KARAENG HAMZAH DAENG TOMPO:  ‘OMDAT IK DE ORDE HANDHAAFDE, HOEFDE WESTERLING HIER NOOIT IN ACTIE TE KOMEN’

 

[ NRC Handelsblad, 3-10-87 ]

 

Het beeld van de laatste gelarang van Borongloe, gezeten op het trapje naar zijn paalwoning, gloeit na in mijn herinnering. 's Avonds komen de kleine reigers hem gezelschap houden, terwijl hij uitkijkt over zijn visvijvers. 'Dat is mijn enige recreatie: hier zitten en loeren naar de vissen die daar zwemmen.'

       Veertig jaar geleden galoppeerde hij door Borongloe als aanvoerder van de Gowase Ruiterij, die het KNIL steunde tegen de Indonesische nationalisten. Bij belangrijke acties bracht hij een leger van een paar duizend man in het veld, bewapend met speren. Sommigen zeiden dat hij kaki‑tangan, "voeten en handen", was van kapitein Raymond Westerling, die toen het opstandige Zuid‑Celebes 'pacificeerde'. Maar hij was juist 'de enige die Westerling kan tegenpraten'.

       De nu 71-jarige edelman en krijgsaanvoerder bleef de Nederlanders tot het laatst toe trouw. Na de onafhankelijkheid moest hij daarvoor boeten met negen jaar gevangenis. De man die hem daar bewaakte is een van zijn beste vrienden geworden. De armen rond elkaars schouder poseren ze op het trapje naar Hamzah's woning. 's Avonds gingen ze vaak samen een biertje of een whisky drinken. Zo overleefde Hamzah Daeng Tompo, die geen groter genoegen kent dan 'plezier maken en ballok drinken met de mensen', zijn gevangenisjaren.                               

Sedert mensenheugenis is het bestuur over Borongloe uitgeoefend door Hamzah's voorvaderen. De positie van gelarang was te vergelijken met die van vazal in een feodaal systeem. Borongloe was een district van het sultanaat Gowa, gelegen ten zuidoosten van Makassar op het eiland Celebes.

       Evenals de andere vorstendommen van Zuid-Celebes was Gowa door de Nederlanders altijd gerespecteerd als 'zelfbesturend landschap'. Buiten de stad Makassar stelde het koloniaal gezag op Celebes weinig voor. De macht was er stevig in handen van de sultans of raja's.

       Het was tijdens de ambtsperiode van Hamzah's vader dat deze eeuwenlange status quo werd doorbroken. In 1905, onder van Van Heutsz, werden de Buitengewesten (Nederlands‑Indië buiten Java) 'gepacificeerd'. Het bestuur werd voortaan rechtstreeks namens het goevernement uitgeoefend. Gowa degradeerde van vorstendom tot 'onderafdeling'.

       Maar de koloniale machthebbers waren er nooit op uit om de traditionele hierarchie geheel te ontmantelen; veel liever wilden zij die inschakelen bij hun bestuur. De gelarangs kregen in 1925 een officiele status als 'adatgemeenschapshoofden'. De Nederlandse Controleur die nu het bewind over Gowa uitoefende, raadpleegde hen op maandelijkse vergaderingen. Tijdens een daarvan werd een broer van Hamzah geboren. Om die gedenkwaardige samenloop te memoreren kreeg deze de naam Parahadele ('Vergadering' op z'n indisch uitgesproken).

       In zijn nog ongebroken Nederlands prijst Hamzah zijn vader, die in 1905 tegen de Nederlanders vocht, maar later inzag dat voor zijn kinderen Nederlands onderwijs gewenst was. 'Mijn vader was zelf analfabeet, net als veel andere gelarangs. Ik ben de enige met een Europese opleiding. Ik was de eerste geweest die zonder tolk met de Nederlandse ambtenaren kon praten.'       

In 1935 volgde Hamzah zijn vader op. Achttien jaar oud werd hij verheven tot heerser over de vijfduizend inwoners van Borongloe. Datzelfde jaar maakte een jong aspirant-Controleur zijn opwachting in Gowa. Mr J.T.K. Poll was toen 25. Hij nam zijn intrek in het bestuursgebouw van de hoofdplaats Soengoeminassa, en zag aan de overkant een groot, nogal kaal bouwwerk in aanbouw. Het koloniaal bewind achtte de tijd rijp om het 'zelfbestuur' in ere te herstellen. Er moest dus weer een paleis komen. Het werd op een koopje ontworpen door een ingenieur van de Dienst Landschapswerken. In 1937 legde een nieuwe raja van Gowa de 'Korte Verklaring' af (van gehoorzaamheid aan het koloniaal gezag), om vervolgens op de troon te worden gehesen.

       Zelf toonde de nieuwe raja, een broer van de vorige, die in 1905 tegen de Nederlanders was gesneuveld, weinig aardigheid in de paleisbouw. 'Het moest groot zijn, en mooi,' herinnert zich mr Poll, thans rustend bestuursambtenaar in bosrijke Utrechtse contreien. 'WC's vond hij overbodig, hij geloofde in gaten in de vloer. Aan besturen deed hij niet. Hij wilde de 1500 gulden maandsalaris die wij hem betaalden. De dynastie was in die dertig jaar praktisch verpauperd. Maar hij had het aanzien weer onder de bevolking.'

       Tegenwoordig is het vorstelijk paleis van Gowa museum. Gids en huisbewaarder is de schoonzoon van de laatste raja. Hij leidt de bezoekers naar de koninklijke schatkamer ‑ welvoorzien, maar niet half zo rijk als voor 1905. Na de 'pacificatie' verdween alles naar Nederland. 'In veiligheid gebracht,' zegt Hamzah. Maar toen de spullen in '37 terugkeerden, om de restauratie van het vorstendom luister bij te zetten, bleek de helft te ontbreken. Aan de achterzijde van het paleis wordt de inrichting ronduit sjofel. In een van de lege zalen, dicht bij de vroegere vrouwenvertrekken, staan we plotseling tegenover een oud vrouwtje met een slecht oog; de weduwe van de laatste vorst.   

           

Van alle adatgemeenschapshoofden in Gowa was Hamzah de enige die tijdens de bezetting werd opgepakt. Gelijk met hem arresteerden de Japanners in juni 1942 de Nederlandse overste Gortmans en zeven Ambonese onderofficieren. Allen werden van sabotage beschuldigd. Gortmans en zijn mannen werden onthoofd, maar Hamzah werd na een half jaar vrijgelaten. 'Ik word geholpen door mijn volk. Deze mensen verdomden om te werken als ik niet vrij kom. Ik mag mijn functie weer betrekken, tot het eind van de oorlog. En na de oorlog ben ik opgeheven tot Rijksgrote.'

       Op 10 oktober 1945 werd Soengoeminassa bevrijd door Australische troepen plus een Nederlandse bestuursambtenaar. Het was mr Poll, zojuist uit het Jappenkamp teruggekeerd, die het Controleurschap kwam hervatten. 'In die periode van onrust kneep de raja 'm als een ouwe dief,' herinnert hij zich. 'Hamzah werd zijn vertrouweling. Hij werd benoemd tot pattjala, een soort tweede man, en tot voorzitter van de Paleisraad, bestaande uit zes 'Rijksgroten.'

       Qualitate qua zat Hamzah ook het College van Kiesheren voor, dat besliste over de keuze van een troonopvolger. Evenals het ambt van gelarang was dat van raja erfelijk ‑ niet per se in de directe lijn, maar in die zin dat het 'in de familie' bleef. Er bestond een originele combinatie van erfelijk en verkozen leiderschap: een nieuwe raja of gelarang werd gekozen uit de beschikbare leden van de vorstelijke of adellijke familie. Zo ontstonden dynastieen van een opmerkelijke kracht en continuiteit. De 36 raja's die sinds de zestiende eeuw over Gowa hebben geheerst, behoorden tot dezelfde familiegroep.

       Al gauw moest Hamzah met zijn College van Kiesheren in actie komen. Mei '46 stierf de raja. Hamzah vertelt: 'Mijn vriend Controleur Poll heeft me gezegd dat ik Andi Ijo, een van de zonen van de raja, moet kiezen. Innerlijk ben ik er eigenlijk op tegen. Maar ik wil een vriend van mij en mijn directe chef niet tegenspreken.'

       Bij de inhuldiging van Andi Ijo tot zesendertigste raja van Gowa werd de 'Korte Verklaring' niet, zoals voorheen, voorgelezen door de Resident van Zuid‑Celebes. Het was een Indonesier die zich nu met deze taak belastte: Anak Agung, premier van de kersverse staatkundige eenheid Oost-Indonesie.

       De Nederlanders en de Indonesische nationalisten, die sinds 1945 in felle strijd gewikkeld waren, hadden een akkoord bereikt waarbij Nederlands‑Indie werd omgetoverd in de 'Verenigde Staten van Indonesie': een federatie, bestaande uit Soekarno's Republiek, die al het grootste deel van Java controleerde, en en enkele 'buffer'-deelstaten in de Buitengewesten.

       Oost-Indonesië, met Celebes als basis, moest het pronkstuk van de deelstatenpolitiek worden. Het nationalisme ging er hand in hand met een traditionele angst voor het machtige Java. Vorstelijke en adellijke families op Zuid‑Celebes bekenden zich en masse tot de federale gedachte. 'Ik had echt vertrouwen in die deelstaat,' zegt ook Hamzah. 'Waarom moesten we naar de Javanen luisteren?'

'Die tweede helft van 1946 was werkelijk een wanhopige tijd,' zucht mr Poll. 'Na een aantal landingen vanuit Java waren flinke stukken van Zuid-Celebes in Republikeinse handen. In oktober werd een aanval op onze woonplaats Soengoeminassa ternauwernood afgeslagen. Zonder Hamzah hadden we het waarschijnlijk niet overleefd. Mijn vrouw en kinderen hebben die nacht in een greppel gelegen. Twee maanden later werd mijn aspirant-Controleur Rein Westhoff vermoord.' Er was ook een plan om Poll zelf te vermoorden, weet Hamzah: 'Ik was daar bij. Gelukkig, anders was Poll allang weggeweest.'

       Door zijn loyaliteit, ook tijdens de bezetting, genoot Hamzah groot vertrouwen bij de Nederlanders, en het KNIL gaf hem veertig op de Jappen buitgemaakte geweren om zijn legertje mee te bewapenen. Poll herinnert zich hoe deze Gowase Ruiterij hem zomer 1947 uitgeleide deed, toen hij naar een nieuwe standplaats vertrok. Veertig galopperende ruiters op de startbaan van Makassar, links en rechts van de plane.

       Bij minder ceremoniele acties bracht Hamzah's ruiterij grote aantallen verzetslieden op. Hamzah zelf zal die term niet gauw in de mond nemen. Hij bromt: 'Verzetslieden is onbekend bij ons, toen. Dat zijn rampokkers, plunderaars. In Borongloe waren nooit diefstallen. Omdat ik er de orde handhaafde, hoefde Westerling er nooit in actie te komen.

       Kapitein Raymond Westerling begon in december 1946 met zijn Depot Speciale Troepen orde en rust in Zuid-Celebes te herstellen. Hij had de vrije hand, want de benarde bestuurders hadden de Staat van Beleg uitgeroepen. Over de 'methode-Westerling', die was gebaseerd op grote aantallen 'standrechtelijke executies', spreekt Hamzah met een mengeling van begrip en misprijzen.

       Westerling leek hem 'iemand met wie je kunt praten. Maar niemand durft, want ze zijn bang.' Na een actie waarbij veel slachtoffers uit Borongloe waren gevallen, ging Hamzah erheen en ontmoette Westerling. 'Ik zei hem dat zijn systeem nooit echt zou werken. Want van ieder die je neerschiet zijn alle familieleden kwaad. En Makassaren zijn een haatdragend volk - zo haatdragend dat het van vader op kleinkind overgaat. Als je zoals Westerling meteen begint met schieten, dan kan een Makassaar gek worden. Praat je hard tegen hem, dan komt er een donder uit. Maar als je hem aait, ach m'n lieve jongen toch, waarom doe je zo?... Je moet hem liefkozen.'

       Daarom gaf Hamzah door zijn patrouilles opgepakte 'rampokkers' haast nooit aan de Nederlanders. 'Ik laat dieven door dieven oppakken, dat was mijn systeem geweest. Ik heb alle dieven weggestuurd om ergens anders te gaan stelen. Ja, je was jong en je houdt van avonturen, dus neem maar deel aan het avontuur...maar niet hier, want dan krijg je te maken met mij. Vaak hield ik ze voor een week bij mij thuis. Ik geef ze lekker eten, daar kreeg ik ook geld voor van Poll, uit het geheime politiefonds. We eten, we drinken samen ballok, en ik stuur ze naar huis met de opdracht: zorg dat de anderen goed worden, anders gaat je kampong in brand, dan komt Westerling om jullie uit te moorden. Soms komen ze vijf dagen later terug bij mij om de hele bende over te geven.'

In 1948 bracht Hamzah zijn enige bezoek aan Nederland. 'Het was de mooiste tijd van mijn leven,' zegt hij. 'Ik werkte op het land bij een hereboer onder Delfzijl. Ik kon veel geld overmaken. En ik ben twee maal op Soestdijk ontvangen.' Op 17 juli ontving hij in het Paleis op de Dam de Bronzen Leeuw (net onder de Militaire Willemsorde) uit handen van prins Bernhard.

       Anderhalf jaar later werd op dezelfde plaats de soevereiniteits‑overdracht ondertekend. Hamzah, die gemakkelijk in Nederland had kunnen blijven, was toen al teruggekeerd. 'Ik werd door mijn mensen teruggeroepen,' zegt hij. Toen de Nederlandse positie verder afkalfde, had hij alsnog kunnen vluchten - naar Nieuw-Guinea - maar hij bleef in Borongloe.

       Juni 1950, kort voordat Soekarno de broze federale structuur aan de kant veegde en de eenheidsstaat uitriep, werd Hamzah gearresteerd. Dit keer waren het mensen van zijn eigen volk, die hem ophaalden. 'Dezelfden die ik een paar maanden eerder nog had opgepikt als dieven en misdadigers, staan nu voor mij als officier. Ja, zo is een revolutie, een revolutie is raar werk.'  Zijn huis, dat in de oorlog al geplunderd was door de Jap, werd opnieuw leeggehaald. Alles: de oorbellen van zijn vrouw en zijn dochter, maar ook de gloednieuwe Winkler Prins die net was afbetaald.

       Nadat hij negen jaar in 'voorarrest' had gezeten, kwam hij voor de rechter. Van een advocaat wilde hij niet weten. Het enige dat hem verweten zou kunnen worden was dat hij drie rampokkers had neergelegd, stelde hij, en dat kon hij zelf wel uitleggen. Poll zat in Nederland en kon dus niet als getuige décharge optreden. Hij heeft zijn vriend Hamzah altijd beschouwd als een trouw representant van het adatgezag, te a‑politiek om de consequenties van zijn optreden voldoende te onderkennen.

       De straf werd gesteld op de duur van het voorarrest. Hamzah was vrij en ging aan het werk als een soort duvelstoejager in de haven van Jakarta. Na anderhalf jaar, in 1961, keerde hij terug naar Celebes, inmiddels Sulawesi geheten, en werd landbouwer. Dat is hij tot op de dag van vandaag. Pensioen krijgt hij niet, omdat de nieuwe regering hem destijds wegens politieke onbetrouwbaarheid heeft ontslagen. Zijn huisje in de buurt van Soengoeminassa staat op een afgelegen plek. In het slaapvertrek: het statieportret van Koningin en Prins.

       Hij zegt: 'Mijn vader was eigenlijk een kleine koning geweest. Hij was machtiger dan de koning van Nederland zelf, want wat hij zei gebeurde. Mijn vader was erg rijk. Ik had nooit genoeg om van te leven. Ik heb er altijd bij gewerkt op het land. Vandaag een heer, morgen een slaaf.'

'Makassaars bekeken ben ik al heel oud,' zegt Hamzah. 'Juist die ouderdom heeft mij vreselijk aangespoord om iets belangrijks te doen, om wat sporen achter te laten aan mijn nakomelingen.' Op land dat hij van zijn vader erfde heeft hij twee transmigratieprojecten voor 'vluchthuwelijken' opgezet. 'Het schaken van meisjes is een soort sport onder Makassaren,' legt Hamzah uit. Het is een laatste mogelijkheid die de adat biedt als er geen geld is voor bruidsschat en feesten, of als de familie tegen het huwelijk gekant is. De familie van het meisje is dan siri, "beschaamd", en heeft volgens de adat het recht om de man te doden. In zo'n geval is het voor het jonge paar zaak, zich onder bescherming van een machtig heer te stellen. Hamzah is zo'n heer.

       Door sawahs en cassavevelden rijden we naar een van de twee transmigratiedorpen, Romangloe, in het hart van Hamzah's oude ambtsgebied. Van de 32 gezinnen die er wonen zijn sommige al veertien jaar met hun familie gebrouilleerd. Dan is er sprake van pattje, innerlijke haat, en die gaat over op kinderen en kleinkinderen. Maar ook hier treedt het hoge realiteitsgehalte van de adatregels aan het licht: een familie die zich mokkend blijft verzetten tegen verzoening, 'haalt twee maal zijn vlag omlaag,' legt Hamzah uit. 'De eerste keer dat je dochter gevlucht is, de tweede keer dat je ingaat tegen wat de adat eist.'

       De zandweg naar Romangloe is aangelegd door Hamzah's oudste zoon, die door het leger is aangewezen tot districtshoofd van een gebied dat goeddeels samenvalt met Borongloe, waar ooit zijn vader, grootvader enzovoort de scepter zwaaiden.

       We stoppen bij zijn ambtswoning, gelegen aan een rivier waarin karbouwen baden. Het dorpshoofd komt ons begroeten. Hij brengt ons ballok, palmwijn, daarna schuifelt hij bijna kruipend achterwaarts. Hamzah laat zich de egards met welgevallen aanleunen. Hier heeft hij nog zijn eigen koninkrijkje. In Romangloe is hij nog de Karaeng, de Doorluchtige Heer.          

 

Ten huize van zijn jongste zoon, een jurist die op sneakers loopt, bekijk ik de videofilm waarop het huwelijk van Hamzah's kleindochter is geregistreerd. De bruidegom is een vorstenzoon uit het bergland. Steeds weer nieuwe stoeten gasten, deels gekleed in ambtscostuums van het oude regime, trekken voorbij. Geld en rijst worden overhandigd. Eindeloze palavers gehouden. De plechtigheid duurde drie dagen, de voorbespreking niet meegerekend.

       Na twee uur heeft Hamzah, die het verslag al vele malen gezien moet hebben, er nog lang niet genoeg van. Ademloos wijst hij mij de hoogwaardigheidsbekleders van weleer:

'Kijk, de vorst uit de bergen.'

'Het hoofd van Torajaland.'

'De afdelingschef van Takalar.'

'De schoonzoon van de raja.'       

 

Terug naar overzicht met artikelen