GEWONE MENSEN, MET GEWONE MENSENWENSEN

 

[ Binnenlands Bestuur, 3 december 2004 ]

 

Hans Wansinks De erfernis van Fortuyn is een mooi en rijk boek. Proefschrift én leesboek. Ooggetuigenverslag, historische kroniek én politicologische polemiek. In zijn beschrijving van de opkomst en ondergang van de Fortuynistische beweging bestrijkt Wansink het hele spectrum tussen soul searching en wetenschappelijke analyse.

          Die soul searching was nodig omdat Wansink zelf als journalist een niet onbelangrijke rol speelde in het drama. Hij was een van de makers van het Volkskrant-interview van 9 februari 2002, waarin Fortuyn zich voorstander toonde van het schrappen van het discriminatieverbod uit de Grondwet en van een immigratiestop voor moslims. De aanloop naar de een maand later te houden gemeenteraadsverkiezingen onderging hierdoor een ingrijpende verandering. In de rest van de campagne werd Fortuyn niet meer, zoals tot dat moment, door de grote partijen genegeerd, maar uit alle macht gediskwalificeerd.

          Het interview leidde ook tot de breuk tussen Fortuyn en Leefbaar Nederland, waarop Fortuyn zijn eigen partij begon, die op 6 maart een grote overwinning behaalde. Niet alleen 'oude politici' als Melkert en Dijkstal waren verbijsterd en ontdaan door die uitslag - hetzelfde gold voor journalist Wansink, die Fortuyn maar een behaagziek en verongelijkt mannetje had gevonden, vol etnocentrische borrelpraat waarmee hij zichzelf wel zou diskwalificeren. Die 'foute taxatie' schreeuwde achteraf om 'reflectie en studie'. Wansink trok zich terug in de bossen van Wassenaar om op het NIAS te doorgronden wat hem en Nederland was overkomen. Teruggekeerd geeft hij berouwvol toe: het optreden van Fortuyn was goed voor het land.

          Niet dat Wansink 'in Pim' is geraakt. Fortuyns ideeën waren niet consistent en lang niet altijd uitvoerbaar, schrijft hij, en hij betwijfelt of Fortuyn premier zou zijn geworden als hij niet was vermoord. Maar wel constateert hij:  'Fortuyn was de afwijking die de Nederlandse politiek weer in haar baan bracht.'

          Nederland is een schoolvoorbeeld van een hoogontwikkelde 'corporatieve democratie': burgers beschikken over allerlei rechten, procedures en inspraakmogelijkheden. Maar dat levert ook een paradox op: juist door die overdaad en die versnippering kunnen burgers zich minder met het politieke bedrijf identificeren. Internationale vergelijking leert dat juist in zulke 'rijpe' corporatieve democratieën populistische bewegingen gedijen.

          Die 'inbraakgevoeligheid' van het politieke stelsel nam nog verder toe onder Paars, toen de corporatieve stijl 'degenereerde tot consensusbeheer en het zoekraken van de politieke aansprakelijkheid.' Kok en de andere gezagdragers hielden zich doof voor de vragen van de kiezers, waarop de 'populistische revolte' een logische reactie was. Die revolte had volgens Wansink het karakter van een heilzame inhaalslag. Sinds Fortuyn wordt de politieke agenda niet langer gedomineerd door de 'spraakmakende gemeente van politici, intellectuelen en journalisten.' Op de kiezersmarkt sloeg de balans om van de aanbodkant naar de vraagkant, waarmee de 'ontvoogding' van de kiezer een feit is geworden.

* * *

Tot zover is Wansinks verslag adequaat maar ook niet heel verrassend: het ging zoals het ging en kijk maar: het kón ook niet anders gaan. Boeiend is vooral het laatste deel - opnieuw een vorm van soul searching, maar nu op zoek naar de ziel van de Fortuyn-stemmers. Wansink is niet de eerste die zo'n speurtocht onderneemt. Anderen hebben geopperd dat de revolte gedragen werd door de 'misleide kiezer' (de media hebben de onvrede bij de domme massa opgeklopt), de 'calculerende kiezer' (die de rekening presenteerde voor falende publieke voorzieningen) of de 'miskende kiezer' (de gevestigde partijen vervreemdden zich van hun traditionele doelgroepen).

          Wansink stelt daar de 'wantrouwende kiezer' tegenover: de kiezer die het populisme omhelsde om de hoge heren in Den Haag terug te halen bij de les. Met succes: die hoge heren zagen zich gedwongen de agenda van Fortuyn in hoge mate over te nemen. Maar ook daarmee is de soul searching nog niet voltooid. De vraag blijft immers: waaruit bestond die agenda dan precies? Of, nauwkeuriger: welke punten van die agenda spraken de kiezer het meeste aan?

          Wansink toont overtuigend aan dat Fortuyn niet het voertuig was van 'herkenbare sociale groepen', zoals een onderklasse van gefrustreerde kleinburgers of een groep ondernemers die zich in hun expansiedrift gefrustreerd zagen door de staat. Qua inkomensverdeling kwam de LPF- en LN-aanhang overeen met een doorsnee van de bevolking. Wat mooi past in Wansinks stelling dat de kiezer zich, nu de electorale markt vraaggestuurd is geworden, niet meer laat inpassen in bij een bepaalde partij passende sociaal-economische hokjes.

          Het ging om gewone mensen - met gewone mensenwensen. Om de 'familie Doorsnee', zoals die volgens het NIPO opnieuw van zich laat horen in de aanhang van de lijst-Wilders. Die gewone mensenwensen lagen op niet-materieel gebied. Zij behelsden in de eerste plaats een breed gedragen kritiek op de 'toegeeflijke samenleving', het veronachtzamen van problemen rond migratie en criminaliteit.

          Natuurlijk was Fortuyn niet de eerste die deze problemen, en de Haagse ongevoeligheid daarvoor, aan de orde stelde. Drees junior (DS '70), Hans van Hooft (SP, in de jaren tachtig), Bolkestein (VVD, in de jaren negentig) en Paul Scheffer (PvdA, in 2000) gingen hem voor. Alleen uit dat rijtje blijkt al dat het weinig zin heeft deze standpuntbepaling in termen van links en rechts te willen duiden. Wansink doet dat dan ook niet. Sterker, hij onderneemt een moedige poging om ter verklaring een nieuwe dichotomie te ontwikkelen.

          Nauwkeuriger gezegd: hij vult de traditionele links-rechts dichotomie aan met een tweede, ontleend aan de Amerikaanse politicoloog Ronald Inglehart maar toegepast op de Nederlandse situatie. De links-rechts tegenstelling is een kwadrant geworden, met als aanvulling een 'postmateriële' as tussen een libertair/kosmopolitische, op zelfbeschikking gerichte gezindheid, en een autoritair/etnocentrische, op tucht en orde gerichte stellingname.

          Op het bijgevoegde schema zijn onder andere de LPF en de VVD in het rechts-autoritaire kwadrant te vinden. De SP en de Christen-Unie staan bijna broederlijk naast elkaar in de links-autoritaire hoek. Voor schrijver dezes, die al jarenlang bij het uitbrengen van zijn stem aarzelt tussen deze laatste twee partijen, een haast verlossende aanblik.

* * *

Toch brengt de aankleding van deze dichtomie mij ook tot een punt van kritiek. Want als ik bij de aanblik van deze nieuwe dichotomie ook zelf een kleine poging tot soul searching onderneem, blijf ik onbevredigd achter. Volgens Wansink verraad ik door mijn stem op de SP of de Christen-Unie een 'behoudende' en 'etnocentrische' opvatting, een hang naar 'autoritair leiderschap' en 'rechtzinnige opvattingen over gezin, staat en religie'. Van dit rijtje kan ik me alleen vinden in een behoudende opvatting en rechtzinnige ideeën over de staat. Anderzijds beschouw ik mezelf ook als libertair, kosmopolitisch en op zelfbeschikking gericht - waarmee ik thuishoor aan de andere pool van de as.

          Door de inkleding van zijn nieuwe dichotomie geeft Wansink blijk van een 'immateriële' variant van de opvatting die hij anderen verwijt. Hij impliceert dat een keuze voor de 'autoritair/etnocentrische' gezindheid toch niet eigen is aan de familie Doorsnee, maar aan een sociaal-cultureel benoembare groepering die iets van een benepen 'achterhoede'-karakter verraadt. Mij lijkt dat het al dan niet koesteren van autoritaire en etnocentrische ideeën als onderscheidend principe voor de nieuwe dichotomie even overbodig is als het zoeken naar sociaal-economische kenmerken.

          Wat dan wel? Naar mijn gevoel gaat het in laatste instantie om de mate waarin burgers een sense of urgency ervaren, om de mate van toezicht en dwang in de openbare sfeer die ze dientengevolge bereid zijn zelf te ondergaan, en om de mate waarin ze bereid zijn ter financiering daarvan in de beurs te tasten. Het debat hierover is nog in volle gang en krijgt, nu weer met de moord op Van Gogh en het succes van de lijst-Wilders, steeds nieuwe impulsen.

 

H. Wansink

De erfenis van Fortuyn, de Nederlandse democratie na de opstand van de kiezers

Amsterdam, 2004

ISBN 90 290 7276 8

Terug naar overzicht met artikelen