HOE EEN ONDERMAATS JOCHIE BIJNA AL ZIJN HANDICAPS OVERWON
(voorpublicatie uit boek 'Verstandig gehandicapt)

 

[ de Volkskrant, 20 juni 2005 ]

 

Baris Arek staat voor het videorek van zijn vriend Adem Özkara, en grinnikt: 'Kijk, Bruce Lee, Pamela Anderson, Georgina Verbaan. Kun je ongeveer zien wat voor smaak ie heeft.' Hij is vanuit West een uur en een kwartier onderweg geweest. Met de bus, het pontje naar Noord en dan nog een stuk lopen naar de Motorwal. Allemaal om Adem bij te staan nu hij bezoek krijgt van een journalist en op de foto moet.

            Vriendschap schept verplichtingen. 'Thee!' beveelt Adem met een kort gebaar en daar verdwijnt Baris al gehoorzaam naar de keuken. Even later drinken we heerlijke Turkse thee uit een glas. Adem doet er een ons suiker in: 'Ik ben een zoeteklep.'

            Ze kennen elkaar van de Albert Heijn op de Albert Cuyp, waar ze allebei werken als schoonmaker en vakkenvuller. Adem (25) vijf dagen per week, Baris part-time. Ze zijn afkomstig uit hetzelfde deel van Turkije. 'Zijn moeder komt uit mijn stad,' zegt Baris. Hij woont nog thuis, volgt een opleiding voor boekhoudkundige en wil daarna verder naar het hbo.

            'Ik ken Baris nu drie jaar en zie hem elke dag,' zegt Adem. Een bijzondere vriendschap - niet alleen omdat de een verstandelijk gehandicapt is en de ander niet, maar ook omdat vriendschap en alles wat daarop lijkt in Adems geschiedenis waarachtig niet dik gezaaid was. We moeten ons inspannen om hem te verstaan, want Adem spreekt moeizaam, met de kort aangebonden stoterigheid die bij de hedendaagse multiculturele jeugdtaal lijkt te horen. Maar hij doet er nog een schepje bovenop: alsof hij de klanken met kracht naar buiten moet duwen. Hij heeft een mooie sonore stem en spreekt langzaam, in zinnen die soms vreemd van constructie zijn, maar de gedachtegang is steevast helder en consequent.

            Wat hij te vertellen heeft, brengt steeds dezelfde gedachte bij me naar boven: als ík dat allemaal zou meemaken zou ik niet 'verstandelijk gehandicapt' maar waarschijnlijk stapelgek door het leven gaan. Luister maar naar zijn verhaal: 'Ik ben geboren in Karaman, een dorp in midden-Turkije. Ik was twee jaar oud, toen hebben ze het ontdekt. Mijn moeder zei: hij heeft last van z'n hart, hij moet een operatie. M'n vader zei: ga weg, ik ga niks doen, er zijn zeven kinderen, ik ga geen geld verspillen voor die ene. Discussie afgelopen. Mijn vader vond het te duur.

            'Mijn vader en moeder zijn gescheiden. Mijn moeder is weggegaan, mijn vader heeft mij en m'n op één na oudste zus gehouden. Mijn moeder wou mij bij haar hebben, ze komt me ophalen, maar m'n vader komt met een paard en wagen en die pakt mij en zet me weer terug. Ik zat voor de deur in een appelkist, met een stuk droog brood. Ik was toen vijf, zes jaar oud. Ik was zwak, begon toen pas met lopen. De buurvrouw en buurman vertellen het zo, m'n eigen herinneringen beginnen pas vanaf zeven jaar. En alle muggen en beesten op mijn gezicht, ik zag er niet uit. Als ze me nu zien, kennen ze me niet meer. Ik ben in m'n gezicht en m'n lichaam goed en stevig geworden.

            'Toen ik acht jaar was, was ik weer bij mijn moeder, mijn vader was weg naar zijn broer. Dat jaar ging mijn moeder sterven. Het ging niet goed tussen mij en m'n zussen, steeds ruzie. Zij slaat me. Toen ben ik weggelopen en heb ik anderhalf jaar op straat geleefd. Ik sliep buiten in het park, overal, nergens. Ik had het koud, ik was te jong om te werken, ik moest pikken uit winkels.'

            'Kregen ze je nooit te pakken?

            'Nee,' antwoordt Adem gedecideerd. 'Ik wist de tijden wanneer het brood komt en de winkel open gaat.'

            'En kreeg je ook wel eens wat?'

            'Nee.'

            Later ging hij weer naar zijn vader. In die tijd had hij een baantje: schoenen maken. Maar toen hij twaalf jaar was ging ook zijn vader dood. Na een jaar slaagde zijn zuster, die al in Nederland zat, erin hem illegaal te laten overkomen. Later is hij - 'een beetje via m'n zuster en een beetje via IJlanden' - legaal geworden. 'Ik heb gelijk ziekenfonds aangevraagd en ben ik naar de GGD geweest. Gekeken in het hart, het is vanzelf dichtgegroeid. Genezen, ja.'

 

*

 

Adem is klein van stuk, praat een beetje raar en heeft een intrigerend gezicht, karakteristiek en vol van tekening. Bij de eerste kennismaking lijkt hij wel te voldoen aan de beschrijving die iemand van IJlanden geeft: 'Hij heeft een lichte verstandelijke beperking, zou vroeger "debiel met gedragsstoornissen" zijn genoemd. Wat dat betreft zit hij nog wel een beetje in de ontkenning.'

            Maar na een paar uur praten met Adem - en nog eens goed luisteren naar het bandje waarop we het gesprek hebben opgenomen - zeg ik: als hij in de ontkenning zit, zit ik er ook in! Want Adem slaat zich niet alleen moedig en bewonderenswaardig door het leven, hij is ook bepaald slim, zij het misschien niet op de manier die hoge IQ-scores oplevert. En hij heeft een haarfijn inzicht in zijn situatie.

            'Adem, we zitten hier al een tijd gewoon met elkaar te praten. Wat is eigenlijk het verschil tussen jou en andere mensen?'

            'Leerachterstand. Ik leer moeilijk. Als ik een brief zou krijgen, ik lees onderkant, bovenkant vergeet ik, ik ga gelijk naar onderkant. En als ik een brief moet schrijven, kan ik helemaal niet bedenken wat voor letter moet er achteraan, dat kan ik niet. Ik sla dingen over.' Die achterstand heeft hij in Turkije opgelopen, zegt Adem. 'Toen m'n moeder stierf, heb ik de school niet afgemaakt. In Turkije heb je dan een hard leven, maar in Nederland krijgen mensen met een leerachterstand een kans.'

            In Amsterdam woonde hij eerst bij zijn zus. 'Ik moest studeren maar het ging niet zo goed. Ik was moeilijk thuis te houden - door m'n zuster deed ik domme dingen. Weglopen kon niet want ik kende niemand. Ik wilde terug naar Turkije maar m'n zus zei: dan moet je maar naar een tehuis.' Adem kwam terecht in Philadelphia in Landsmeer, een kort-verblijfhuis voor kinderen van vier tot achttien, alles door elkaar. Hij ging toen naar de Kingmaschool, een speciale school voor moeilijk lerende kinderen.

            In '96 ging hij naar een gezinsvervangend tehuis van IJlanden in de Sleewijkstraat in Zuidoost. 'Toen heb ik Nederlands geleerd,' zegt hij. 'Als ik op school ben praat ik Nederlands, thuis praat ik ook Nederlands, op straat Nederlands, de Turkse taal ben ik helemaal vergeten. In de Sleewijkstraat was het honderd procent minder streng dan in Landsmeer. Als je mij vrij laat, maak ik niet zo makkelijk fouten, die vrijheid kan ik aan.'

            Na vijf jaar wilde hij weg: 'Ik was te slim daar. Als je moeilijke woorden gebruikt, geef ik wel antwoord, maar hun gaan vijf minuten nadenken wat het antwoord is. Hun kunnen ook niet zelf boodschappen doen en naar buiten gaan. Ik kook zelf, ik doe zelf de was, ik maak m'n eigen kamer schoon. Als ik '96 vergelijk met nu, heb ik het nu veel verder geschopt.'

            Voor Adem kwam zelfstandig wonen nu binnen bereik, maar er was - dat vond hij zelf ook - nog een tussenstap nodig. Dat werd een 'locatie met intensieve zorg' in Sloten: een eigen appartement, maar wel in een gebouw waar altijd beleiding was. 'Dat ging goed en met salaris ging ook goed. Met rekeningen gaat ook goed. Na twee jaar moest ik ook uit Sloten weg.

            'Omdat je weer te slim was?'

            'Ja.'

            Toch wilde het op één gebied nog niet zo vlotten: het echte leren op school. In die tijd zat Adem op het ROC om beter te leren lezen en schrijven, en in Sloten hielpen ze hem daar ook bij, maar 'het ging nog niet zo snel. Ik wou eigenlijk alles zelf doen.'

            'Je wilde niet geholpen worden?'

            'Juist. Ik wou onafhankelijk zijn. Ze hoeven niet alles voor me te doen. Waar ze alles voor me deden, ben ik juist weggegaan. Waar ik nu woon helpen ze me alleen met brieven schrijven. Dat is goed, ze laten me met rust.'

            'Heb je een idee wat voor werk je na je opleiding zou willen doen?'

            'Dat weet ik niet. Als ik kon lezen en schrijven, zou ik helemaal niet werken, ik zou alleen nog verder studeren. Dat ik nog hoger werk kan doen, in kantoor zou ik werk willen.'

            Baris is daar ook mee bezig. Hij wil later zijn eigen administratiekantoor openen, zegt hij, maar dan niet zo'n klein kantoortje hier in een hoekje. 'Ik wil het groot aanpakken.'

            'Dan kan Adem misschien later bij jou werken.'

            Baris: 'Als ik later een kantoor heb, ga ik hem aannemen... als schoonmaker!'

 

*

 

Tijdens het hele gesprek blijft Adem vriendelijk, zelfs bij deze laatste opmerking van Baris. Hij kan wel een stootje hebben van zijn vriend. Maar we zíén het wel: een donkere dreiging achter zijn ogen die komt opzetten bij bepaalde vragen en onderwerpen. Die dan beheerst moet worden. Dat lukt hem nu.

            Wat zijn die vragen en onderwerpen? Eten is er één. In Landsmeer hebben ze hem een keer opgesloten omdat hij weigerde op te eten wat er werd opgeschept. 'Ik ben niet echt serieus moslim, maar ik eet geen varkensvlees. Gehaktbal heb ik niet opgegeten en zuurkool ook niet. Zuurkool, stamppot krijg ik niet door mijn keel.'

            In de Sleewijkstraat ging het echt mis. Daar sloeg hij een begeleidster 'per ongeluk' een hersenschudding. 'Ze zei: je moet opeten wat op je bord ligt. Ik zei: nee, dat doe ik niet. Kom jij tegen mij: je moet eten - ja, dahag! Ze ging doordrammen. Ze pakte de vork en wil me laten eten, maar dat kan ik niet. Medebewoners hebben me bij m'n handen gepakt en me naar boven gesjouwd naar mijn kamer. Ik trilde met kwaadheid.'

            'Weet je op zo'n moment wat je aan het doen bent?'

            'Nee. Ik ken mijn eigen kracht niet. Het is een paar keer gebeurd dat ik alles heb kapotgeslagen. Als mij iemand wil kwaadmaken, dan moet je vooral niet verder gaan als ik een paar maal gewaarschuwd heb. Een jongen bij mij in het tehuis ging mijn moeder uitschelden, ik waarschuw hem drie, vier keer: als je niet ophoudt ga ik je rammen. Hij maakt me echt kwaad. Hij daagt mij uit. Toen heb ik hem geslagen.'

            'Is Adem veranderd in de drie jaar dat je hem kent?' vraag ik aan Baris.

            'Vroeger werd hij niet zo gauw boos. Het laatste jaar vooral is hij snel boos en heeft hij weer snel stress. Maar het is niks vergeleken met wat er is gebeurd voordat ik hem kende. Hij is nu vele malen zachter. Vele malen, dat is niet te vergelijken.'

            'Hoe komt dat volgens jou?'

            Baris: 'Stress hè. Dat het eventjes niet liep tussen vrienden, tussen familie. De laatste tijd probeert hij het weer op de rails te krijgen en dat lukt hem ook wel aardig.'

            Als ik Adem er zelf naar vraag, krijg ik een beetje merkwaardige antwoorden. Doet hij bijvoorbeeld een soort therapie om van die kwaadheid af te komen?

            'Nee.'

            'Nee? Je vindt dat wel oké, die buien?'

            'Juist. Ik wil er niet van af komen. Ik zit nu goed. Maar je moet me met rust laten.'

            'Het zou toch wel handig zijn als je beter met die kwaadheid om kon gaan?'

            'Kijk, ik blijf wel kalm, maar je moet niet bij mij doordrammen, daar kan ik niet tegen.'

            'Dat kan wel maar de meeste mensen gaan niet slaan als een ander doordramt.'

            'Nee, maar de laatste drie jaar is dat niet meer gebeurd. Ik sla niet meer zo makkelijk mensen, ik ben veranderd. Ik denk door de leeftijd, en door de situatie om me heen.'

            'Heb je in Turkije geleerd dat je af en toe van je af moet slaan?'

            'In Turkije heb ik bijna nooit gevochten. Ik was te klein.'

 

*

 

Adem bewoont aan de Motorwal in Noord nu een eigen appartment. Twee keer per week komt zijn begeleider. Adem heeft een smetteloos wit overhemd aan en ook zijn huis is smetteloos, opgeruimd en aan de lege kant - bij verschillende andere geïnterviewden zagen we juist redelijk volgestouwde en rommelige interieurs. Veel elektronische spulletjes, een computer. Twee weken na ons bezoek stuurt hij ons een mailtje waar de foto's blijven.

            Voor de verrassing van zijn woning moet je doorlopen, het balkon op. Daar staat wat misschien wel zijn belangrijkste therapeutische toevlucht is: een fors duivenhok. 'Heeft ie helemaal zelf gemaakt,' zegt Baris. Witte duifjes strijken bereidwillig neer op Adems arm. Turkse tuimelaars zijn het, zegt hij trots, deze twee heten Fistik (walnoot) en Findik (hazelnoot). Hij houdt ze niet voor wedstrijden - alleen voor de sier. 'Ik koop ze, verzorg ze goed en verkoop ze voor een duurdere prijs door.'

            'Komt je zus wel eens hier om naar de duiven te kijken?'

              'Jawel, maar dat hoeft nu niet meer. Ze bemoeit zich teveel met me. Met neefjes en nichtjes heb ik ook geen contact meer. Wil ik ook niet.' Eigenlijk zou Adem het liefst in een andere stad wonen, ver van zijn familie. En zijn achternaam veranderen. Dan zou hij het echt bereikt hebben. Onafhankelijkheid. Met rust gelaten worden.

 

Terug naar overzicht met artikelen