrekken, missen zij een prikkel om uit hun achterstandssituatie te komen en worden zij een gemakkelijke prooi voor jihadronselaars.

 

Gevraagd: moed

Bij alle uiteenlopende en elkaar tegensprekende standpunten in deze bundel zijn er toch een paar conclusies te trekken. Of we een snelle verbetering kunnen bewerkstelligen van de bredere integratieproblematiek, is twijfelachtig. De meningen over de beste aanpak zijn verdeeld, maar stemmen in zoverre overeen dat veel auteurs terughoudend zijn in hun verwachtingen van een van buitenaf georganiseerd integratiebeleid. Uiteindelijk moeten de betrokken groepen het vooral ‘zelf doen’.

            Over de thematiek die de directe aanleiding vormde voor het maken van deze bundel – de moord op Van Gogh en de terreurdreiging – bestaat meer overeenstemming. Veel bijdragen hebben als ondertoon dat Nederland zijn kroonjuwelen heeft laten verslonzen. We moeten met nieuw elan opkomen voor onze tolerante rechtsstaat en daarbij ook harde grenzen durven stellen. Een ‘onverbiddellijke intolerantie’ betonen tegenover extremisme en terrorisme, zoals Rouvoet het uitdrukt, waarbij glashelder moet zijn dat we geen strijd voeren tegen een bepaalde bevolkingsgroep of religie, maar tegen ieder die zijn geloof perverteert om zich met geweld te keren tegen de fundamenten waarop ons land is gebouwd.

            Het gaat daarbij niet alleen om juridische maatregelen, maar ook om persoonlijke moed. Aan beide zijden van de cultuurkloof heerst angst. Angst om teveel van je identiteit op te geven, zegt Majiti: witte Nederlanders zijn bang dat ‘hun land wordt overgenomen’ en de gemiddelde Marokkaanse moslim is bang dat zijn cultuur hem wordt afgepikt. Maar de meer directe en ontvlambare angst is een andere, gemeenschappelijke: angst voor bloedig terrorisme – die echter met allerlei misverstanden omringd is geraakt. De angst van gewone Nederlanders, ingegeven door onzekerheid omtrent de standpunten die in moslim-Nederland worden gehuldigd, wordt al gauw voor stigmatisering en vooroordeel versleten. Aan de andere kant kan het angstvallig stilzwijgen van een grote middengroep van moslims, voortkomend uit vrees om als ‘afvallige’ een hoge rekening te moeten betalen, door Nederlanders worden aangezien voor verborgen sympathie voor terroristen. Beide groepen vrezen hetzelfde maar weten het niet van elkaar.

            Zo wakkeren twee soorten angst elkaar aan, waardoor ook angst voor elkáár een voedingsbodem vindt. Willen we deze verstrengeling doorbreken, dan moeten we moedig zijn en ons uitspreken – dat geldt voor iedereen in Nederland. Het is zoals Afshin Ellian in deze bundel schrijft: ‘De terroristen mogen dan een handjevol critici van de islam intimideren en elimineren, maar zij kunnen nooit honderden kritische geesten doden.’

Terug naar overzicht met artikelen