Herman Vuijsje m.m.v. Alexander van der Haven
WETENSCHAP IN NEDERLAND 1950-2000

 

[ In: Hypothese, kwartaalblad NWO, lustrumuitgave september 2000 ]

 

Wie zijn de wetenschappelijk onderzoekers van Nederland? Zijn ze de producten van een onafhankelijk en kritisch denkende cultuur? Of juist de pionnen van een kleinburgerlijk en benepen wereldje? En hoe waren ze vijftig jaar geleden, toen ZWO werd opgericht? Wat is er veranderd, en wat is hetzelfde gebleven tussen de wederopbouw van een geruïneerd land en het technologisch paradijs van nu? Herman Vuijsje sprak, bijgestaan door Alexander van der Haven, met een tiental wetenschappelijke coryfeeën van uiteenlopende disciplines: van kernfysicus tot mediëvist, en van wiskundige tot antropoloog. De meesten hebben als volwassen wetenschapsbeoefenaar de naoorlogse periode meegemaakt, waarin de Nederlandse wetenschap zich herstelde van de achterstand die tijdens de bezetting was opgelopen. Vijftig jaar waarin wetenschap en onderzoek zowel naar organisatie als inhoud een ongekende ontwikkeling doormaakten. Het wetenschappelijk onderzoek werd groter, massaler, internationaler, democratischer, en beleidsmatiger. Wat voor invloed had dit op de wetenschapsbeoefening, en hoe handhaafde de wetenschap zich in een maatschappij waarin zij steeds noodzakelijker werd, maar daarom nog niet meer werd gerespecteerd?

 

  

DE JAREN VIJFTIG

 

Waar zijn de wetenschappelijk onderzoekers van weleer? Nog niet zo lang geleden waren ze alom gekend en geëerd, professoren als Zonnebloem, Barabas, Pi en Prlwytzkofsky. Mannen die leefden voor de wetenschap, geniale, verstrooide en wereldvreemde types. Wereldvreemd? Ja, maar toch waren zij waardige vertegenwoordigers van het soort profs waarop na de bevrijding Neerlands hoop gevestigd was. De oorlog was gewonnen, grotendeels dankzij de bijdrage van wetenschappelijk onderzoek. Er bestond een groot vertrouwen in het zelfsturend vermogen van de wetenschappelijke gemeenschap. De overheid kon zich beperken tot het scheppen van voorwaarden. De gedachte was dat je briljante onderzoekers moest hebben, een beetje idiosyncratisch, beetje gek, beetje creatief. Die moest je dan geld geven zodat ze hun hobbies konden uitleven, en dan kwam de kip met de gouden eieren vanzelf.

De oorlog had velen met een slecht geweten achtergelaten, zegt oud-ZWO-directeur Van Lieshout. Barbaarse uitwassen als het nazidom mochten zich niet opnieuw voordoen. De atoombom had laten zien tot welke verschrikkingen de wetenschappelijke ontwikkeling kan leiden. 'Het vooruitgangsgeloof van de Verlichting had een geduchte knauw opgelopen,' zegt Van Lieshout. 'We moesten voor een nieuw geweten zorgen. Bij onszelf en in de samenleving. Dat leidde tot de grote uitbouw van de gedrags- en de geesteswetenschappen.' De oprichting van de PSF, de 'zevende faculteit' van de Amsterdamse GU, was in de woorden van Jan Ro­mein, mede een antwoord op de 'politieke naïviteit en sociale onkunde van de Nederlandse intelligentsi­a' tijdens de bezet­ting. Van sociaal-wetenschappelijke kennis en vaardighe­den verwachtten de oprich­ters belang­rijke bijdragen aan een betere sociale weerbaarheid tegen de gruwelen die mensen elkaar kunnen aandoen.

André Köbben, halverwege de jaren vijftig als hoogleraar culturele antropologie aangesteld in die faculteit, betwijfelde of al dat vertrouwen in de wetenschap wel gerechtvaardigd was. 'Dan vergat men even wat er gebeurd was met de wetenschap in Duitsland. Die was in sterke mate besmet geraakt door het nationaal-socialisme. Maar dat hoorde, dacht men, dan bij de Sonderweg van de Duitsers. Dat het een permanent gevaar is dat wetenschappers achter een of andere ideologie aan lopen, dat zag men niet.'

 

 

Van Duitse naar Amerikaanse toestanden

De oorlog had nog in een ander opzicht ingrijpende gevolgen voor het Nederlandse wetenschapsbedrijf. Traditioneel was dat sterk 'Duits' georiënteerd: veel nadruk op het verleden en weinig op praktische toepasbaarheid. Zo was de geschiedenisstudie van mediëviste Marietje van Winter sterk Duits georiënteerd: 'Wij leerden van Opperman, en Opperman was een Duitser. Alle mediëvisten in Nederland waren gevormd door Opperman.' Ook de wiskundige Jan Nuis had hoogleraren, zoals Van de Corput, die in Duitsland hadden gestudeerd. 'Tegen mijn afstuderen, rond 1960, gebruikten we nog Duitse handboeken.'

Maar na de oorlog wilde men die gedachtenwereld van de Duitsers niet meer. Nu werd aan de 'grondigheid' van de Duitse benadering vooral nog in spottende zin gerefereerd. Snel won de meer structurele en toegepaste benadering aan populariteit die in Engeland en de VS was gegroeid. Het venster naar het westen werd wijd opengezet. Ook de oprichting van ZWO was een aspect daarvan. Om de tijdens de oorlog opgelopen achterstand in te halen, wilde de regering een fonds instellen ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek. Hoe dat moest, werd van de Amerikanen afgekeken. Najaar 1945 stuurde de regering prof. A. Vening Meinesz naar Amerika om daar de werking van wetenschappelijke onderzoekfondsen te bestuderen. Mede op grond van zijn bevindingen kreeg in 1950 de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek officieel vorm.

Niet alleen de herinnering aan de oude oorlog werkte door, al gauw deed ook een nieuwe oorlog zich gelden: de Koude Oorlog. En ook hiervan ging een stimulans uit om wetenschappers vrij te laten, zonder veel overheidsinterventie. In de Navolanden heerste het schrikbeeld van de staatswetenschap. Ook fundamenteel onderzoekers moesten hun gang kunnen gaan. Het werd de taak van ZWO om daarvoor te zorgen. In de beginperiode werden vooral veel beurzen verstrekt voor het buitenland, zodat Nederlandse onderzoekers hun achterstand konden inlopen.

De lancering van de eerste kunstmaan, de Spoetnik, in 1957, bracht een schok teweeg: die staatswetenschap van de Russen was dus toch nog wel tot iets in staat. Opnieuw een impuls voor de ontwikkeling en financiering van wetenschappelijk onderzoek: we mochten niet toestaan dat die Russen ons het nakijken zouden geven.

 

 

Bèta's bloeien

Het waren de exacte wetenschappen die het meest van deze rugwind profiteerden. Geen wonder: in wiskunde, natuur- en sterrenkunde was Nederland altijd al bedreven geweest. En ook hier vierde het optimisme hoogtij. Het kernonderzoek, dat tijdens de oorlog een enorme ontwikkeling had doorgemaakt, kon ook voor vreedzame doeleinden worden ingezet. Toepassing van kernenergie zou ons een onuitputtelijke bron van welvaart opleveren. Meteen na de oorlog werd de Stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) opgericht en van geld voorzien om de natuurwetenschappelijke aspecten van nucleair onderzoek te bestuderen. Met succes: ondanks het isolement tijdens de bezetting werd Nederland het eerste land buiten Engeland, Amerika en Rusland dat, samen met de Noren, een reactor aan het werk had.

Volgens Kees le Pair, oud-directeur van diverse NWO-stichtingen, leverde Nederland hiermee een belangrijke bijdrage aan de wijziging van het Amerikaanse beleid op atoomgebied. 'Dat het ons in zo'n klein landje lukte uraneum te verrijken en samen met Noorwegen een reactor aan de praat te krijgen, heeft de Amerikanen de ogen geopend. Tijdens de Atoms for Peace-conferentie kwamen zij met een reusachtige beleidswijziging: zij gingen hun eigen geheimen

delen met andere landen, mits die zouden besluiten af te zien van het ontwikkelen van een kernwapen.'

Meteen na de oorlog benaderde de astronoom Oort de regering met het verzoek om geld voor het bouwen van een radiotelescoop, vertelt de Amsterdamse sterrenkundige Ed van den Heuvel. 'Hij heeft toen een van de Duitse radarspiegels gekregen die in de duinen hadden gestaan om de Britten in de gaten te houden, en daarmee is toen begin jaren vijftig in Kootwijk het eerste in kaart brengen van de Melkweg gebeurd. In 1956 is de 25-meter spiegel in Dwingeloo gekomen. Dat is een jaar lang de grootste radiotelescoop ter wereld geweest.' Sinds de jaren vijftig lag het zwaartepunt van de Melkwegkennis in Nederland.

Essentieel voor de radiosterrenkunde is de '21 cm lijn', de spectrale lijn van waterstof, die kan worden gebruikt om de snelheid te meten waarmee gaswolken in de Melkweg zich van ons af bewegen. Van den Heuvel vertelt hoe zowel Kootwijk als Harvard in 1952 op het punt stond die lijn te detecteren. 'Maar toen kregen ze in Kootwijk kortsluiting en is de boel in brand gevlogen. Daardoor is Nederland een paar maanden achterop geraakt en was Harvard de eerste die de 21 cm lijn detecteerde. Een maand later had Kootwijk hem ook. Harvard heeft gewacht met publiceren en uiteindelijk hebben ze het samen in Nature gepubliceerd. Tegenwoordig zie ik dat niet meer gebeuren. Toen waren wetenschappers nog keurige heren onder elkaar. De mensen waren meer relaxed, zekerder van hun job, de competitie was minder sterk.'

 

 

De 'spiraal van Casimir'  

Maar ook aan de meer down to earth behoeften van de wederopbouw leverden bèta-onderzoekers belangrijke bijdragen. Het Mathematisch Centrum in Amsterdam, net als de FOM opgericht in 1946, was mede bedoeld om de zuivere wiskunde toe te passen op andere terreinen van wetenschap en techniek. Het MC beschikte over de eerste computer van Nederland, een faciliteit die later zou uitgroeien tot de fameuze SARA.

Jan Nuis, oud-directeur van het MC, somt op waarvoor het rekentuig allemaal werd ingezet: voor het spoorboekje en de lussen in rijkswegen, maar ook voor allerlei aspecten van het Deltaplan. Er werden waterloopkundige modellen ontwikkeld, dijkhoogten uitgerekend, programma's geleverd voor de combines die de landbouw in de IJsselmeerpolders van de grond moesten helpen, en 'matches' bepaald tussen nieuwbouwhuizen en nieuwe bewoners.

Het MC was de eerste Stichting van ZWO, maar beschikte door deze brede waaier van toepassingsmogelijkheden vanaf het begin ook over andere inkomstenbronnen dan overheidssubsidie. 'Wij werden bijvoorbeeld ook betaald door de Rijksdienst IJsselmeerpolders,' zegt Nuis. 'Dat was in die tijd bijzonder, en het was elke keer reden voor commentaar vanuit ZWO: laat je niet inpakken door het bedrijfsleven. Wij antwoordden dan dat die toepassingen al in ons onderzoeksbeleid zaten, en dat we wel oppasten dat de theorie eromheen aan de gang bleef en van hoog niveau was.'

Intussen bestond tussen (bèta)wetenschap en bedrijfsleven wel een intensieve samenwerking en uitwisseling. Het poldermodel avant la lettre werkte op volle toeren: de netwerken waren klein en de stemming in het land leende zich voor samen aanpakken. Grote bedrijven als Philips (NatLab) en de PTT leverden een belangrijke bijdrage aan fundamenteel onderzoek. Ook Unilever, Shell, Akzo en DSM hadden researchlaboratoria.

Het NatLab (Philips Natuurkundig Laboratorium) werd na de oorlog geleid door de onlangs overleden H. Casimir, een briljant natuurkundige en daarnaast een vroeg propagandist van wat we nu 'synergie' tussen wetenschap en bedrijfsleven zouden noemen. 'Een venster op de wetenschappelijke wereld houden,' zo noemde Casimir het zelf. Acht procent van het geld voor het wereldconcern ging naar een onafhankelijk werkend onderzoeklaboratorium.

Op die onafhankelijkheid legde Casimir van meet af aan een sterke nadruk. In zijn memoires legde hij uit waarom: zuivere wetenschap en commerciële techniek zijn niet elkaars tegenpolen, maar stuwen elkaar juist op. Als je het NatLab de vrije hand geeft, ontstaat daar een prachtige manier van wetenschapsbeoefening, waarbij de industrie indirect veel baat kan hebben. Bij Philips wierp deze 'spiraal van Casimir' zeker vruchten af: het bedrijf verwierf in die tijd een groot aantal materiaalkundige en elektronische patenten.

 

 

Voorboden van de revolutie

Toen André Köbben in 1955 hoogleraar werd, was hij net dertig. Dat was naar de maatstaven van die periode belachelijk jong. 'Maar er was eenvoudig niemand anders,' zegt hij. 'De sociale wetenschappen stelden nog praktisch niets voor.' De eerste sociologen en cultureel-antropologen, ook Köbben zelf, waren overwegend als sociaal-geograaf opgeleid.

Desondanks waren de verwachtingen hoog. In Onder de 'ZWO-Bannier', het vriendenboek voor J.H. Bannier, de eerste ZWO-directeur, beschrijft de socioloog Hofstee hoe ministers hem smeekten om te helpen bij het oplossen van de sociale problemen. Zoals een architect een brug bouwt, dacht men, zo kunnen we ook sociale instituten bouwen. 'Overspannen' verwachtingen, aldus Hofstee - die echter wel tot een stormachtige ontwikkeling van de sociale wetenschappen leidden. Er vond een soort big bang plaats, waarbij binnen een paar jaar aan vrijwel alle instellingen van hoger onderwijs één of meer hoogleraren in de sociologie en aanverwante vakken werden aangesteld.

Al gauw vonden in het sociaalwetenschappelijk onderzoek moderne methoden en technieken ingang. 'Bij mijn aantreden in Amsterdam was men al heel sterk gericht op Amerika,' zegt Köbben. De empirische benadering maakte snel opgang, uit Amerika gehaald door pioniers als Den Hollander in de sociologie en A.D. de Groot in de psychologie. Een ander 'Amerikaans' aspect was dat sociale wetenschappers al vroeg instituten oprichtten, met een bijbehorende staf.

Minder snel verliepen de ontwikkelingen bij de 'geestewetenschappen', zoals de alfa's binnen ZWO werden aangeduid. Terwijl Nederlandse astronomen en natuurkundigen telescopen bouwden, en sociale wetenschappers ministers souffleerden, leidden de alfa's een weinig spectaculair bestaan. Nederland had een reputatie op het gebied van de 'kleine letteren', deels vanuit zijn koloniale geschiedenis, maar de bijbehorende instituten bestonden veelal uit één hoogleraar, bijgestaan door anderhalve man en een paardenkop. In tegenstelling tot de bèta's en de sociale wetenschappers onderhielden de geesteswetenschappers ook nauwelijks contacten met collega's elders ter wereld. Uitzondering waren de Nederlandse theologen, die een gevestigde naam hadden in het buitenland.

Pas eind jaren vijftig werd deze rust verstoord. Ook de alfa-profs kregen nu te maken met de vorming van instituten en staven. Er ontstonden conflicten toen de nieuwe stafleden met literatuur op de proppen kwamen die de professor niet wilde. 'Die clashes waren al de voorbode van een revolutie in de jaren jaren zestig,' zegt Hans Smits, die dertig jaar lang het gebied geesteswetenschappen binnen ZWO/NWO onder zijn hoede had. 'Maar toen zagen we dat niet. Je had toen nog hoogleraren die tegenstribbelende medewerkers er gewoon uitgooiden.'

 

 

 

DE JAREN ZESTIG

 

'Laat je zoon studeren'

Eind jaren vijftig studeerde de filosoof Joop Doorman een paar jaar in Amerika. Bij zijn terugkeer in 1960 ging hij lesgeven aan de TU Eindhoven. Toen hij voor het eerst de collegezaal betrad, wist hij niet wat hij zag: de studenten stonden en bloc op omdat professor binnenkwam. Doorman kan nog mooi demonstreren hoe hij naar het bord terugdeinsde en uitstootte: 'Wilt u dat alstublieft niet meer doen? Ik schrik me dood!'

In Amerika had hij heel andere dingen meegemaakt. Een levendige debatcultuur. Een hoogleraar die, na een voordracht door een collega-specialist, reageerde met de woorden: 'You know Gene, all you have been saying is just random noise - in the technical sense of the word.' 'Daarbij vergeleken was de sfeer aan de Nederlandse universiteiten ongelofelijk stijf en benepen.'

Zo kwam Nederland in het begin van de jaren zestig op Doorman over: als een 'merkwaardig gehoorzaam dorp'. De 'jaren zestig' staan in onze herinnering gegrift als de periode waarin hoogconjunctuur gepaard ging met revolutie. Maar die 'jaren zestig' begonnen pas rond 1965, om voort te duren tot 1975. Begin jaren zestig leek de academische wereld nog te sluimeren in vertrouwde vormen en rituelen. Maar onder de oppervlakte broeide het al. Zelfs in de letterenfaculteiten, vertelt Hans Smits. 'Studie en onderzoek waren daar nog sterk op het verleden gericht. Maar men kreeg er genoeg van om alleen maar terug te kijken, en raakte sterk geïnteresseerd in wat de functie nu was. De wil groeide om toepasbare wetenschap te creëren.'

In de tweede helft van het decennium werd alles anders, toen de geboortengolf de universiteiten overspoelde. Tegelijk werd, door de welvaartstoename en de verbetering van het beurzenstelsel, de drempel van de universiteit steeds lager. 'Laat je zoon studeren,' zong het Leids Studentencabaret, 'aan de universiteit. Laat je zoon studeren, laat hem voor minister leren, en je aanzien is een feit. Tussen 1960 en 1970 verdubbelde het wetenschappelijk korps aan de universiteiten. De nieuwe krachten waren voor het grootste deel piepjong. Doorman spreekt hoofdschuddend van een 'gouden regen van jonge hoogleraren in de meest curieuze vakken'.

Maar niet alleen de universiteit gaf in die periode een boom te zien. Door de 'hoogconjunctuur' bestond ook in de particuliere sector een grote vraag naar wetenschappelijk personeel. Gevolg was een grootscheepse brain drain naar het bedrijfsleven. In 1962 kwam de socioloog B.S. Witte met een verzuchting die vandaag niet minder actueel is dan toen: 'De industriële sector, waarin de bedrijven onderling elkaar om de goede krachten beconcurreren, biedt zodanige salarissen en arbeidsvoorwaarden dat het idealistische of eigenaardige figuren moeten zijn die hieraan weerstand kunnen bieden.'

In 1963 voerde minister Cals uit arbeidsmarktoverwegingen het 'rangenstelsel wetenschappelijk medewerkers' in. Deze nieuwe functionarissen gingen zich bezighouden met onderwijs én onderzoek, een combinatie die tot dan toe alleen voor professoren en lectoren was weggelegd. Ook op andere manieren werd veel geld gepompt in universiteit en onderzoek: veel universiteitssteden werden verrijkt met nieuwe campussen en researchinstituten.

 

 

'Is het wel maatschappelijk relevant?'

Vooral in de sociale wetenschappen zwol de studenteninstroom aan. Daar vonden de heftigste discussies plaats, in gedemocratiseerde bestuursraden en projectgroepen, over de verantwoordelijkheid van de wetenschap en de 'maatschappelijke relevantie' van onderzoek. De jaren zestig-generatie was het archetype van de vriendelijke, verstrooide professor ontgroeid. Het nieuwe professorbeeld was eerder geënt op demonische hooggeleerden als Sickbock en Lupardi, van wie je nooit zeker kon weten of ze met hun zogenaamd 'waardenvrije' onderzoek niet het imperialisme in de kaart speelden.

Ook bij de oprichting van de 'kritiese universiteit' en de bezettingsacties van eind jaren zestig waren veel sociologie- en psychologiestudenten betrokken. En studenten agologie niet te vergeten, de nieuwe studierichting die het vormen en begeleiden van mensen ging bestuderen.

Maar ook in de letterenfaculteiten rukten nieuwigheden op, zoals Marietje van Winter ondervond. 'Sommige studenten zeiden zelfs dat de staf zich alleen nog maar mocht bezighouden met onderwerpen die zij maatschappelijk relevant vonden. Ik zat toen in de bibliotheekcommissie van de Utrechtse letterenfaculteit, en we merkten op een gegeven moment dat bij Duits alleen puur actuele boeken werden aangeschaft. Ze deden niet meer aan collectievorming, de oude reeksen hielden ze niet mee bij. Toen hebben we de noodklok geluid, want zo breek je je collecties af.'

Het was ook ook de tijd, vervolgt Van Winter, dat studenten in vodden gingen lopen. 'Studenten wilden dan solidair zijn met de onderdrukten. Juist de rijkeluiskinderen hulden zich in lompen teneinde hun solidariteit met de minder vermogenden uit de drukken.' Maar het waren niet alleen de kinderen die er opeens anders bij gingen lopen - ook de grote mensen. Hoogleraren hingen hun toga aan de wilgen en verschenen in spijkerbroek op promoties.

Ook Doorman wreef zich de ogen uit toen hij zag hoe de nieuwe verhoudingen het uiterlijk van mensen als bij toverslag konden veranderen. 'Ik had collega's bij wie opeens het haar zo ongeveer tot het middel groeide, en zag coltruien en weet ik wat allemaal voor kleren opduiken.' Zelf bleef hij rondlopen in driedelig maatkostuum, en bleef desondanks - of daardoor - populair bij de studenten. Zo werd hij in 1968 opgebeld door een hoogleraar uit Tilburg, een pater en econoom, met de vraag of hij eens met zijn studenten wou praten. 'Die man wist zich geen raad meer. Zijn studenten meenden met behulp van marxistische of hegeliaanse logica te kunnen bewijzen dat de hele klassieke logica niet deugt. Ik vond die beweging heel leuk en ik kon het met die mensen heel goed vinden, hoewel ik af en toe natuurlijk wel dacht dat ze krankjorum waren.'

De toestroom van studenten en onderzoekers leidde ook tot een andere organisatorische verkaveling van de wetenschap. De noodzakelijke schaalvergroting ging gepaard met een sterkere specialisering. Ook deze ontwikkeling was inzet van heftige debatten. Tegelijk ontstond immers het besef van de noodzaak van een meer integrale of zelfs holistische benadering.

Allerlei ontwikkelingen liepen dus door elkaar, en verschilden per faculteit en vakgroep. Zo werden zelfs degenen die zich met het verste verleden bezighouden, aangeraakt door de nieuwe geest. In 1968 waaide de New Archeology uit Amerika naar Nederland over, die meer kwantitatief en exact gericht was. Maar op hetzelfde moment werd een paar kamers verder de kwantitatieve benadering alweer in de ban gedaan. Daar vergaderden kritiese sociologen over de vermaledijde kommaneukerij van het positivistisch onderzoek. Intussen zette in andere sociaalwetenschappelijke disciplines de 'Amerikanisering' rustig door, bijvoorbeeld bij de psychonomen, die gedrag gingen bestuderen met behulp van numerieke methoden. Zij gingen met testen en experimenten werken, en waren wegbereiders van een meer kwantitatieve aanpak in de sociale wetenschappen.

In de bètawetenschappen was de opkomst van het ruimteonderzoek opvallend. Pionier Van de Hulst richtte de Internationale Ruimtevaartonderzoeksorganisatie COSPAR op en was ook de eerste president. De astronomen zetten hun opmars voort met de inwijding in 1970 van de radiotelescoop in Westerbork: veertien schotels van 25 meter middellijn, opgesteld over een lengte van drie kilometer. Daarmee konden de radiobronnen van ver verwijderde Melkwegstelsels worden onderzocht, die niemand anders toen kon waarnemen. 'De Westerborktelescoop is voor een groot deel met ZWO-geld van de grond gekomen,' vertelt Van den Heuvel. 'Het is tien jaar lang de grootste radiotelescoop ter wereld geweest. Toen hebben de VS een gebouwd die twee keer zo groot was.'

 

 

Nieuwe prioriteit: wie is de baas?

De 'revolutie' van tweede helft jaren zestig staat tegenwoordig in een slecht blaadje. De gekkigheid is dominant geworden in het beeld dat we ervan hebben. 'De universitaire sociale wetenschap in Amsterdam kreeg soms trekken van een onmaatschappelijke subcultuur,' volgens socioloog Peter Schröder. 'In plaats van deskundigheid werd er nu vooral inspraakvaardig­heid geleverd. De maatschappelijke goodwill van sociale weten­schap uit de jaren vijftig was omgeslagen in zo niet boze, dan in ieder geval verdrietige gevoelens.'

Ook Doorman heeft zijn bedenkingen. Van die gouden regen van jonge hoogleraren heeft hij zich 'altijd afgevraagd of die wel zo goed was.' Maar het valt op dat hij ook positieve verworvenheden naar voren haalt. Doorman was begin jaren zestig een 'gepassioneerd' aanganger van het logisch positivisme. Dit geloof hield in dat alle wetenschappelijke kennis nauwkeurig op empirische waarnemingen kon worden teruggevoerd, waarmee alle 'pseudo-wetenschappelijke nonsens, metafysica en dergelijke' definitief zouden hebben afgedaan.

Toen de veronderstelde waardenvrijheid van het positivisme tijdens de revolutie zwaar werd gebombardeerd, liep ook het logisch positivisme lelijke butsen op. De aanhangers zijn sindsdien sadder but wiser men. 'Het liep mis,' zegt Doorman, maar hij kijkt er niet sip bij, want dat gebeurde 'op een interessante manier. We weten nu dat wetenschappelijk denken nooit kan worden gekarakteriseerd met een alles dekkend top-down logisch kader. We weten daardoor ook dat er wellicht in wetenschappelijke opvattingen normatieve elementen zitten, die niet goed elimineerbaar zijn.'

Ook oncoloog en publicist Piet Borst komt met een genuanceerd oordeel. 'De democratiseringsbeweging heeft in Nederland dieper de universiteiten doorwoeld en heeft langer aangehouden dan elders,' zegt hij. 'Ik wil er nog eens een boek over schrijven, want ik kan nooit aan Amerikanen uitleggen dat ik een instituut heb geleid op one man one vote basis van de totale instituutsbevolking. En dat dat zelfs nog werkte ook, als je er een beetje plezier in hebt om dat te doen. Er zaten heel interessante kanten aan, en elementen van gigantisch idealisme. Daarnaast was er natuurlijk veel manipulatie en politiek gezwets in die periode, en uiteindelijk was het een irrationele manier van besturen.'

Borst merkte dat men in de nieuw gevormde raden helemaal niet zo geïnteresseerd was in wetenschap. 'Men was geïnteresseerd in wie wat waarover te zeggen had. Hoe je wetenschap zou kunnen bevorderen, was toen niet een van de hoofdproblemen van de universiteiten.' ZWO heeft in die jaren een belangrijke rol gespeeld als toevluchtsoord voor onderzoekers die zich aan de dictatuur van de maatschappelijke relevantie wilden onttrekken.

Dat Borst ook positieve kanten van de revolutie benadrukt, komt misschien doordat de bètavakken ingebouwde begrenzingen kennen. 'Daar kun je wel discussiëren over prioriteiten, maar je krijgt nooit dat wie het hardste roept gelijk krijgt. Bij de medici en de biochemici werd wel over alles continu in het openbaar gepraat, maar de docenten bleven verantwoordelijk voor de beoordeling van individuele studenten. In de bètawetenschappen heb je nu eenmaal te maken met een harde realiteit. Als je die ontkent, dan kun je geen proeven doen. Maar de bètawetenschappen hebben wel dezelfde klap meegekregen van de aangetaste reputatie van de wetenschap.'

 

 

 

DE JAREN ZEVENTIG

 

In veel opzichten vormden de jaren zeventig de aanhangwagen van de jaren zestig. Veel denkbeelden die in het voorafgaand decennium waren opgekomen, werden nu geconsolideerd en gecodificeerd. In het wetenschappelijk bedrijf leidde dat onder andere tot de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB), waarin de medezeggenschap van studenten en personeel gegarandeerd werd op een manier die internationaal zijn weerga niet kende.

Vooral in de sociale wetenschappen zette de 'vermaatschappelijking' verder door. De 'kritiese universiteit' uit de contestatieperiode veranderde in een 'welzijnsuniversiteit'. Onderzoek moest 'geëngageerd' zijn, arbeidsvraagstukken en andere welzijnsproblemen waren populair. Er kwam veel aandacht voor subdisciplines die het grensgebied van wetenschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid verkenden, zoals 'biologie en samenleving'.

 

 

Veel verdienen uit solidariteit

In het begin van de jaren zeventig groeiden de bomen nog tot in de hemel. Hoe prettig alles toen nog geregeld kon worden, blijkt uit de herinnering van Van Lieshout. Toen hij in 1970 directeur werd van ZWO, kreeg hij op het departement te maken met ambtenaren die 'met veel aandacht' naar hem luisterden. 'Een man als Piekaar, directeur-generaal bij Onderwijs, ging ervan uit dat de wetenschap datgene opleverde waar het land beter van moest worden. Die moest je dus de kans geven dingen te doen. Dat soort heb je niet meer.'

De arbeidsvoorwaarden van wetenschappelijk personeel logen er dan ook niet om. Begin jaren zeventig werden de hoogleraren in één keer opgetrokken naar de top van de salarisschaal.

Zoetjesaan was bovendien een praktijk gegroeid van automatische bevordering, waardoor het wetenschappelijk korps gelijkenis begon te vertonen met het Mexicaanse leger: meer officieren dan manschappen. In 1977 begon een wetenschappelijk medewerker met bijna f 3000 per maand, negentien jaar later zat hij volautomatisch aan zijn top van f 75.000 plus vakantietoeslag plus AOW‑premie, in guldens van toen.

Daar was niks mis mee, vonden de nieuwe linkse vakorganisaties als de 'Bond van Wetenschappelijke Arbeiders'. Als wetenschappelijke arbeiders geen loonstrijd voerden, schaadden ze vooral de andere loontrekkers. De ongeschoolden konden zich immers 'optrekken' aan de stijging van de wetenschappelijke inkomens? En afzien daarvan, het was altijd beter dat de centen naar de wetenschap gingen dan naar de zakken van dikke kapitalisten. Veel verdienen was voor wetenschappers dus een kwestie van solidariteit, een zure plicht.

Ook de eerste pogingen om het akademisch personeel wat meer in het gareel te krijgen, stuitten op taai verzet van de klassenbewuste wetenschapswerkers. In 1975 voerde de Tilburgse Hogeschool een prikklok in voor alle werknemers. Daar doen we niet aan mee, reageerde het wetenschappelijk personeel onmiddellijk, 'het karakter van de wetenschappelijke arbeid' viel met zo'n registratie niet te rijmen. Het Tilburgs Hogeschoolblad van 11 april 1975 meldde: 'Er is tot nu toe minstens één personeelslid gesignaleerd dat trouw klokt. Voor de meeste klokken wordt gevreesd dat ze vastroesten.' Dat ene personeelslid bleek dr. P. Kop, die de klok node zou missen. 'Het grote voordeel ervan is dat je weet wanneer je werkt,' meende hij.

Een half jaar na de invoering besloot de Hogeschool maar weer met de klokken te stoppen. 'Voor de enkeling die er nadrukkelijk om vraagt' wilde het CvB nog wel een klok laten hangen. Dr. Kop kon dus doorgaan en verklaarde: 'Nadat ik iedere week de vergaarde punten heb opgeteld, bewaar ik de kaarten maar in mijn bureaula. Daar liggen nu al zeventien kaarten.'

Maar in de loop van de jaren zeventig kwam deze vrijheid-blijheid-sfeer onder toenemende kritiek te liggen. De hemel van de welvaartsstaat raakte bewolkt. 'Die tijden komen nooit terug,' was de boodschap van Den Uyl bij het uitbreken van de eerste oliecrisis in 1973. Het klimaat werd ontvankelijker voor ingrepen van hogerhand in de 'reincultuur' die in de wetenschappelijke wereld was gegroeid. Dat begrip 'reincultuur' dook op in de Leidse diësrede van de politicoloog Daalder in 1974. Daalder hekelde de wetenschappers als 'vrijgestelden van de moderne welvaartsstaat', die onbekrompen door de overheid werden betaald, en tegelijk een zo grote vrijheid genoten dat ze onevenredig sterk konden participeren in de - vooral linkse - politiek.

In hetzelfde jaar deed de socioloog Van Doorn er in de Haagse Post nog een schepje bovenop. De snelle groei van gedeelten van het wetenschappelijk bedrijf berustte volgens hem vooral op lucht: 'Men is als het ware elkaars klanten; men bezorgt elkaar werk. De output van de een is de input van de ander. Er is een reusachtige schijnwereld ontstaan, een handel in ficties en door niemand gevraagde, maar niettemin massaal aangeboden nieuwigheden.'

Dat de overheid intussen maar geld bleef toeschuiven, begon Köbben behoorlijk te irriteren. Zelf was hij nog begonnen in de periode waarin je als hoogleraar 'om ieder gummetje moest vechten. Maar nu kreeg een beginnende doctorandus meteen al een hoog salaris. Af en toe was ik er beschaamd over. Mensen die na drie jaar hun proefschrift nog niet af hadden en dan van ZWO voor nog een jaar en dan nóg weer een jaar geld kregen. Ik zei vaak dat we te weinig kostenbesef hadden. En dan wierp men tegen dat een straaljager nog veel duurder was.'

 

 

Het rode korset

In Een organisatie van en voor onderzoekers, zijn standaardwerk over de geschiedenis van ZWO, onderscheidt Albert Kersten twee tegengestelde bewegingen in het begin van de jaren zeventig. Enerzijds zette de democratisering door, anderzijds streefde de regering naar betere sturing van onderwijs en onderzoek van bovenaf. Deze sturingspretentie berustte deels op ideeën over de maakbaarheid van de samenleving. Voor de overheid was een belangrijke rol weggelegd bij het aanwijzen van maatschappelijke problemen die onderzoek verdienden.

Maar naarmate het decennium vorderde werd deze ideële motivatie gaandeweg aan het oog onttrokken door een puur pragmatische. De bomen groeiden niet meer tot in de hemel. Integendeel, zij krompen. Aan universiteiten en onderzoekinstituten kwam daar nog een andere omstandigheid bij. De geboortengolf had zijn lange mars door de universitaire instituten voltooid en de instroom van studenten liep spectaculair terug, vooral in de sciale faculteiten. Maar al het nieuwbenoemde personeel bleef zitten waar het zat en verroerde zich niet. Sanering werd onvermij­delijk. Het wetenschapsbedrijf moest gedwongen worden tot een betere organisa­tie en een hogere productiviteit.

Tot begin jaren zeventig waren heel wat onder­zoekers ieder voor zich bezig met een eigen persoonlijk pro­ject, dat veel overeen­komst vertoonde met een breiwerkje, zo vat Peter Schröder het samen. 'Het was lang geleden opgezet, af en toe een penne­tje erbij, soms weer wat uitgehaald, nu eens wat gemeer­derd, dan weer geminderd, soms een tijdje in de mand laten liggen en daarna weer opgepakt. In ieder geval niet afge­hecht zolang er nog wol was. En nu was de wol bijna op en moesten de laatste eindjes aan elkaar worden geknoopt.'

Hoe? Dat bleek op 28 mei 1973, toen het kabinet-Den Uyl zijn regeringsverklaring presenteerde. Maatschappelijke prioriteiten zouden voortaan vooropstaan bij de beleidsbepaling. Dat gold ook voor het 'wetenschapsbeleid'. Daarvoor werd een apart ministerie opgezet en een jaar later kwam minister Trip met de Nota wetenschapsbeleid. Wetenschapsjournalist Paul Wouters herinnert zich dat er een matrix in zat waarop vakgebieden waren afgezet tegen maatschappelijke problemen. 'Wat heeft iedere discipline te bieden om die problemen op te lossen? En wat zijn de financiële consequenties daarvan? Dat was de nieuwe invalshoek in het wetenschapsbeleid.'

De plannen van Trip inspireerden ZWO in 1975 tot een uitbundige viering van haar 25-jarig bestaan. De feestelijkheden hadden iets weg van de Nacht der Girondijnen: misschien zou ZWO zijn volgende verjaardag niet halen. In het nieuwe wetenschapsbeleid zou het eigen beschikkingsrecht van ZWO drastisch worden ingeperkt en zou de organisatie misschien verdwijnen om plaats te maken voor een Raad met aanmerkelijk minder bevoegdheden. ZWO wist dit laatste gevaar af te wenden en het besluitvormingsproces veertien jaar te rekken. 'In de wetenschappelijke wereld bestond toen nog een grote weerzin tegen "dienstverlenende wetenschap",' zegt Hans Smits. 'ZWO legde het primaat bij zijn eigen wetenschappelijke overwegingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de grote aandacht die het besteedde aan radioastronomie. Radioastronomie was volstrekt nutteloos voor de maatschappij.'

Maar uiteindelijk werd ZWO door het departement genoodzaakt de teugels strakker aan te halen. 'Op een gegeven moment moesten we bij het Mathematisch Centrum precies gaan opschrijven wat we volgend jaar zouden gaan doen,' herinnert Nuis zich. 'Per afdeling en per persoon moest een wetenschappelijke planning komen, waar terecht veel protest tegen kwam. Bij het MC spraken we van "het rode korset", naar de rode mappen waarin die plannen werden gebundeld.'

Maar onderzoekers zijn goed in leren; ze kregen al gauw in de gaten dat er geld te halen viel als zij zich het korset lieten aanmeten. Bij de bètawetenschappen ging dat heel vlot, zegt Hans Smits: 'Die waren perfect georganiseerd en waren het altijd helemaal met elkaar eens over hun uitgangspunten. Ze maakten samen een mooi plan en het geld stroomde toe.' Rond 1970 ging dan ook bijna al het geld van ZWO naar onderzoekprojecten van de exacte wetenschappen.

De bèta's konden dan ook opnieuw een serie hoogtepunten aan hun cv toevoegen. In 1973 kocht ZWO een stuk grond in de Amsterdamse Watergraafsmeer, dat betrokken werd bij het Wetenschappelijk Centrum Watergraafsmeer. Op dit terrein verrezen de gebouwen van de sectie hoge-energiefysica van het NIKHEF en van het Mathematisch Centrum en de Stichting Academisch Rekencentrum Amsterdam (SARA). De computer van SARA stond vanaf het begin bekend als de grootste van Nederland, misschien wel van Europa. Maar dat laatste is moeilijk te zeggen, meent Jan Nuis. 'SARA is altijd als netwerk bedoeld geweest.'

Heel anders stond het ervoor bij de geesteswetenschappen. Zij kregen maar twee procent van het ZWO-geld. Niet te verbazen, vindt Smits. Grote onderzoekprogramma's waren bij de alfa's nog een onbekend fenomeen. 'Er waren mensen in Amsterdam die nog nooit in Nijmegen waren geweest. Begin jaren zeventig kwam de samenwerking langzaam op gang. Dat moest wel. Geld brengt mensen samen.'

Inhoudelijk voltrok de ommezwaai in de letterendisciplines zich tegen het eind van de jaren zeventig. In de psychologie was een complete revolutionaire beweging ontstaan rond de structuralistische ideeën van Noam Chomsky. Dat waaide over naar de letterenfaculteiten en gaf daar geweldige clashes. De historische taalstudie werd in één klap verdrongen door de nieuwe systeembenadering. Speerpunt van de nieuwe riching werd de algemene taalwetenschap. 'Het is een tijdlang zo geweest dat wie ATW zei, structuralisme bedoelde,' schrijft S. Dresden in Onder de 'ZWO-Bannier'. Volgens hem was het structuralisme een modebeweging, een hype. Maar dankzij deze bevlieging was algemene taalwetenschap ook de eerste alfadiscipline waar men onderzoek ging doen met behulp van experimentele en systematische methoden.

 

 

'Wee de genen'

Maar er traden niet alleen verruimingen op van wetenschappelijke onderzoekmogelijkheden. Nu de 'waardenvrije' wetenschap aan overtuigingskracht had ingeboet, kwam ook de weg vrij voor beperkingen. Het ging niet om officiële regels, maar om stilzwijgende afspraken. Alle onderzoek van en met persoonsgegevens kwam in een verdacht daglicht te staan. Was de privacy wel voldoende gegarandeerd? Bestond er geen risico van misbruik door overheid en bedrijfsleven?

Het waren terechte vragen, vrucht van de doorbraak in de jaren zestig, die nu echter tot in het absurde werden doorgevoerd. De vragen verhardden zich tot taboes, waardoor hele gebieden werden afgeschermd van tegenspraak en onderzoek. 'DNA-onderzoek mocht niet van de marxisten toen, want in dienst van het imperialisme,' herinnert Ronald Plasterk zich in de Volkskrant. Erfelijkheidsonderzoek was sowieso taboe. 'Wee de genen' was het devies, de titel van een recent boek door Koos Neuvel.

Niet alleen biochemici kregen met de nieuwe verbodsbepalingen te maken. Epidemiologen waren nauwelijks meer in staat om medisch bevolkingsonderzoek te doen. Criminologen konden geen onderzoek meer doen naar mogelijke verbanden tussen criminaliteit en etnische achtergrond. In 1974 stopte het CBS met het registreren van etnische afkomst in zijn arrestantenbestanden. Zulke gegevens werden bij het CBS 'laakbare entiteiten' genoemd, alsof de arme feiten de zonden der wereld op hun schouders torsten.

Als het bekendste slachtoffer van deze nieuwe taboes ter sprake komt - Buikhuisen - reageren de meeste geïnterviewden dubbelzinnig. De criminoloog Buikhuisen wilde onderzoeken of behalve sociale ook biologische factoren van invloed zijn op crimineel gedrag. In een maanden durende hetze werd hij door Hugo Brandt Corstius in Vrij Nederland naar de andere wereld geschreven: die van de gewetenloze fascisten. Slechts weinigen dorsten het voor Buikhuisen op te nemen en Brandt Corstius maakte nooit excuus voor zijn schrijftafelmoord. Integendeel, in 1995 kreeg hij van NRC Handelsblad de gelegenheid om 'die malle Buikhuisen' twintig jaar nadat hij hem 'tot zwijgen heeft gebracht' nog eens een ferme trap na te geven.

Stuk voor stuk noemen de geïnterviewden het een schandelijke episode, maar de meesten tonen ook begrip voor de 'tijdgeest' van toen. Bovendien maakte Buikhuisen 'tactische' fouten. Hij had zijn plan wel eens wat voorzichtiger mogen presenteren, of zich moeten associëren met onverdachte anderen. Buikhuisen had misschien ook niet de juiste 'statuur', zegt de een, of, veronderstelt een ander, was 'misschien geen aardige man'.

Ook Köbben had zijn twijfels, maar hij vond wel dat het mogelijk moest zijn om zulke vragen te onderzoeken. 'Ik las met stijgende verontwaardiging de schandelijke stukken van Brandt Corstius. Wat me toen ook zo verschrikkelijk tegenstond was dat die vrij algemeen met applaus werden aanvaard. Later wilde ik nog eens die verzameling van artikelen hebben, en belde ik op naar VN. Toen bleek dat ze van die zestien stukken een leuk boekje hadden gemaakt. "Het wordt heel vaak gebruikt op scholen voor maatschappelijk werk," zei die mevrouw van VN.'

Doorman had het gevoel 'dat heel veel mensen hem drukten' tijdens de affaire. Hij brengt dat in verband met een schaduwzijde van onze kleinschaligheid en ons poldermodel: 'Waar mensen zo dicht op elkaar zitten, dat zie je ook op dorpspleintjes, gaan ze conflictvermijdend gedrag vertonen.'

'Buikhuisen was een soort volksgericht,' oordeelt Peter Schröder. 'De universiteit had een onderzoekinstituut opgericht, daar was een onderzoekprogramma opgesteld waarop in wetenschappelijk opzicht niets was aan te merken, het werd door de bevoegde personen vastgesteld, en toen kreeg je al die trammelant. Maar noch Buikhuisens collega's, noch de leden van het College van Bestuur rechtten de rug en vertelden de buitenwereld dat er kletspraat in omloop was gebracht. Nee, men zat erbij en keek ernaar hoe instituut en hoogleraar-directeur het werken onmogelijk werd gemaakt. Laf, verwerpelijk, en trouwens ook een verspillende bedrijfsvoering.'

 

 

Tegenwind

Tot in de jaren zeventig had het wetenschappelijk bedrijf van rugwind geprofiteerd. Het oorlogstrauma, de wederopbouw, de Koude Oorlog, [de geboortegolf] en de hoogconjunctuur, allemaal bliezen ze de goede kant op. Van Lieshout herinnert zich nog precies wanneer de wind keerde. Eind jaren zeventig hoorde hij een vertegenwoordiger van de minister van Onderwijs en Wetenschappen zeggen: 'Wij schrikken op het departement niet langer van het woord kapitaalvernietiging.' 'Dat is iets dat me zo verbijsterd heeft,' zegt Van Lieshout, 'dat zal ik nooit vergeten. Men bedoelde niet alleen dat je een gebouw leeg liet staan; impliciet werd daarmee ook menselijk kapitaal weggesmeten.'

Dat was het begin van het 'afbraakproces', zegt Van Lieshout. De dagen waarin het prettig geregeld kon worden, als heren onder elkaar - zij waren voorgoed voorbij.

 

 

 

DE JAREN TACHTIG

 

De jaren tachtig hebben in de volksherinnering iets weg gekregen van de jaren vijftig: een sombere periode in donkere tinten, waarin zuinigheid troef was. Voor het onderzoekbedrijf gaat dat beeld wel enigszins op. De meeste plannen tot overheidsingrijpen, voorbereid in de jaren zeventig, kwamen nu tot uitvoering. Bezuiniging, voortgaande schaalvergroting en versterkte controle brachten bureaucratisering met zich mee, en een groeiende kloof tussen wetenschap en ambtenarij.

Zoals het vaak gaat in een land waarin beleidsvoorbereiding decennia kan duren, wisselden de voorgenomen maatregelen tijdens de rit van motivatie. De versterking van overheidinterventie was aanvankelijk ideëel gemotiveerd, vanuit de maakbare samenleving-gedachte. In de jaren zeventig drong de bezuinigingsnoodzaak zich op de voorgrond. In de jaren tachtig verschoof de motivatie opnieuw en kwam de economische rol van wetenschap en technologie centraal te staan. Maar de colonne, eenmaal in beweging gezet, kon niet worden gestopt. De nieuwe oriëntatie op economische output leidde alleen maar tot nog meer nadruk op performance-metingen.

 

 

De scientometrist schiet te hulp  

Daarbij deed zich wel een paradox voor, merkt Paul Wouters op. 'Het ministerie moest het centrum worden van waaruit een heel wetenschappelijk systeem wordt aangestuurd en geprikkeld. Onderzoekvoorstellen moeten daar dus inhoudelijk worden beoordeeld, maar dat kunnen die ambtenaren niet. Degenen die het geld vragen, zijn ook de enigen die kunnen beoordelen of het goed wordt uitgegeven.'

Er is één manier om deze paradox te omzeilen: de ambtenaren hebben geen problemen als ze onderzoekvoorstellen en -reultaten kunnen 'meten' met behulp van kwantitatieve indicatoren, zoals het aantal citaties in wetenschappelijke publicaties. Het belang van zulke citaties is overal ter wereld toegenomen, maar in Nederland ging dat 'vrij ver', aldus Paul Wouters. 'Wij hebben in de jaren tachtig een golfje van enthousiasme over dat idee gehad. We hebben in Nederland ook de enige hoogleraar ter wereld in de wetenschapsmeetkunde, de scientometrie: Ton van Raan in Leiden.'

Aanvankelijk bestond de hoop dat de scientometrie een geautomatiseerd systeem van kwaliteitsbeoordeling zou opleveren. Paul Wouters: 'Objectiveerbaar, meetbaar, kwantificeerbaar - mooier kon niet. Hoe goed is Pietje Puk? Alles in de computer, druk op de knop, rrrt, klaar! Die mogelijkheid appelleerde zowel aan het systeemdenken als aan de nieuwe nadruk op economische output.' Uiteindelijk vlakte het golfje op typisch Nederlandse wijze af. 'Er rolde uit dat scientometristen misschien een rol kunnen spelen bij het formuleren van vragen, die weer een voedingsbron kunnen zijn voor het kwalitatief beoordelingsproces. Het wetenschappelijk systeem was er dus in geslaagd om deze aanval op zijn eigen autonomie voor een deel af te slaan en voor een deel in te kapselen.'

Bij ZWO bezegelde de toemende aandacht voor economische verantwoording de gedaanteverwisseling die in 1974 al was aangekondigd in de Nota wetenschapsbeleid. In 1988 verpopte de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek zich tot NWO, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Daarmee kwam de organisatie dichter aan te zitten tegen het beleid van het ministerie. Het sneuvelen van het woordje 'zuiver' ging gepaard met een andere totstandkoming van onderzoekvoorstellen. Voorheen gebeurde dat vooral bottum-up, in de vorm van een open competitie tussen onderzoekers. Nu groeide het aandeel van top-down onderzoek, geïnitieerd vanuit NWO rond een door de organisatie gekozen onderzoekthema.

 

 

De afgeknepen universiteit

Ook de arbeidsvoorwaarden waren nu niet veilig meer. Begin jaren tachtig werd de praktijk van de automatische bevordering stopgezet en begon met de 'taakverdelingsoperatie' het echte bezuinigen. Er ontbrandde, in de woorden van Marietje van Winter, een ware strijd om als onderzoeker te overleven. 'Onderwijs en onderzoek mochten officieel niet gescheiden worden, maar de regering deed in feite zijn uiterste best om die twee wel te scheiden. En je wou je toch niet tot lesboer laten degraderen!'

Inmiddels was ook de decentralisatie in de mode gekomen, en het leek de regering nu eens een goed idee dat de vakgroepen zelf de bezuinigingen zouden doorvoeren. Dat leverde in de gedemocratiseerde instituten niet altijd de fraaiste taferelen op. Faculteiten en vakgroepen veranderden in reddingssloepen waarin de matrozen hun nijpender wordende honger stilden door de scheepsjongens te slachten en op te eten. Eerst moesten de nieuwkomers eraan geloven. Vervolgens verdwenen de tijdelijke medewerkers in de pan. Pas daarna werd een poging gedaan om te voorkomen dat de universiteiten werkelijk zouden veranderen in bejaardencentra: er kwam een ruimhartige regeling voor vervroegde uittreding.

Zo kreeg het wetenschapsbedrijf trekken van een kastensamenleving, maar dan op basis van leeftijd. Bovenaan het 'zittende bestand', zijn verworven rechten tegen de borst gedrukt. Daaronder de aio's, oio's, wvm'ers en andere jeugdige contractarbeiders. En helemaal aan de onderkant de paria's: een toenemend aantal werkloze onderzoekers, aangewezen op een zwervend bestaan buiten de poorten. Tussen 1980 en 1984 schoot de werkloosheid onder academici omhoog van 6.000 naar 17.000.

'Dat je kwalitatief goed bent is niet meer genoeg. Je moet ook de juiste mensen kennen en jezelf goed presenteren,' constateerde zo'n werkloze onderzoeker, Peter Sloep, verbaasd in de Haagse Post. Hij kon het weten, want hij was net gepromoveerd op een hoog geprezen onderzoek in de theoretische biologie, en toch zat hij nu in de bijstand in een Oost-Gronings dorp. Hij ontried mensen om biologie te gaan studeren, zelfs al waren ze goed. 'Econoom moet je tegenwoordig worden, hoe heet dat... econometrist.'

Gelukkig bleek ZWO bereid om zijn vervolgonderzoek in de VS te betalen. Dat deed de organisatie voor veel van de zeer goeden onder de 'verloren generatie'. ZWO speelde een belangrijke rol als voedster van de laatstgeborenen, die tevergeefs naar de borst van de alma mater tastten.

 

 

'Wetenschap is slechts een verhaal'

Ook in de jaren tachtig bleef de Nederlandse astronomie successen boeken. Na de ANS (Astronomische Nederlandse Satelliet) in 1974 kwam in 1984 de IRAS (Infrarood Astronomische Satelliet), samen met de VS en Engeland. Dat was de eerste satelliet die het heelal met infrarood in kaart heeft gebracht, zegt Van den Heuvel. 'In de jaren negentig heeft de Europese ruimtevaart op die Nederlandse successen voortgeborduurd met de Infrared Space Observatory, ISO.'

Maar terwijl de astronomen in alle rust hun waarnemingen verrichtten, sloeg bij de alfa's alweer een nieuwe hype toe: het postmodernisme. De wereld bestaat uit verhalen, een objectieve waarheid bestaat niet. Ook de wetenschap is niets meer of minder dan een verhaal. 'Ik heb meegemaakt dat mensen die bezeten waren van het postmodernisme bij de Akademie aankwamen,' vertelt Köbben. 'Er was een filosoof die voorzichtig vroeg wat het waarheidsgehalte van hun onderzoek was. Toen antwoordde een jongmens: "Waarheid? Dat is een woord dat obsoleet is sinds de jaren zestig." Ik vroeg daarop met mijn liefste stemmetje: "Van welke eeuw bedoelt U? Deze eeuw? O, ik dacht even dat U de vierde eeuw vóór Christus bedoelde. Toen was er in Athene al iemand die iets dergelijks beweerde.'

Maar lang niet alle alfa-onderzoekers verloren zich in het grote verhaal van het postmodernisme. Je zag ook in de letterenfaculteiten steeds meer computerfreaks rondlopen, zegt Smits. 'De computer heeft veel geesteswetenschappers uit hun kamertje gehaald en in de armen van de wereld gedreven. Dat was ook hard nodig. Nog steeds was zo'n negentig procent van alle geesteswetenschappelijk onderzoek nationaal gericht.'

Sommige computerfreaks raakten zelfs zozeer in de grote wereld verzeild dat ze het verder voor gezien hielden. Smits: 'Ik ken mensen die aan het promoveren waren op vakgebieden als het Soemerisch en die voor hun ingewikkelde tekstvergelijkingen programma's hadden gemaakt om ontbrekende tekstdelen in te vullen. Die maakten hun promotie niet af omdat ze wegliepen naar het bedrijfsleven.' Ook Van den Heuvel vertelt over een bij hem afgestudeerde astronome die haar eigen zaak begon en software-miljonair werd. Er klinkt bewondering door in zijn stem.

 

 

Hoogleraar in de flutkunde

In 1982 herhaalden de sociologen Sixma & Ultee het beroepsprestige-onderzoek dat hun voorganger Van Heek in 1953 had ondernomen. Een steekproef uit de bevolking rangschikte een lange lijst beroepen naar volgorde van maatschappelijk aanzien. In 1953 zat de eerbied voor de wetenschap er goed in. Boven aan de lijst troonde de hoogleraar, gevolgd door een hele rits academische beroepen. Pas op de achtste plaats, ex aequo met de tandarts, volgde de 'directeur van een grote onderneming'.

In de schaal van 1982 staat de hoogleraar op de derde plaats (na chirurg en rechter). De directeur van een grote onderneming is opgerukt naar de zesde plaats. Maar Sixma & Ultee volstonden niet met de vraag naar het maatschappelijk aanzien van beroepen. Ze vroegen ook welk beroep de ondervraagde wel of juist niet zou willen hebben als hij echt kon kiezen. Daarmee ontstond een tweede rangorde, op basis van 'aantrekkelijkheid'. In deze rangorde kwam de hoogleraar pas op de 34e plaats.

Om toelichting vroegen Sixma & Ultee niet, dus het blijft gissen naar de oorzaak van de verschillen. Het toenemend belang van economische factoren zal een rol hebben gespeeld. 'In Amerika ging het er altijd al om hoeveel geld je verdiende,' zegt Le Pair, 'nu gaat het bij ons ook die kant op. Wat kun je met je vak, en wat kun je ermee verdienen?' Verder zal de 'gouden regen van jeugdige professoren in curieuze vakken' het professorbeeld geen goed hebben gedaan. 'Als men vroeger hoorde dat je professor doctor was, had men de neiging je te geloven,' haalt Köbben op. 'Maar sinds die contestatieperiode had men juist de neiging om je niet te geloven: "Die man is professor, dan kan wat hij zegt niet waar zijn".'

Het werd in de jaren tachtig ook een beetje vaag waar je een professor precies moest plaatsen. Er kwamen nieuwe universiteiten bij, die hun docenten ook met het predikaat 'hoogleraar' mochten tooien. Ook kwamen de 'kundes' op: meer toepassingsgerichte disciplines die uitzicht bieden op posities in het bedrijfsleven. Doorman zou geen hoogleraar willen zijn in een van die kundes, zoveel is zeker. 'Als het woord "kunde" valt, dan kunt u over het algemeen een vrij wantrouwige grijns op mijn smoel zien. Een vak waarmee je alles kunt worden, dat vind ik niet zo'n indrukwekkend vak. Een heleboel van die vakken reken ik tot de flutkundes.'

Piet Borst is opnieuw genuanceerd, wanneer hem naar zijn oordeel over de jaren tachtig wordt gevraagd. Enerzijds constateert hij dat het wetenschappelijk bedrijf grote schade heeft opgelopen door de uit de hand gelopen wetgeving, de WUB, 'waarin de bestuursstructuur van de universiteit zo aangetast is dat geen bedrijf of ministerie er ooit mee zou kunnen functioneren. Dat leidde ertoe dat mensen werden opgeleid in faculteiten die niet goed functioneerden, wat er op zijn beurt weer toe leidde dat mensen de universiteit verlieten met een lage dunk van het wetenschappelijk onderzoek. Het zijn die mensen, denk ik, die in het parlement nu beknibbelen op onderzoekgeld.'

Maar ook benadrukt Borst dat in de jaren tachtig de professionalisering in de wetenschap flink is voortgeschreden. Overal ontstonden grotere instituten en verbanden. Onderzoek vond steeds vaker plaats in projectgroepen, veelal interdisciplinair samengesteld, waarbij oude hokjes en schotjes werden doorbroken.

Meer samenwerking - wie kan daar in Nederland op tegen zijn? Samenwerking leidt tot 'synergie' en 'win-winsituaties', dat is algemeen bekend. Maar geldt dat ook voor het wetenschappelijk onderzoek? 'Belangrijke vernieuwingen zijn vaak geproduceerd door geïsoleerde en monomane individuen die slecht in een team zouden passen,' benadrukte de socioloog Louis Boon in 1984 op een congres over Verbeeldingskracht en wetenschap. Wat moest er worden van de grilligen, de onvoorspelbaren, degenen die niet terugschrikken voor een gedurfde benadering? Zij kunnen vaak niet voldoen aan de eigenschappen die voortaan door de bureaucratie werden beloond: netheid, haalbaarheid en voorzichtigheid.

 

 

 

DE JAREN NEGENTIG

 

'De geleerden en geestelijken moeten nimmer aanspraak maken op een gelijk fortuin als de handel en soortgelijke winstgevende bedrijven aanbrengen; want een groot deel hunner beloning bestaat in de eer, in de bewustheid van het nut dat zij stichten, en in den aard hunner bezigheden, zoo rijk aan voldoening voor den geest en het hart. Ongelukkig de geleerde die ook dit gedeelte van zijnen loon voor goud zou willen inruilen.' Aldus ds. J.H. van der Palm in het begin van de negentiende eeuw. Halverwege de twintigste was aan dat zelfbeeld nog niet veel veranderd. 'De onderzoekers met wie ik in aanraking kwam hadden een zekere mentaliteit,' zegt Jan Nuis. 'Degenen die rijk hadden kunnen worden, zijn toch verder gegaan in de wetenschap. Die hadden een goed salaris en die namen daar genoegen mee.'

Maar nu Wim Dik, die na zijn carrière bij KPN hoogleraar is geworden in Delft. In een recent interview vertelde hij over zijn ervaringen. 'Als ik met een afstuderende student zit te praten, zeg ik altijd: ga promoveren! En wat zegt dan de jonge academicus van vandaag? "Ja, maar dan moet ik vier jaar wachten voordat ik een beetje flink verdien. Mijn maatjes hebben al 75.000 gulden, moet ik dan voor 15.000 gulden nog vier jaar op de universiteit rondklooien?".'

Piet Borst merkt dat in de biomedische vakken de vacatures niet te vullen zijn. 'Het is buitengewoon moeilijk mensen te vinden die voor weinig geld hun opleiding willen doen. Slimme scholieren gaan naar business schools en dergelijke.' Uit andere hoeken van de wetenschap klinken soortgelijke geluiden. Bij de letteren constateert Hans Smits in de jaren negentig een terugloop met een derde. Ook de omvang van de academische sociale weten­schap is ingrijpend geslonken.

Ronduit dramatisch is de ontwikkeling bij de exacte vakken. De instroom van wis-, natuur- en scheikundestudenten daalt sinds het midden van de jaren negentig met zo'n twintig procent per jaar. 'De fundamentele tak van wetenschap trekt geen mensen meer aan,' bromt Smits. 'Het beeld van de bèta's is dat ze saaie nerds zijn.'

 

 

De verleidingen

In de jaren negentig raakte het bedrijfsleven opnieuw verweven met de wetenschapsbeoefening - maar dit keer niet op basis van de ruimhartige Casimir-filosofie uit de wederopbouwperiode. Winstmarges worden scherper in de gaten gehouden en bedrijven die opdracht geven tot onderzoek, weten precies wat ze hebben besteld. In onderzoeklaboratoria van grote bedrijven zoals Philips NatLab wordt in hoofdzaak gewerkt aan direct productgericht onderzoek.

Deze nieuwe bindingen met het bedrijfsleven leveren veel resultaten op, maar vaak in de vorm van kleine plakjes. Het gaat de Amerikaanse kant op. In de VS wordt een bruikbare vondst niet aan collega's voorgelegd, maar juist geheim gehouden en daarna zo snel mogelijk gepatenteerd. 'Men is zwijgzamer dan vroeger,' zegt Piet Borst. 'Als niemand meer iets zegt omdat dan een patent in gevaar komt of een consultancy fee niet verdiend wordt, is dat niet goed.'

Borst vind dat vooral zo jammer omdat er tegenwoordig zoveel interessante ontdekkingen worden gedaan door de synergie tussen de verschillende disciplines. 'Ontkokering', lang als ideaal beleden, komt nu spontaan tot stand door de opkomst van grensoverschrijdende specialisaties. In het gen-onderzoek komen bijvoorbeeld natuurkunde en biologie bij elkaar. Maar je kunt ook natuurkunde en kunstgeschiedenis noemen. Natuurkundigen bedenken tegenwoordig nieuwe technieken om schilderijen voor verslechtering te behoeden.

Over de risico's van de toenemende financiering vanuit het bedrijfsleven zijn de meningen verdeeld. Köbben acht het risico dat mensen opdrachtgevers naar de mond praten groter dan in de jaren vijftig. In zijn boek De onwelkome boodschap (1999) geeft hij een aantal voorbeelden van hoe het verkeerd kan gaan. Meestal gaat het niet om mensen die echt frauderen met cijfers. Eerder om het op een geschikte manier 'plooien' van de cijfers, of het kiezen van een ander jaar als de resultaten van een gekozen jaar niet het gewenste resultaat opleveren. Köbben zou wel een instantie willen instellen die daarover gaat, een Vertrouwenspersoon voor de Wetenschap, die jurisprudentie op dit gebied verzamelt en mede op grond daarvan normen kan stellen.

Piet Borst vindt dat niet nodig. Volgens hem is het zelfreinigend vermogen van de academische wereld groot genoeg. Als het glazen huis van de wetenschapsbeoefening maar doorzichtig blijft, schreef hij in NRC Handelsblad, is een Office of Scientific Integrity zoals in Amerika bestaat in Nederland niet nodig.

Het is overigens een misverstand dat het alleen maar om verleidingen vanuit het bedrijfsleven zou gaan. Ook de overheid besteedt steeds meer onderzoek uit. In Nederland is zij veruit de grootste opdrachtgeefster en gebruikster van sociaalwetenschappelijk onderzoek, en zij wenst 'beleidsrelevante' resultaten. In 1992 wees de socioloog Ruben Gowricharn in zijn boek Tegen beter weten in al op de hieraan verbonden risico's. In 'De Waarheid' zijn onderzoekers nauwelijks meer geïnteresseerd, stelde hij. Zij dragen bij tot een 'ambtelijke constructie' van de werkelijkheid.

Peter Schröder weet een goede manier om beïnvloeding door opdrachtgevers te voorkomen: 'Geef om de paar weken een krantje uit met wat voor opdrachten er boven de markt hangen. Iedereen kan dan inschrijven en er moet een mededingingsautoriteit zijn waar je desnoods heen kunt lopen. Dan mag de voordeligste en de beste aanbieder het uitvoeren. Die kant moet het eigenlijk op, als je de Europese regelgeving serieus neemt.' Maar hij voert ook nog een ander bezwaar aan. 'Er is een overproductie aan dit soort opdrachtonderzoek; het wordt door organisaties en beleidsmakers vaak gebruikt als een soort afleidingsmanoeuvre. Je kunt dingen voor je uit schuiven door ze uit te laten zoeken.' Schröder denkt dat een heleboel dingen niet onderzoekbaar zijn. 'Maar je zal nooit een onderzoekbureau horen zeggen: meneer, da's een interessante vraag maar het is helaas niet onderzoekbaar.'

Le Pair heeft niets tegen commerciële financiering van onderzoek, maar dan wel op één voorwaarde. Dan moet de overheid onafhankelijke instanties in staat stellen om zulke onderzoekresultaten te weerleggen, als dat nodig is. Als voorbeeld noemt hij het TNO-onderzoek naar alcoholmisbruik in het verkeer: 'Je zou best eens een vergelijking kunnen maken tussen ongelukken waarbij alcohol wel en geen rol heeft gespeeld. Misschien kom je dan wel tot de conclusie dat de grootste brokkenmakers juist minder gedronken hebben. Misschien ga je met een paar biertjes juist wel voorzichtiger rijden. Maar denk maar niet dat zo'n instituut zo'n onderzoekvoorstel mag uitvoeren! Daarom moet er een ministerie zijn dat een deel van het belastinggeld geeft aan onderzoek waar geen restricties aan zitten.'

Ook NWO staat steeds meer onder druk om de missiven van een of ander ministerie te volgen, constateert Le Pair. Hij vindt: doe dat dan via een aparte afdeling, een afdeling toegepaste wetenschap, die door een financiële muur is afgescheiden van de afdeling waar men onderzoek doet zonder over de inhoud maatschappelijke verantwoording te hoeven afleggen. In zekere mate voldoet de Spinozapremie al aan dit verlangen, het stipendium waarmee een onderzoeker voor langere tijd aan het werk kan zonder aan de lopende band formulieren in te vullen.

 

 

'Sorry hoor - ik vind het interessant'

Maar zullen ze nog wel te vinden zijn, de gretige jonge onderzoekers die zich voor langere tijd willen opsluiten in hun onderwerp? Klinkt de sirenezang van het grote geld al niet te luid? Köbben is daar niet bang voor, hij heeft al zoveel hypes voorbij zien trekken. 'Aanvankelijk ging men antropologie studeren uit dorst naar kennis. Daarna werd het een modevak, de "dan-maar" student. Heel kort daarop kwam het idee dat de antropologie er is om de wereld te verbeteren. En toen was er een student die op een werkcollege zei: "Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik zeg het toch. Die boeken, die lees ik eigenlijk - sorry hoor - omdat ik ze zo interessánt vind".' Köbben ziet nog steeds veel studenten die iets gaan studeren omdat ze het 'leuk' vinden.

Hans Smits heeft soortgelijke ervaringen. 'Schooldekanen zeggen dat je studenten moet werven door ze te laten zien hoe interessant een studie is. Beroepsperspectief speelt nauwelijks een rol.' Misschien had Den Uyl toch geen gelijk met zijn 'Die tijden komen nooit terug'? Nu welvaart langzamerhand weer vanzelfsprekend wordt gevonden, is veel geld verdienen niet meer alleen zaligmakend. Net als in de jaren zestig en zeventig ontstaat er meer ruimte voor zelfontplooiing.

Daar komt bij: als je carrière wilt maken, wordt vooral naar je 'cv' gekeken, en minder dan vroeger naar je studiekeuze. Dus kun je net zo goed iets gaan studeren dat je leuk vindt. Van den Heuvel voert een overtuigend bewijs aan: terwijl steeds minder mensen wis- of natuurkunde gaan studeren, nemen de studentenaantallen in de sterrenkunde toe, en dat is wereldwijd zo, al minstens tien jaar lang. Nadat ze hebben gestudeerd wat ze leuk vinden, kunnen de jonge astronomen gemakkelijk terecht bij research- en softwarebedrijven.

 

 

Nederland: consistent wetenschapsbeleid

Midden jaren negentig ging het ministerie voor Wetenschapsbeleid, na een moeizaam bestaan als speelbal tussen EZ en Onderwijs, ten onder. Kwam daarmee een eind aan het Nederlandse wetenschapsbeleid? Nee, dat bestond al vóór het ministerie en bleef ook daarna bestaan. Nederland is, concludeerde Ton van Raan in een vergelijkend onderzoek, het enige land met een min of meer consistent nationaal wetenschapsbeleid. Officieel ging dat van start in 1973, maar in feite kun je zeggen dat het al begon met de oprichting van de FOM, vlak na de oorlog. Op het ogenblik is wetenschapsbeleid een directie binnen het ministerie van OC&W.

Sinds de opheffing van het ministerie hebben de universiteiten budgetten en zijn ze zelf verantwoordelijk voor de besteding daarvan. Peter Schröder ziet daar weinig heil in. Hij wijst erop dat universiteiten in de eerste plaats opleidingsinstituten zijn. De verantwoordelijkheid voor het publiek gefinancierde wetenschappelijk onderzoek moet je elders leggen, vindt hij. 'Als je het aan dertien universiteiten overlaat, weet je van te van voren wat eruit komt: jan een beetje en piet een beetje, en dan zijn we klaas vergeten maar die komt volgend jaar wel.' Het is beter dat de overheid een actief beleid voert om de transparantie in de opdrachtverlening te vergroten. 'Daar is een research council voor nodig, en die hebben we ook in Nederland, die heet NWO. Maar NWO zal veel meer kunnen betekenen als ze verantwoordelijk is voor de bulk van het Nederlandse onderzoekgeld, en minder hoeft te opereren als filiaal van de universitaire disciplines.'

Daarnaast moet de overheid in de gaten houden of de markt wel goed werkt. 'De laatste vijf jaar komen er nauwelijks wiskundigen bij. Als dat nog vijf jaar zo doorgaat heeft dat betekenis voor het hele stelsel. Daar moeten mensen naar kijken. Ik weet niet of dat een minister moet zijn, maar daarvoor is wel een soort wetenschapsbeleid nodig.'

 

 

 

ANNO 2000: WETENSCHAP IS OVERAL EN NERGENS

 

De wetenschap snelt voort

Snelle jongens en meisjes, hoppend van baan naar baan, switchend tussen wetenschap en bedrijfsleven. Een universiteit die, na de kritiese en de welzijnsfase, als no-nonsense instituut mag worden betiteld. Leg daarnaast het beeld van vijftig jaar geleden, van de imposante wetenschapsman die zijn leven wijdde aan zijn onderzoek. Toen was het onderzoekbedrijf bijna een 'totale institutie'. Nu is de wetenschap als aparte wereld en als hooggestemde levenskeuze nauwelijks meer te onderscheiden. Intussen neemt het belang van wetenschappelijk onderzoek alleen maar toe en houden steeds meer mensen zich er op de een of andere manier mee bezig. Wetenschap is overal en nergens.

Niet alleen is de wetenschap de wereld in gegaan, andersom heeft de wereld ook zijn opwachting gemaakt in de wetenschap. Hoogleraren moeten tegenwoordig van veel meer markten thuis zijn. Ze moeten niet alleen hun proeven goed kunnen doen, maar ook 'met het hoofdgebouw kunnen praten' en liefst ook nog 'uitstraling hebben'.

Wetenschappelijk onderzoek is geen occupation for gentlemen meer, het is uitgedijd tot een grote machine, die vergeleken met vroeger onoverzichtelijker is en minder zekerheden biedt, maar niet minder soepel draait. Vooral op bètagebied heeft die machine de afgelopen vijftig jaar verbluffende vorderingen mogelijk gemaakt. 'De methoden en denkwijzen van de harde bètawetenschappen zijn doorgedrongen in de alfa- en gammawetenschappen, in de medische wetenschappen en ook in de andere levenswetenschappen,' vat Van Lieshout samen. 'In de biowetenschappen vindt nu de sterkste wetenschappelijke groei plaats: in biofysica, biochemie, moleculaire biologie, genetica.'

 

 

De wetenschap retireert

Het succes van die mondiale onderzoekmachinerie, en de sterk verminderde beheersbaarheid ervan, confronteert onderzoekers ook met problemen. De concurrentie is groter en veelomvattender dan ooit, de druk om te publiceren - en liefst zo snel mogelijk - is navenant toegenomen. Sommige onderzoekers geven toe aan de verleiding om 'resultaten' voortijdig te publiceren, zoals prof. Buck, die in 1992 een beslissende doorbraak aankondigde in de speurtocht naar een aids-vaccin, maar wiens proeven ondeugdelijk bleken.

Daarnaast vragen, met de toename van de onderzoekmogelijkheden, klassieke ethische kwesties eens te meer om aandacht. De vraag of alles wat onderzocht kan worden, ook onderzocht moet worden, wordt steeds nijpender. Antwoorden op ethische vragen zijn niet meer zo simpel als in de tijd van Buikhuisen. Zo gewaagt Le Pair van 'het recht op leven van de ongeboren kloon'.

Op de valreep kijkt opnieuw prof. Sickbock om de hoek. Kunnen we hem zo maar laten begaan in zijn ondergronds laboratorium, waar hij tussen borrelende retorten werkt aan een genenbank van de algehele wereldbevolking en haar nageslacht? 'Rond de vorige eeuwwisseling zei men nog: de wetenschap is goed voor de mens,' memoreert Köbben. 'Nu beweert alleen Rudy Kousbroek dat nog. En je hoort het bij plechtige gelegenheden, en als ze geld willen hebben.' Maar volgens Le Pair is het ethische probleem nu niet nijpender dan vroeger. 'Ook Pugwash worstelde er al mee, en Darwin, Galilei en Augustinus. Wat we nu zien is een een politieke modegolf. Net zoals de ene keer lange en de andere keer korte rokken prevaleren, beleven we nu het rijzende tij van de ethische vragen over onderzoek.'

Intussen wordt zo'n beetje alles onderzocht wat er te onderzoeken valt, daar is iedereen het wel over eens. Piet Borst noemt het DNA-onderzoek. 'Het is duidelijk dat we op een goed moment op een simpele manier kunnen nagaan wat voor genetische predisposities mensen hebben, dus ook welke slechte kanten ze in hun DNA hebben zitten. Wat daar vervolgens mee gebeurt, daar moet de politiek regels voor stellen.'

Met die laatste uitspraak verwoordt Borst een gevoelen dat bij de meesten van zijn collega's leeft. Wetenschappelijk onderzoekers willen de last van de ethische verantwoordelijkheid niet meer dragen, betoogde Marcel Hulspas vorig jaar in Hypothese. Wetenschap is niet meer de superieure denkwijze van een verlichte elite, die ook verantwoordelijkheid nam voor een zegenrijke inzet van de gevonden inzichten. De verworvenheden zijn elkaar gaan verdringen, de regering moet maar kiezen. Daarmee is de wetenschap ook in status gedaald: de beslissingen worden elders genomen.


SPECIALS:


 De Ajax-factor

 

Hoe komt het dat Nederland ondanks zijn geringe omvang op verschillende wetenschapsgebieden wereldprestaties levert? Dat heeft te maken met onze poldergeest. In dit kleine landje praat iedereen met iedereen, over de grenzen van de disciplines heen, en ook met de overheid. Bovendien staat individueel scoren bij ons niet bovenaan. Nederlandse wetenschappers werken in teams: de 'Ajax-factor' legt ons geen windeieren. Buitenlanders vinden die aanpak vaak merkwaardig, zegt Hans Smits. Laatst kwam hij nog de Amerikaanse ambassadeur tegen, een kunsthistorica. 'Zij begreep absoluut niet dat er een landelijke onderzoekschool kunstgeschiedenis is, waar mensen afspraken maken over onderzoekprogramma's. In de VS concurreert iedereen met iedereen.'

Op sommige gebieden heeft die samenwerking van ons geweldige resultaten opgeleverd. De Nederlandse astronomen bijvoorbeeld vormen een hecht wereldje, dat je bijna als één team zou kunnen kenschetsen. Logisch, zegt Van den Heuvel: samenwerken is voor ons de enige manier om tegen de concurrentie elders op te boksen. Telescopen en satellieten kun je nooit in je eentje betalen, dus moet je samenwerken, zowel nationaal als internationaal.

In andere disciplines moet de teamgeest met meer moeite aan de zompige poldergrond worden ontwrongen. 'Interdisciplinariteit is een modewoord,' zegt Doorman, 'maar in werkelijkheid is het het lastigste wat er is.' En Peter Schröder moppert: 'Polderen, netwerken, is mooi om te zorgen dat iedereen evenveel op de giro krijgt, maar niet voor successen in baanbrekend onderzoek.'

 


 Helden zonder glorie

 

In de jaren zeventig hadden alle grote Amerikaanse sterrenwachten een Nederlandse directeur. En heel wat fysici van Nederlandse komaf hebben in Amerika de Nobelprijs gekregen, zonder daarna nog terug te keren. Dat is de brain drain: al sinds de jaren zeventig een verontrustend en veelbesproken verschijnsel. Waarom vertrekken zij? Natuurlijk zijn de faciliteiten voor uitzonderlijk goede mensen in het buitenland vaak beter. Maar verschillenden van onze zegslieden vermoeden dat er naast pull- ook push-factoren werkzaam zijn. Het komt ook doordat echte toppers in Nederland niet worden getolereerd. Teambuilding gaat ons voortreffelijk af, maar voor prima donna's is geen plaats - dat geldt in het voetbal en ook in de wetenschap. De enige wetenschappelijke helden die in Nederland worden gedoogd, zijn degenen die de Nobelprijs krijgen, of de Spinozapremie. Daar valt niks op af te dingen.

En wat voor personen geldt, lijkt ook voor instituten op te gaan. In Nederland is het niveau van het wetenschappelijk bedrijf relatief sterk gelijkgeschakeld. Er zijn weinig statusverschillen tussen de wetenschappelijke instellingen. De regering heeft altijd juist de achterblijvers een steuntje in de rug gegeven. En wie het toch hoog in de bol krijgt, die komt van een koude kermis thuis. Zo wil Leiden graag het Yale van Nederland worden en droomt Utrecht van een toekomst als het Hollandse Berkeley. Maar het geld is er niet en de andere universiteiten zullen het niet dulden. Niemand wenst uit de top te vallen.

Piet Borst vindt dat een respectabel standpunt, 'maar dan moet je wel kiezen. Je kunt niet zowel zeggen dat het zo fijn is dat wij zoveel universiteiten hebben die gelijk zijn, en zeggen dat het belangrijk is dat we de beste mensen ook een uitzonderlijk goede opleiding geven, zodat we meetellen in de wereld.' Zelf vindt hij dat Nederland teveel middelmatige universiteiten heeft. 'Het zou beter zijn als er een of twee goede waren, en dan een aantal die zich minder op wetenschappelijk onderzoek toelegden en meer op praktijkgerichte vorming.'

 


 De alma mater wordt een vrouw

Marietje van Winter weet nog goed hoe haar Utrechtse medestudenten bij de oude Geyl op de thee moesten komen. 'Allemaal vonden ze dat een enorme crime. Je moest netjes op een stoel zitten en een keurige conversatie voeren over niks.' Dat was de traditionele manlijke hoogleraar, alom gevreesd en gerespecteerd. Volgens de socioloog Den Hollander was de status van de professor een afgeleide van de medische hoogleraar, de autoriteit over leven en dood, die in een witte jas met z'n hele hofhouding aan de bedden van het volk verschijnt.Dat was de traditionele manlijke hoogleraar, alom gevreesd en gerespecteerd. Volgens de socioloog Den Hollander was de status van de professor een afgeleide van de medische hoogleraar, de autoriteit over leven en dood, die in een witte jas met z'n hele hofhouding aan de bedden van het volk verschijnt.

Toen had je nog professoren die met hun titel vergroeid waren, bij wie het woord 'professor' de plaats van de voornaam leek in te nemen. Tegenwoordig heten ze gewoon Ad en Frits. Professor is een meneer geworden, zoals iedereen tegenwoordig, behalve voetballers, bij wie het juist de andere kant op ging. Of misschien wordt de professor wel een mevrouw. De humaniora zijn aan het 'feminiseren', zegt Peter Schröder. Sociologen zijn al voor zestig procent vrouw. Daarmee veranderen ook de omgangsvormen tussen docent en student. Marietje van Winter bijvoorbeeld maakte er al begin jaren zestig een gewoonte van, studenten bij zich thuis uit te nodigen. Net als Geyl - maar niet om met opgeheven pink thee te drinken. Samen met het bezoek zette zij zich aan het aanrecht om een middeleeuwse maaltijd te bereiden. 'Dat ik op een normale manier met ze omging, vonden die studenten toen nog heel ongewoon.'

Nederland telt nog maar vijf procent vrouwelijke hoogleraren, maar de laatste tijd rukken vrouwen snel op in wetenschappelijke functies. Mannen zijn nu eenmaal kiener op geld verdienen en zoeken hun heil eerder buiten de wetenschap. Dorien Pessers beziet de ontwikkeling, blijkens een recente column in de Volkskrant, met een mengeling van gramschap en leedvermaak. Na het beroep van onderwijzer en leraar dreigt nu ook de hoogleraar te worden 'gediffameerd'. Als er niks in het beleid verandert, zal binnen tien jaar geen man nog hoogleraar willen worden. Vrouwen zullen dan wellicht in het gat springen en oververtegenwoordigd raken onder professoren. 'Hartelijk dank, heren bestuurders.'

  

 

Exacte wetenschap als volksgen

 

Volgens een nota van de samenwerkende universiteiten in 1998 behoort Nederland zowel wat betreft wetenschappelijke productie als kwaliteit tot de wereldtoptien. Wetenschapsjournalist Paul Wouters is wat zuiniger, hij plaatst ons 'hoog in de middenmoot'. Socioloog en wetenschapswatcher Peter Schröder noemt 'het gemiddelde niveau helemaal niet slecht' maar vraagt zich af of je daarop moet mikken: 'Wat hebben we aan een heleboel grootste gemene deler-onderzoekers?' Op een aantal wetenschapsgebieden hoort Nederland al tientallen jaren tot de wereldtop, daar is iedereen het over eens. Absolute uitschieters zijn astronomie en ruimteonderzoek, wiskunde en logica, theoretische en kernfysica. Andere vakgebieden die in het buitenland een goede naam hebben zijn theologie, biochemie, immunologie, taalkunde en psychologie. Nederland heeft naar verhouding veel Nobelprijswinnaars voortgebracht, de meesten uit de exacte hoek.

Waarom tellen wij als klein landje mee in de wereldtop, en waarom vooral in de exacte vakken? De Nederlandse overheid is heel lang uniek geweest in haar steun aan de wetenschap. Simon Stevin werd al door Maurits betaald, en ook Isaac Beeckman, die drie jaar voor Galilei de valproef deed, kreeg zijn onderzoek uit 's lands kas betaald. Maar het waren niet alleen belangrijke geleerden die zich met wis- en natuurkunde bezighielden. Alles wat je met proefjes kon doen, was in Nederland onder brede groepen altijd al populair. Van Lieshout snapt dat wel. 'De Nederlandse volksaard is dat ze zuinigjes denkt. Dat je het niet alle kanten uit laat gaan. Nederlanders zijn weinig exuberant ingesteld, en denken rechtlijnig. Dat betekende dat je je met dingen ging bezighouden die je in de hand kunt houden, en die je netjes en zindelijk kunt kwantificeren.'


  

 

Gebruikte literatuur

H. Daalder, Politici en politisering in Nederland. In: H. Daalder, Politisering en Lijdelijkheid in de Nederlandse politiek, Assen, 1974

 

Wim Dik, interview in jaarverslag Raad voor verkeer en waterstaat, Den Haag, 1999

 

Ruben Gowricharn, Tegen beter weten in, een essay over de economie en sociologie van de 'onderklasse', Leuven/Apeldoorn, 1992.

 

Marcel Hulspas, De irrelevantie der moderne wetenschap, Hypothese, oktober 1999

 

Albert Kersten, Een organisatie van en voor onderzoekers, ZWO 1947-1988, Assen, 1996

 

Th. Keulemans O.C. e.a., De intellectueel in de samenleving, Assen, 1953

 

A.J. F. Köbben en H. Tromp, De onwelkome boodschap of hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt, Leiden, 1999

 

NWO, De verleidingen van de wetenschap, journalistieke impressies bij het veertigjarig bestaan van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, Den Haag, 1990

 

Herman Vuijsje, Nieuwe Vrijgestelden, de opkomst van het spijkerpakkenproletariaat, Baarn, 1977.

 

Herman Vuijsje, De economie der overtolligen, langs ongebaande paden naar inkomsten en zelfrespect, Baarn, 1984

 

B.S. Witte, De wetenschappelijk ambtenaar aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen, Assen, 1963

 

ZWO, Onder de 'ZWO-Bannier', opstellen, aangeboden aan dr. J.H. Bannier ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, Den Haag, 1977

Terug naar overzicht met artikelen